Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-06-22
ECLI:NL:RBOBR:2026:4419
Omgevingswet. Maatwerkvoorschriften voor padelbanen. Niet naleefbaar voorschrift vanwege onjuiste berekening geluidsbelasting door college. College motiveert waarom de juist berekende geluidsbelasting aanvaardbaar is. Rechtbank voorziet zelf in zaak door hogere geluidsbelasting in maatwerkvoorschriften op te nemen. Reformatio in peius. RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 26/152 OWMIL uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxtel (gemachtigde: mr. B.M.E. Mallens). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Tennis- en padelvereniging [naam] uit [woonplaats] (de vereniging) (gemachtigden: [naam] en [naam] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de geluidsbelasting die eiseres ervaart van een nabijgelegen tennis- en padelvereniging. De vereniging heeft het college verzocht om maatwerkvoorschriften zodat de padelactiviteiten binnen de geluidsnormen blijven. Het college heeft dat verzoek toegewezen. Eiseres vreest voor het voortduren van de overlast die zij ervaart. Volgens haar zijn de in de maatwerkvoorschriften gestelde normen niet goed vastgesteld en is de geluidsbelasting onaanvaardbaar hoger. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres gelijk heeft en dat de maatwerkvoorschriften van een verkeerde geluidsbelasting uitgaan. Omdat het college in deze procedure voldoende heeft onderbouwd dat en waarom het de werkelijke geluidsbelasting aanvaardbaar vindt, stelt de rechtbank maatwerkvoorschriften vast die wel overeenkomen met de werkelijke geluidsbelasting. 1.2. Het beroep van eiseres is dus wel gegrond, maar het leidt niet tot het door haar gewenste gevolg. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. Procesverloop 2. De vereniging heeft een aanvraag ingediend bij het college voor het opleggen van maatwerkvoorschriften. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 4 december 2025 toegewezen. Het college heeft dit bestreden besluit voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, [naam] (partner van eiseres), de gemachtigde van eiseres, [naam] (geluidsdeskundige van eiseres), de gemachtigde van het college, twee geluidsdeskundigen van het college ( [naam] en [naam] ) en de gemachtigden van de vereniging. Beoordeling door de rechtbank Inleiding en leeswijzer 3. De vereniging was van oorsprong een tennisvereniging met negen tennisbanen. Op enig moment heeft de vereniging één van de tennisbanen omgebouwd naar twee padelbanen. Omdat van padelbanen meer geluid afkomstig is dan van tennisbanen, heeft de vereniging het college verzocht om maatwerkvoorschriften die de padelsport legaliseren. Het college heeft met de maatwerkvoorschriften toegestaan dat specifiek op de woning van eiseres een geluidsbelasting met een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 46 dB(A) is toegestaan. Daarbij heeft het college als eis gesteld dat de vereniging een geluidsscherm plaatst van 26 meter lang en 6 meter hoog. 3.1. Eiseres is het niet eens met de maatwerkvoorschriften. Zij ervaart veel geluidsoverlast van de padelsport. Zij meent dat het college de geluidsbelasting verkeerd heeft berekend en deze ten onrechte aanvaardbaar heeft bevonden. Eiseres vindt ook dat het college de plaatsing van een langer geluidsscherm had moeten voorschrijven, namelijk van 55 meter. 3.2. De uitspraak is als volgt opgebouwd. De rechtbank beoordeelt hierna eerst of het college de geluidsbelasting op de woning van eiseres op de juiste manier heeft berekend. De rechtbank zal daarbij tot de conclusie komen dat dit niet het geval is. Omdat het college de hogere geluidsbelasting aanvaardbaar acht, onderzoekt de rechtbank daarna of het college dat in redelijkheid kon doen. Nadat de rechtbank tot de conclusie komt dat dit het geval is, legt de rechtbank uit dat en waarom zij de maatwerkvoorschriften in hogere zin bijstelt. Toetsingskader: inleiding 4. De maatwerkvoorschriften hebben betrekking op de toegestane geluidsbelasting van de vereniging in de avonduren, tussen 19.00 en 23.00 uur. Op grond van artikel 22.63 van het omgevingsplan geldt in deze periode een maximale geluidsbelasting op een geluidgevoelig gebouw van een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 45 dB(A). 4.1. Op grond van artikel 22.45, eerste lid, van het omgevingsplan kan het college maatwerkvoorschriften stellen over – onder andere – de geluidsnormen van artikel 22.63. Met maatwerkvoorschriften kan het college afwijken van die geluidsnormen. 4.2. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat de geluidsnormen die in deze zaak van toepassing zijn, eiseres slechts beperkt beschermen. Op grond van artikel 22.70, eerste lid, aanhef en onder c, van het omgevingsplan blijft het stemgeluid van bezoekers van de vereniging bij het bepalen van de geldende geluidsniveaus namelijk buiten beschouwing. Op grond van het tweede lid van deze bepaling wordt voor piekgeluiden geen rekening gehouden met geluiden van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan. Deze piekgeluiden – die wel heel hinderlijk kunnen zijn – zijn dus niet gereguleerd. Berekening geluidsbelasting Inleiding 5. Volgens eiseres heeft het college de geluidsberekening verkeerd uitgevoerd. Daarbij heeft eiseres zich beroepen op een advies van een door haar ingeschakelde geluidsdeskundige. De werkelijke geluidsbelasting op de woning van eiseres is niet 46 dB(A), maar 48 dB(A). Eiseres voert daartoe twee argumenten aan. De rechtbank is van oordeel dat eiseres op allebei de punten gelijk heeft, zodat het college uit had moeten gaan van een geluidsbelasting van 48 dB(A). Hierna legt de rechtbank uit waarom dat zo is. Garage 6. Volgens eiseres had het college de garage van eiseres, die het dichtst bij de padelbanen van de vereniging ligt, ook als relevant meetpunt mee moeten nemen. Het college heeft in de besluitvorming ten onrechte verondersteld dat de garage geen deel uitmaakt van het geluidsgevoelige gebouw dat de woning van eiseres is. 6.1. Het college is het met eiseres eens dat de garage mee had moeten worden gewogen. 6.2. De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van artikel 1.1 (begripsbepalingen), eerste lid, van het omgevingsplan, zijn de begripsbepalingen van (onder andere) Bijlage I bij artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) van toepassing op hoofdstuk 22 van het omgevingsplan. In die Bijlage I, onderdeel A, van het Bkl wordt voor het begrip ‘geluidsgevoelig gebouw’ dan weer verwezen naar artikel 3.21 van het Bkl. In artikel 3.21 van het Bkl staat dat een geluidgevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw is met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan. Voor het begrip ‘nevengebruiksfunctie’ wordt volgens Bijlage I, onderdeel A, van het Bkl dan weer aangesloten bij de definitie die daaraan wordt gegeven in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In de Bijlage I bij artikel 1.1, onder A, van het Bbl wordt ‘nevengebruiksfunctie’ gedefinieerd als ‘gebruiksfunctie die ten dienste staat van een andere gebruiksfunctie’. 6.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de garage van eiseres ten dienste staat van het woongedeelte van eiseres en dus onderdeel uitmaakt van het geluidsgevoelige gebouw. Daarom was de geluidsbelasting op de gevel van de garage een relevant meetpunt. Het college had dit mee moeten wegen. Representatieve bedrijfssituatie 7. Volgens eiseres is het college uitgegaan van een onjuiste representatieve bedrijfssituatie. Het college had uit moeten gaan van een bezetting van de padelbanen van 100% en niet van een bezetting van 85%. 7.1. Het college zegt zich te baseren op de aanvraag van de vereniging. Daarin is vermeld dat sprake is van een bezetting van 85%. 7.2. Op de zitting heeft de vereniging toegelicht dat de bezettingsgraad van 85% een jaargemiddelde bezettingsgraad is. De vereniging houdt dit geautomatiseerd bij door te kijken naar de reserveringen door het jaar heen. De vereniging heeft aangegeven dat in drukkere seizoenen een bezettingsgraad van 100% gangbaar is. 7.3. De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van artikel 22.74 van het omgevingsplan wordt voor het berekenen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau gebruik gemaakt van de rekenmethoden die op grond van artikel 6.6 van de Omgevingsregeling gelden. In artikel 6.6 van de Omgevingsregeling wordt dan weer verwezen naar bijlage IVh van diezelfde regeling. In paragraaf 4.2 van die bijlage wordt over de representatieve bedrijfssituatie beschreven dat hiervoor kan worden aangesloten op de twaalf jaardagen na lawaaiigste jaardag. Anders gezegd: een bedrijfssituatie die meer dan twaalf keer per jaar voorkomt, mag geacht worden representatief te zijn. In deze zaak geldt dat, nu de vereniging gedurende het jaar voor langere periodes een padelbaanbezetting van 100% heeft, dit de representatieve bedrijfssituatie is. Het college is dus ten onrechte uitgegaan van een lager percentage. Conclusie geluidsbelasting 7.4. Het college heeft in de maatwerkvoorschriften bepaald dat de geluidsbelasting op de woning van eiseres, gemeten naar het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, maximaal 46 dB(A) mag bedragen. Partijen zijn het erover eens dat als het college uit was gegaan van de belasting van een 100% baanbezetting op de garage van eiseres, de geluidsbelasting maximaal 48 dB(A) bedraagt. Dat betekent dat de gestelde maatwerkvoorschriften niet naleefbaar zijn. De beroepsgrond slaagt dus. Tussenconclusie 8. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat de bestuursrechter maatwerkvoorschriften waarvan gebleken is dat deze niet naleefbaar zijn, vernietigt. Dat zal de rechtbank later in deze uitspraak daarom ook doen. 8.1. De rechtbank heeft het college op zitting gevraagd wat de volgende stap zou zijn als de rechtbank het besluit zou vernietigen. Het college heeft zich daarop op het standpunt gesteld dat het de correct berekende geluidsbelasting van 48 dB(A) eveneens aanvaardbaar vindt. Het college heeft de rechtbank verzocht om zelf in de zaak te voorzien en de maatwerkvoorschriften zo aan te passen dan de toegestane geluidsbelasting, gemeten naar het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, 48 dB(A) bedraagt. 8.2. Op grond van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht beslecht de bestuursrechter het aan hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. De rechtbank ziet daarom aanleiding om te bezien of het college zich in redelijkheid op het standpunt stelt dat een norm van 48 dB(A) aanvaardbaar is. Als dat het geval is, dan kan de rechtbank het geschil definitief beslechten door deze norm in de plaats te stellen van de 46 dB(A) die nu in de maatwerkvoorschriften staat. Aanvaardbaarheid 48 dB(A) 9. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het college haar belangen niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft afgewogen. Zij heeft veel last van de padelgeluiden en zij wenst rustig in de tuin te kunnen zitten en met open raam te kunnen slapen. De waarde van haar woning is ook gedaald. Het college heeft deze belangen niet kenbaar meegewogen bij het bepalen van de geluidsnormen in het bestreden besluit. Het college kon in redelijkheid niet besluiten dat de aanvankelijk beoogde norm van 46 dB(A) aanvaardbaar was. Dat geldt nog meer voor het toestaan van de door het college voorgestelde norm van 48 dB(A). Het college had aanleiding moeten zien om een groter geluidsscherm voor te schrijven dan het nu heeft gedaan. 9.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het de verhoogde geluidsnorm van 48 dB(A) acceptabel is om verschillende redenen. Het college stelt voorop dat deze norm de grenswaarde eerbiedigt die in artikel 22.63, derde lid, van het omgevingsplan is gesteld voor de geluidsbelasting binnen de woning van eiseres van 30 dB(A). Daarbij rekent het college, zoals gebruikelijk, met een geluidsdempende werking van de gevels van de woning van 20 dB(A). Het college constateert dat de afwijking van de geluidsnormen in het omgevingsplan slechts nodig is ten aanzien van één woning die zich niet in een rustig gebied bevindt, mede gelet op het dubbele spoor en de eveneens nabijgelegen voetbalvelden. Het college heeft, gegeven deze informatie, de belangen van eiseres afgewogen tegen het maatschappelijk belang van de bevordering van breedtesport in de gemeente Boxtel en daarmee de volksgezondheid. Het college heeft overwogen om een groter geluidsscherm voor te schrijven dat de geluidsbelasting op de woning van eiseres volledig weg zou nemen. Hiervan heeft het college echter afgezien vanwege het feit dat de kosten daarvan meer dan het dubbele zouden zijn dan van het voorgeschreven geluidsscherm, namelijk € 94.000,- in plaats van € 44.000,-. Dat acht het college onevenredig belastend voor de vereniging. Voor wat betreft de overlast die eiseres in haar tuin ervaart, stelt het college zich op het standpunt dat deze overlast niet gereguleerd is. 9.2. De rechtbank stelt voorop dat het college beoordelingsruimte heeft bij het bepalen van de aanvaardbaarheid van een bij maatwerkvoorschrift verhoogde geluidsnorm, zolang deze binnen de geldende grenswaarden blijft. Het college moet het belang van eiseres afwegen tegen verschillende andere maatschappelijke belangen en de rechtbank toetst niet zelf welk belang zij zwaarder vindt wegen. De rechtbank is van oordeel dat het college zich met de gegeven motivering in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de verhoogde norm van 48 dB(A) aanvaardbaar is. Het college heeft alle relevante belangen afgewogen en heeft daarbij de grenzen van zijn beoordelingsruimte niet overschreden. Het college kon zich ook op het standpunt stellen dat van de vereniging niet kan worden gevergd dat zij voor een relatief beperkte geluidswinst op één woning aanzienlijke aanvullende kosten maakt. Het college heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat de tuin van eiseres buiten het beschermingsbereik valt van de geluidsregels in het omgevingsplan en dat het college daar dus geen rekening mee hoeft te houden. 9.3. De rechtbank merkt op dat zij oog heeft voor de door eiseres ervaren overlast. Het college en de vereniging gaan namelijk uit van een geluidsdempende werking van het voorgeschreven geluidsscherm van 7 dB(A). Op dit moment is er echter nog geen geluidsscherm aanwezig. Het ligt daarom in de rede dat eiseres op dit moment een aanzienlijke geluidsbelasting ervaart. Dit is echter een kwestie van handhaving. De rechtbank heeft van partijen begrepen dat hierover al een procedure loopt. Conclusie 10. Het beroep is gegrond omdat het college niet-naleefbare maatwerkvoorschriften heeft gesteld. Omdat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een correct berekend en dus naleefbaar maatwerkvoorschrift aanvaardbaar is, zal de rechtbank zelf dit correct berekende maatwerkvoorschrift stellen. Die bevoegdheid heeft de rechtbank op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. 10.1. De rechtbank vernietigt dus het bestreden besluit, voor zover het college daarin in de tabel, behorende bij voorschrift 1.1.1, een geluidsbelasting met een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 46 dB(A) op de woning van eiseres heeft gesteld. De rechtbank bepaalt dat dat deze waarde 48 komt te luiden. 10.2. De rechtbank vernietigt ook de voorschriften 1.1.4 en 1.1.5, waarin het college voor regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie (toernooien) een norm van 47 dB(A) heeft gesteld. Bij het stellen van deze voorschriften ging het college ervan uit dat toernooisituaties een baanbezetting van 100% kennen en dat dit afwijkt van een representatieve baanbezetting van 85%. Aangezien de representatieve baanbezetting 100% is, vormen toernooien geen afwijking van de representatieve bedrijfssituatie. De voorschriften 1.1.4 en 1.1.5 hebben daarom geen toegevoegde waarde meer. De rechtbank zal deze voorschriften daarom niet vervangen door andere voorschriften. 10.3. Voor het overige blijft het bestreden besluit in stand. 10.4.