Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-01-26
ECLI:NL:RBOBR:2026:334
vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Locatie 's-Hertogenbosch Strafrecht Parketnummer: 01.032750.25 Datum uitspraak: 26 januari 2026 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1995] , wonende te [adres] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 januari 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 december 2025. Aan verdachte is ten laste gelegd dat: T.a.v. primair: hij op of omstreeks 7 juli 2024 te Veghel, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Peugeot), daarmede rijdende over de weg, de N279, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam te handelen als volgt: verdachte is rijdende over de N279 (komende uit de richting van Helmond en gaande in de richting van ’s-Hertogenbosch) en gekomen bij het kruispunt met de A50, dat kruispunt opgereden terwijl het voor hem bestemde stoplicht op dat moment rood licht uitstraalde en/of was niet in staat om zijn personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, waardoor verdachte op het kruispunt met zijn personenauto tegen een voor hem van rechts komende personenauto (merk: Mercedes) is gebotst/gereden, waardoor een ander en/of anderen, genaamd [slachtoffer 1] (zijnde bestuurster van die personenauto, merk Mercedes), zwaar lichamelijk letsel, te weten een zware hersenschudding en/of oorsuizen en/of blijvende gehoorschade en/of pijn aan haar nek en/of schouders en/of heup en/of borstbeen en/of pols en/of knie en/of voet, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, en/of genaamd [slachtoffer 2] (zijnde passagier van die personenauto, merk Mercedes), zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenschudding en/of letsel aan zijn tanden en/of vermoeidheidsklachten en/of concentratiestoornis, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; T.a.v. subsidiair: hij op of omstreeks 7 juli 2024 te Veghel, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Peugeot), daarmee rijdende op de weg, de N279, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, immers is verdachte rijdende over de N279 (komende uit de richting van Helmond en gaande in de richting van ’s-Hertogenbosch) en gekomen bij het kruispunt met de A50, dat kruispunt opgereden terwijl het voor hem bestemde stoplicht op dat moment rood licht uitstraalde en/of was niet in staat om zijn personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, waardoor verdachte op het kruispunt met zijn personenauto tegen een voor hem van rechts komende personenauto (merk: Mercedes) is gebotst/gereden. De formele voorvragen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. Bewijs. Het standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat hetgeen primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Het gedrag van verdachte Voor het antwoord op de vraag of het lichamelijk letsel dat de slachtoffers hebben opgelopen als zwaar is aan te merken, is van belang dat uit vaste rechtspraak volgt dat lichamelijk letsel als zwaar kan worden beschouwd als dat voldoende ernstig is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of het gaat om zwaar lichamelijk letsel, kunnen in ieder geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van gezichtspunten worden gebaseerd. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat [slachtoffer 1] ten gevolge van het ongeval onder meer blijvende gehoorschade en tinnitus heeft opgelopen. Niet is gebleken dat deze gehoorschade en/of tinnitus voor het ongeval al aanwezig was/waren. [slachtoffer 1] moet als gevolg van de gehoorschade voortaan gebruik maken van gehoorapparaten. Tinnitus is moeilijk te behandelen en slechts in zeer uitzonderlijke gevallen te genezen. Tinnitus heeft naar algemene ervaringsregels een beperkende en storende invloed op het gehoor, wat zijn weerslag heeft op het functioneren en op het algehele welbevinden. Gelet op het ontbreken van zicht op (volledig) herstel past een lichtere kwalificatie dan zwaar lichamelijk letsel niet bij het gangbare spraakgebruik. De rechtbank kwalificeert het letsel van [slachtoffer 1] dan ook als zwaar lichamelijk letsel. Het letsel van [slachtoffer 2] kwalificeert de rechtbank als letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan nu niet uit de bewijsmiddelen is gebleken dat [slachtoffer 2] op dit moment nog fysieke klachten naar aanleiding van het ongeval ervaart. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat hij na enige tijd niet te hebben gewerkt zijn werkzaamheden weer heeft opgepakt. Conclusie. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde, voor zover hierna bewezen is verklaard, heeft begaan. De bewezenverklaring. Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte: op 7 juli 2024 te Veghel als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Peugeot), daarmede rijdende over de weg, de N279, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te handelen als volgt: verdachte is rijdende over de N279 (komende uit de richting van Helmond en gaande in de richting van ’s-Hertogenbosch) en gekomen bij het kruispunt met de A50, dat kruispunt opgereden terwijl het voor hem bestemde stoplicht op dat moment rood licht uitstraalde en was niet in staat om zijn personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, waardoor verdachte op het kruispunt met zijn personenauto tegen een voor hem van rechts komende personenauto (merk: Mercedes) is gebotst, waardoor anderen, genaamd [slachtoffer 1] (zijnde bestuurster van die personenauto, merk Mercedes), zwaar lichamelijk letsel, te weten oorsuizen en blijvende gehoorschade werd toegebracht, en genaamd [slachtoffer 2] (zijnde passagier van die personenauto, merk Mercedes) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. De strafbaarheid De rij-ontzegging zal voorwaardelijk worden opgelegd, nu de rechtbank in acht heeft genomen dat sprake is van overtreding aan de ondergrens die wordt gesteld voor het overtreden van artikel 6 WVW en verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] . De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een bedrag van 48.262,75 euro aan materiële schadevergoeding, een bedrag van 30.000,-- euro aan immateriële schadevergoeding en een bedrag van 7.500,-- aan affectieschade, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. Het standpunt van de verdediging. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. Beoordeling. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het is voor de rechtbank onduidelijk in hoeverre de benadeelde partij nog recht heeft op een vergoeding van geleden schade, gelet op de ondertekende vaststellingsovereenkomst die door de benadeelde partij bij de vordering is overgelegd. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen en daarvoor is naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte in de onderhavige procedure. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren, aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] . De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een bedrag van 1.976,90 euro aan materiële schadevergoeding, een bedrag van 7.500,-- euro aan immateriële schadevergoeding en een bedrag van 15.000,-- aan affectieschade, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering voor wat betreft de materiële schadevergoeding en de affectieschade. Wat betreft de immateriële schadevergoeding is het volgens de officier van justitie passend om een deel toe te wijzen. Het standpunt van de verdediging. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. Beoordeling. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het is voor de rechtbank onduidelijk welk gedeelte van de schade van de benadeelde partij reeds is vergoed. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen en daarvoor is naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte in de onderhavige procedure. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren, aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt. Toepasselijke wetsartikelen. De beslissing is gegrond op de artikelen: 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht; en 6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994. DE UITSPRAAK De rechtbank: verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf: t.a.v. primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelij