Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-01-29
ECLI:NL:RBOBR:2026:473
vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Locatie 's-Hertogenbosch Strafrecht Parketnummers: 01.018712.22 en 01.268807.22 (ter terechtzitting gevoegd) Datum uitspraak: 29 januari 2026 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [2002] , wonende te [adres 1] Inleiding: onderzoek Starr. In maart 2020 werd het onderzoek Starr opgestart. Uit informatie van de politie, verkregen door meldingen en constateringen, bleek dat een crimineel netwerk actief was dat inkomsten genereerde door grootschalige handel in verdovende middelen. Dit netwerk concentreerde zich op de gemeentes Eindhoven en Helmond. In Eindhoven handelde een dealgroep onder de naam ' [groepsnaam 1] ', en later onder de naam ' [groepsnaam 2] '. In Helmond handelde een dealgroep onder de naam ' [groepsnaam 3] '. Het vermoeden bestond dat dealgroep [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] werd aangestuurd/georganiseerd door personen die ook dealgroep [groepsnaam 3] aanstuurden en dat beide groeperingen samenwerkten. Omdat de verdenkingen tegen verdachte zich richten op betrokkenheid bij zowel dealgroep [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] als dealgroep [groepsnaam 3] , zal de rechtbank in dit vonnis in zijn algemeenheid verwijzen naar [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] / [groepsnaam 3] . Binnen het onderzoek is gebruik gemaakt van opsporingsmiddelen, zoals observaties, taps, afluisterapparatuur in voertuigen, onderzoek aan (deal)telefoons en doorzoekingen. Aan de hand van de verkregen informatie heeft het Openbaar Ministerie naast verdachte ook medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] vervolgd voor – kort gezegd – het in vereniging handelen in harddrugs en het deelnemen aan een criminele (drugs)organisatie. Het onderzoek ter terechtzitting. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 april 2022, 11 juli 2022, 7 juni 2025, 13 mei 2025, 15 mei 2025, 2 december 2025 en 22 januari 2026 (sluiting). Op de zitting van 13 mei 2025 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F.L.C. Schoolderman, naar voren is gebracht. De zaak tegen verdachte heeft de rechtbank gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1] . De zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn uiteindelijk afgesplitst in verband met de gemaakte procesafspraken tussen hen en het Openbaar Ministerie. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij afzonderlijke dagvaardingen van 11 maart 2022 (01.018712.22) en 29 april 2025 (01.268807.22). Nadat de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 01.018712.22 op de terechtzitting van 13 mei 2025 is aangepast en uitgebreid (op grond van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering), is aan verdachte ten laste gelegd dat: 1 hij in of omstreeks de periode van 23 december 2020 tot en met 24 januari 2022 te Eindhoven en/of Helmond, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet; 2 hij in of omstreeks de periode van 23 december 2020 tot en met 24 januari 2022 te Eindhoven en/of Helmond, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid amfetamine, in elk geval een hoeveelh Algemene opmerkingen over het bewijs De rechtbank heeft in zijn algemeenheid – en voor zover relevant in het licht van de feiten die de rechtbank bewezen acht – de onderzoekbevindingen en de daarop gebaseerde conclusies van de politie tegen de achtergrond van het dossier en wat ter terechtzitting is besproken, gecontroleerd en juist geacht. De rechtbank neemt deze conclusies dan ook over. De rechtbank heeft geen aanwijzingen gevonden om aan deze conclusies te twijfelen. Deze conclusies vinden naar het oordeel van de rechtbank ook op overtuigende wijze bevestiging in andere bewijsmiddelen. De hieraan ten grondslag liggende redengevende feiten en omstandigheden wijzen zodanig op de betrokkenheid van verdachte bij de hierna bewezenverklaarde feiten dat van hem een redelijke verklaring mocht worden verlangd om die betrokkenheid te weerleggen. Een dergelijke verklaring is echter uitgebleven. Verdachte heeft zich bij de politie en ter terechtzitting op gerichte vragen over zijn betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten op zijn zwijgrecht beroepen. Deze proceshouding en het uitblijven van een aannemelijk tegengeluid, heeft de overtuigingskracht van een belastende uitleg van gebruikte bewijsmiddelen versterkt. De rechtbank is bij de beoordeling van het bewijs in het bijzonder uitgegaan van de juistheid van de bevindingen van de politie met betrekking tot de aan [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] / [groepsnaam 3] toegeschreven telefoonnummers en vervoersmiddelen, en de aan verdachte en medeverdachten toegeschreven bijnamen en telefoonnummers. Verder kan uit de resultaten van het opsporingsonderzoek – in algemene zin en in grote lijnen – een modus operandi worden gedestilleerd. Zo is kenmerkend dat [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] / [groepsnaam 3] werktijden hanteerde van 10:00 uur tot 20:00 uur. Tussen deze tijden was de deallijn bereikbaar voor afnemers. Er werden ook regelmatig SMS-bommen met daarin aanbiedingen voor verdovende middelen verstuurd naar een grote hoeveelheid telefoonnummers. Afnemers konden via de deallijn een bestelling plaatsen. Dealers werden vanuit zogenoemde bijvullocaties voorzien van verdovende middelen, die zij vervolgens afleverden aan individuele afnemers. Het ging daarbij om gebruikershoeveelheden van cocaïne ('w' / 'wit') en heroïne ('d' / 'donker') – en dus geen amfetamine, zoals eveneens ten laste is gelegd. De dealgroep [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] was actief in Eindhoven en omgeving ('hier') en de dealgroep [groepsnaam 3] was actief in Helmond en omgeving ('ver'). Drugshandel Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – de handel in cocaïne en heroïne. De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van dit feit slechts de omvang van de ten laste gelegde periode ter discussie staat. Hierover overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel het dossier enkele aanwijzingen bevat dat verdachte vóór 25 augustus 2021 betrokken is geweest bij (personen die worden gelieerd aan) [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] / [groepsnaam 3] , is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachte zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van handel in dan wel het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs in de periode van 23 december 2020 tot en met 24 augustus 2021. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging. Ten aanzien van de periode na 24 augustus 2021 overweegt de rechtbank het volgende. Op 25 augustus 2021 is verdachte aangehouden. Op die dag is een drugsdeal gezien tussen verdachte en een afnemer. Vervolgens is de telefoon van de afnemer onderzocht. Daaruit blijkt dat er zes minuten voor de overdracht telefonisch contact is geweest met een telefoonnummer dat door dealgroep [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] wordt gebruikt. Ook de telefoon van verdachte is onderzocht. Uit chatber De rechtbank zal deze verklaringen echter niet gebruiken voor het bewijs. Daarom hoeft dit verweer niet besproken te worden. Deelneming aan een criminele organisatie Algemeen Van een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 11b Opiumwet is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen ten minste twee personen. Van ‘deelneming’ aan de organisatie kan slechts sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 11b Opiumwet bedoelde oogmerk. Daarbij geldt dat de verdachte in zijn algemeenheid moet weten (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van Opiumwetmisdrijven. De verdachte hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt is niet vereist dat daarbij komt vast te staan dat de verdachte moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De organisatie en de rol van verdachte en andere leden De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een duurzaam samenwerkingsverband tussen (onder andere) medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en verdachte. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de organisatie zich op grote schaal bezighield met criminele activiteiten met betrekking tot de handel in cocaïne en heroïne. Het oogmerk van dit samenwerkingsverband was gericht op het plegen van dit soort misdrijven. Het samenwerkingsverband werd aangestuurd door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Verdachte hield zich bezig met het vervoeren en afleveren van harddrugs. Daarnaast was verdachte de gebruiker van dealtelefoons van [groepsnaam 1] / [groepsnaam 2] / [groepsnaam 3] . Via de deallijn had hij contact met afnemers en maakte afspraken. Hij was daarmee een belangrijk en onmisbaar onderdeel in de organisatie. Dat de bijdrage die verdachte heeft geleverd beperkt is gebleven tot die van een doorsnee straatdealer, zoals de raadsvrouw van verdachte heeft geopperd, acht de rechtbank ongeloofwaardig. De werkzaamheden van verdachte bleven namelijk niet beperkt tot het beantwoorden van een dealtelefoon en het afleveren van verdovende middelen. Zoals hiervoor is overwogen, zijn in de woning van verdachte niet alleen mobiele telefoons, maar ook een notitie aangetroffen, die van vitaal belang was voor de continuïteit van de organisatie. Het is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat dergelijke belangrijke informatie slechts bij/door prominente leden van de organisatie wordt bewaard en niet door een doorsnee straatdealer. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte meer verantwoordelijkheid droeg dan een gemiddelde straatdealer. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte een substantiële bijdrage heeft geleverd aan een crimineel samenwerkingsverband met, onder meer, medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] . Die bijdrage is naar het oordeel van de rechtbank van voldoende intensiteit en duur om verdachte aan te merken als deelnemer van de organisatie. Het bewijs van het opzet van verdachte, zowel op de deelname aan de organisatie als op het oogmerk van de organisatie, volgt uit de bewijsmiddelen en uit hetgeen over de rol van de verdachte is overwogen. Pleegperiode De rechtbank is van oordeel dat verdachte in de periode Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich gedurende ruim drie maanden schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie die zich bezighield met het overtreden van de Opiumwet. In die periode heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne en heroïne. Het spreekt voor zich dat een organisatie met als doelstelling het plegen van misdrijven als hiervoor genoemd de rechtsorde ernstig en ontoelaatbaar ondermijnt. Hiertegen dient dan ook hard te worden opgetreden. Het gaat hier om een professionele drugsorganisatie, waarbij plegen van strafbare feiten ‘business as usual’ was. De organisatie heeft het drugsgebruik van veel afnemers gefaciliteerd in de omgeving van Eindhoven en Helmond. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen en dat gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag bekostigen, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Van de handel in verdovende middelen is bovendien algemeen bekend dat deze steeds meer gepaard gaat met andere, ook zwaardere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken en heeft kennelijk enkel gehandeld uit eigen financieel gewin. Verdachte fungeerde vooral op uitvoerend niveau, maar zijn rol oversteeg wel die van een doorsnee straatdealer en hij had een onmisbare functie binnen de organisatie. Samenloop van de feiten Ten aanzien van het onder beide parketnummers bewezenverklaarde – kort gezegd – handelen in harddrugs is sprake van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, Sr. Het bewezenverklaarde levert een zodanig samenhangend en op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet uiteenloopt. Ten aanzien van het handelen in harddrugs en de deelname aan een criminele drugsorganisatie is geen sprake van eendaadse samenloop. De strekking van beide strafbepalingen loopt uiteen en voor deze feiten geldt niet dat deze zodanig samenhangend zijn dat daarvan verdachte in wezen één verwijt wordt gemaakt. Persoon van verdachte Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke strafbare feiten. Wel zijn de bewezenverklaarde feiten gepleegd tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling. Die veroordeling heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Dit is in strafverzwarende zin meegenomen bij het bepalen van de strafmaat en -soort. De rechtbank houdt rekening met de recente veroordeling van verdachte, waardoor artikel 63 Sr van toepassing is. Dat wil echter niet zeggen dat de rechtbank zich moet afvragen hoe zij gestraft zou hebben als de nieuwe feiten samen met de al afgedane strafbare feiten zouden zijn berecht. Artikel 63 Sr schrijft de strafrechter slechts voor dat de rechtbank de verplichting heeft om het toepasselijke strafmaximum in acht te nemen dat aan de orde zou zijn geweest als beide zaken tegelijkertijd en gevoegd zouden zijn behandeld. Wel houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte. Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten nét meerderjarig. De rechtbank ziet, gelet op het advies van de reclassering en het onderzoek ter terechtzitting, echter geen aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen. In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte – ondanks zijn jeugdige leeftij