Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2026-04-23
ECLI:NL:RBOBR:2026:3321
Civiel recht
Bodemzaak
12,050 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:3321 text/xml public 2026-05-19T17:59:11 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-23 11303990 EL 24-15 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:3321 text/html public 2026-05-19T17:58:45 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:3321 Rechtbank Oost-Brabant , 23-04-2026 / 11303990 EL 24-15 Dexia Effectenlease vonnis RECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats ’s Hertogenbosch Zaaknummer: 11303990 EL 24-15 vonnis van de kantonrechter van 23 april 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , 2. [eiser 2] , wonende te [woonplaats] , eisende partijen in conventie in de hoofdzaak, verwerende partijen in reconventie in de hoofdzaak en in het incident, afzonderlijk te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] gezamenlijk te noemen: [eisers] , gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces, tegen de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak, eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident, gemachtigde: USG Legal Professionals B.V. Partijen worden hierna [eisers] en Dexia genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 8 januari 2026 de akte uitlating tussenvonnis tevens wijziging van eis van [eisers] de akte van Dexia met productie 7. 1.2. Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen. 2 2. De verdere beoordeling van het geschil De verstrekte informatie (na het tussenvonnis) en wijziging van eis 2.1. Dexia heeft het financiële overzicht overgelegd van overeenkomst 2 met contractnummer [nummer 1] . 2.2. Volgens opgave van Dexia hebben [eisers] op grond van deze overeenkomst in totaal een bedrag van € 5.048,40 aan leasetermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave hebben [eisers] € 852,15 aan dividenden en claims ontvangen en € 198,30 aan fiscaal voordeel genoten. Ook blijkt uit dit overzicht dat Dexia een bedrag van € 5.687,11 aan [eisers] heeft uitgekeerd op grond van het zgn. Hofmodel (dit is 2/3e van de restschuld met rente). 2.3. Uit het tussenvonnis van 8 januari 2026 volgt dat [eiser 1] c.s nog een overeenkomst met Dexia hadden gesloten met contractnummer [nummer 2] . De gegevens met betrekking tot die overeenkomst (de betaalde termijnen, restschuld, etc.) worden in het tussenvonnis vermeld. Beide overeenkomsten zijn op verzoek van [eisers] tussentijds beëindigd. 2.4. Bij akte na tussenvonnis hebben [eisers] kenbaar gemaakt dat hun vorderingen betrekking hebben op beide overeenkomsten en hebben zij hun oorspronkelijke vordering sub V gewijzigd, in die zin dat zij, kort gezegd, veroordeling van Dexia vorderen van de schade die zij hebben geleden door het onrechtmatig handelen van Dexia en terugbetaling vorderen van al hetgeen zij onder de overeenkomsten hebben betaald. Ook hebben zij hun oorspronkelijke voorwaardelijke vordering sub II ingetrokken, zo blijkt uit de gewijzigde eis. 2.5. De gemachtigde van [eisers] , Leaseproces, heeft bij brieven van 30 augustus 2005 voornoemde contracten voor zover nodig vernietigd c.q. ontbonden op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Dit onder voorbehoud van alle rechten. De verdere inhoudelijke beoordeling 2.6. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eisers] 2.7. De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen. 2.8. Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies: er is sprake van huurkoop; er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck; Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld; [eisers] hebben schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en een restschuld; er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia. verjaring 2.9. Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eisers] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen. tussenpersoon 2.10. [eisers] hebben de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [A] (verder ook: [A] / de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548, onder het kopje ‘Tot slot’), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd. 2.11.
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:3321 text/xml public 2026-05-19T17:59:11 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-23 11303990 EL 24-15 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:3321 text/html public 2026-05-19T17:58:45 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:3321 Rechtbank Oost-Brabant , 23-04-2026 / 11303990 EL 24-15 Dexia Effectenlease vonnis RECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats ’s Hertogenbosch Zaaknummer: 11303990 EL 24-15 vonnis van de kantonrechter van 23 april 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , 2. [eiser 2] , wonende te [woonplaats] , eisende partijen in conventie in de hoofdzaak, verwerende partijen in reconventie in de hoofdzaak en in het incident, afzonderlijk te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] gezamenlijk te noemen: [eisers] , gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces, tegen de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak, eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident, gemachtigde: USG Legal Professionals B.V. Partijen worden hierna [eisers] en Dexia genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 8 januari 2026 de akte uitlating tussenvonnis tevens wijziging van eis van [eisers] de akte van Dexia met productie 7. 1.2. Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen. 2 2. De verdere beoordeling van het geschil De verstrekte informatie (na het tussenvonnis) en wijziging van eis 2.1. Dexia heeft het financiële overzicht overgelegd van overeenkomst 2 met contractnummer [nummer 1] . 2.2. Volgens opgave van Dexia hebben [eisers] op grond van deze overeenkomst in totaal een bedrag van € 5.048,40 aan leasetermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave hebben [eisers] € 852,15 aan dividenden en claims ontvangen en € 198,30 aan fiscaal voordeel genoten. Ook blijkt uit dit overzicht dat Dexia een bedrag van € 5.687,11 aan [eisers] heeft uitgekeerd op grond van het zgn. Hofmodel (dit is 2/3e van de restschuld met rente). 2.3. Uit het tussenvonnis van 8 januari 2026 volgt dat [eiser 1] c.s nog een overeenkomst met Dexia hadden gesloten met contractnummer [nummer 2] . De gegevens met betrekking tot die overeenkomst (de betaalde termijnen, restschuld, etc.) worden in het tussenvonnis vermeld. Beide overeenkomsten zijn op verzoek van [eisers] tussentijds beëindigd. 2.4. Bij akte na tussenvonnis hebben [eisers] kenbaar gemaakt dat hun vorderingen betrekking hebben op beide overeenkomsten en hebben zij hun oorspronkelijke vordering sub V gewijzigd, in die zin dat zij, kort gezegd, veroordeling van Dexia vorderen van de schade die zij hebben geleden door het onrechtmatig handelen van Dexia en terugbetaling vorderen van al hetgeen zij onder de overeenkomsten hebben betaald. Ook hebben zij hun oorspronkelijke voorwaardelijke vordering sub II ingetrokken, zo blijkt uit de gewijzigde eis. 2.5. De gemachtigde van [eisers] , Leaseproces, heeft bij brieven van 30 augustus 2005 voornoemde contracten voor zover nodig vernietigd c.q. ontbonden op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Dit onder voorbehoud van alle rechten. De verdere inhoudelijke beoordeling 2.6. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eisers] 2.7. De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen. 2.8. Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies: er is sprake van huurkoop; er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck; Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld; [eisers] hebben schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en een restschuld; er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia. verjaring 2.9. Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eisers] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen. tussenpersoon 2.10. [eisers] hebben de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [A] (verder ook: [A] / de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548, onder het kopje ‘Tot slot’), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd. 2.11.
Volledig
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eisers] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eisers] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eisers] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eisers] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eiser 1] c.s – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard. 2.12. [eisers] stellen over de feitelijke gang van zaken het volgende: [A] was de verzekeringsadviseur van [eisers] Tijdens een jaarlijks gesprek over de afgesloten polis kwam het onderhavige product ter sprake. De adviseur van [A] heeft vervolgens een kantoorbezoek met [eisers] ingepland om het spaarproduct en de financiële situatie van [eisers] te bespreken. Bij het kantoorbezoek waren zowel [eiser 1] als [eiser 2] aanwezig. Tijdens het gesprek heeft de adviseur van [A] geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eisers] [eiser 1] en [eiser 2] werkten allebei voor een werkgever, hadden net samen een huis gekocht en hadden toekomstplannen om samen een gezin te stichten. Ook de verzekeringen die [eisers] bij de adviseur had lopen zijn ter sprake gekomen. Met de adviseur is gesproken over de wens van [eisers] om vermogen op te bouwen voor de toekomst, bijvoorbeeld om de studie van de toekomstige kinderen te kunnen betalen. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist. De adviseur adviseerde [eiser 1] en [eiser 2] om afzonderlijk een Profit Effect product van Bank Labouchere af te sluiten met een maandelijkse inleg van ongeveer NLG 200,-. [eisers] konden deze maandelijkse inleg voldoen vanuit hun inkomen. Volgens de adviseur zouden [eisers] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [eisers] de studie van de toekomstige kinderen konden betalen. De adviseur heeft zijn advies onderbouwd aan de hand van een brochure met rekenvoorbeelden. De adviseur heeft de brochure en de rekenvoorbeelden alleen gepresenteerd, waardoor [eisers] de brochure en de rekenvoorbeelden niet in de procedure kunnen overleggen. De adviseur heeft [eisers] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten. Als [eisers] op deze risico’s gewezen waren, hadden zij de Profit Effect overeenkomsten nooit afgesloten. [eisers] hadden geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwden daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden hebben [eisers] het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor de Profit Effect overeenkomsten is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomsten zijn op een later moment ondertekend. [eisers] hebben twee Profit Effect overeenkomsten met een maandelijkse inleg van NLG 198,66 per overeenkomst afgesloten. Het opvolgen van het advies heeft voor [eisers] desastreus uitgepakt. In plaats van het voorgespiegelde vermogen dat zou worden opgebouwd, zijn [eisers] de betaalde inleg geheel kwijtgeraakt. Daarnaast hebben [eisers] een restschuld aan de overeenkomsten overgehouden, die zij hebben betaald. 2.13. [eisers] hebben, ter onderbouwing van hun stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht: - een kopie van de overeenkomst met contractnummer [nummer 2] , voorzien van de tekst: “Adviseur [nummer 3] – [A] ”; - een kopie van de overeenkomst met contractnummer [nummer 1] , voorzien van de tekst: “Adviseur [nummer 3] - [A] ”; - een kopie van een uittreksel van de KvK van [A] en Risikobeheer Oss B.V. met als beschrijving van de werkzaamheden: ‘het bezorgen van assurantiën, de bemiddeling bij hypothecaire leningen en andere financieringen, het verstrekken van adviezen inzake risicobeheer en bedrijfsvoering’ , 2.14. Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer: dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd; dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon maar dit niet is komen vast te staan; dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs. 2.15. Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eisers] onderbouwd hebben gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in hun geval hebben [eisers] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eisers] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eisers] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eisers] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eisers] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [eisers] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt. wetenschap Dexia 2.16. In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [eisers] Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben.
Volledig
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eisers] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eisers] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eisers] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eisers] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eiser 1] c.s – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard. 2.12. [eisers] stellen over de feitelijke gang van zaken het volgende: [A] was de verzekeringsadviseur van [eisers] Tijdens een jaarlijks gesprek over de afgesloten polis kwam het onderhavige product ter sprake. De adviseur van [A] heeft vervolgens een kantoorbezoek met [eisers] ingepland om het spaarproduct en de financiële situatie van [eisers] te bespreken. Bij het kantoorbezoek waren zowel [eiser 1] als [eiser 2] aanwezig. Tijdens het gesprek heeft de adviseur van [A] geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eisers] [eiser 1] en [eiser 2] werkten allebei voor een werkgever, hadden net samen een huis gekocht en hadden toekomstplannen om samen een gezin te stichten. Ook de verzekeringen die [eisers] bij de adviseur had lopen zijn ter sprake gekomen. Met de adviseur is gesproken over de wens van [eisers] om vermogen op te bouwen voor de toekomst, bijvoorbeeld om de studie van de toekomstige kinderen te kunnen betalen. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist. De adviseur adviseerde [eiser 1] en [eiser 2] om afzonderlijk een Profit Effect product van Bank Labouchere af te sluiten met een maandelijkse inleg van ongeveer NLG 200,-. [eisers] konden deze maandelijkse inleg voldoen vanuit hun inkomen. Volgens de adviseur zouden [eisers] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [eisers] de studie van de toekomstige kinderen konden betalen. De adviseur heeft zijn advies onderbouwd aan de hand van een brochure met rekenvoorbeelden. De adviseur heeft de brochure en de rekenvoorbeelden alleen gepresenteerd, waardoor [eisers] de brochure en de rekenvoorbeelden niet in de procedure kunnen overleggen. De adviseur heeft [eisers] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten. Als [eisers] op deze risico’s gewezen waren, hadden zij de Profit Effect overeenkomsten nooit afgesloten. [eisers] hadden geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwden daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden hebben [eisers] het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor de Profit Effect overeenkomsten is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomsten zijn op een later moment ondertekend. [eisers] hebben twee Profit Effect overeenkomsten met een maandelijkse inleg van NLG 198,66 per overeenkomst afgesloten. Het opvolgen van het advies heeft voor [eisers] desastreus uitgepakt. In plaats van het voorgespiegelde vermogen dat zou worden opgebouwd, zijn [eisers] de betaalde inleg geheel kwijtgeraakt. Daarnaast hebben [eisers] een restschuld aan de overeenkomsten overgehouden, die zij hebben betaald. 2.13. [eisers] hebben, ter onderbouwing van hun stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht: - een kopie van de overeenkomst met contractnummer [nummer 2] , voorzien van de tekst: “Adviseur [nummer 3] – [A] ”; - een kopie van de overeenkomst met contractnummer [nummer 1] , voorzien van de tekst: “Adviseur [nummer 3] - [A] ”; - een kopie van een uittreksel van de KvK van [A] en Risikobeheer Oss B.V. met als beschrijving van de werkzaamheden: ‘het bezorgen van assurantiën, de bemiddeling bij hypothecaire leningen en andere financieringen, het verstrekken van adviezen inzake risicobeheer en bedrijfsvoering’ , 2.14. Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer: dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd; dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon maar dit niet is komen vast te staan; dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs. 2.15. Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eisers] onderbouwd hebben gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in hun geval hebben [eisers] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eisers] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eisers] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eisers] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eisers] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [eisers] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt. wetenschap Dexia 2.16. In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [eisers] Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben.
Volledig
Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomsten met [eisers] kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [eisers] voor rekening van Dexia. aansprakelijkheid Dexia 2.17. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eisers] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [eisers] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eisers] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia. vorderingen van [eisers] 2.18. De door [eisers] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld door [eisers] als cliënten te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eisers] niet alleen als klanten aanbracht maar [eisers] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat. 2.19. De als gevolg hiervan door [eisers] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg en de betaalde restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen en fiscale voordelen. Ook dient rekening te worden gehouden met de betalingen die Dexia in 2012 aan [eisers] heeft verricht (2/3e deel van de door [eisers] aan Dexia betaalde restschuld, vermeerderd met rente). Een en ander volgens de door Dexia overgelegde financiële overzichten waarvan de juistheid door [eisers] niet is betwist. [eisers] hebben hun schade aan de hand daarvan berekend op € 6.137,83 per overeenkomst. Deze berekening is juist. Omdat [eiser 1] en [eiser 2] ieder één overeenkomst met Dexia hebben gesloten zal Dexia veroordeeld worden tot betaling op de wijze zoals in de beslissing vermeld. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). 2.20. Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590. 2.21. Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eisers] aangevoerde gronden geen nadere bespreking. het verzoek van [eisers] ex artikel 843a Rv 2.22. [eisers] verzoeken Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van de aanvraagformulieren. Uit het voorgaande volgt dat [eisers] in het gelijk zullen worden gesteld. Zij hebben dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat het verzoek zal worden afgewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. het incidentele verzoek van Dexia 2.23. Dexia verzoekt dat [eisers] worden veroordeeld het intakeformulier aan Dexia te verstrekken waaraan de door Leaseproces ingenomen stellingen zijn ontleend. 2.24. Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eisers] destijds aan Leaseproces hebben verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen. 2.25. De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op € 82,00. vorderingen Dexia 2.26. Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia in reconventie afgewezen. proceskosten 2.27. Omdat [eisers] inhoudelijk gelijk krijgen, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eisers] gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [eisers] worden begroot op: - dagvaarding € 135,97 - griffierecht € 90,00 - salaris gemachtigde € 576,00 (2 x tarief € 288,00) - nakosten € 100,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de | beslissing) Totaal € 901,97 2.28. De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen. 3. De beslissing De kantonrechter in het incident van Dexia 6.1. wijst het verzoek af, 6.2. veroordeelt Dexia in proceskosten van [eisers] , tot op heden begroot op € 82,00, in conventie 6.3. verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld door [eisers] als cliënten te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eisers] niet alleen als klanten aanbracht maar [eisers] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat, 6.4. verklaart voor recht dat [eisers] schade hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade aan [eisers] te vergoeden, 6.5. veroordeelt Dexia om aan [eiser 1] te betalen de schade van € 6.137,83, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, een en ander zoals weergegeven in r.o. 2.19., met betrekking tot de overeenkomst met contractnummer [nummer 2] , 6.6. veroordeelt Dexia om aan [eiser 2] te betalen de schade van € 6.137,83, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, een en ander zoals weergegeven in r.o. 2.19., met betrekking tot de overeenkomst met contractnummer [nummer 1] , 6.7. veroordeelt Dexia in de proceskosten van [eisers] van € 901,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen, 6.8. veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, 6.9. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, 6.10.
Volledig
Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomsten met [eisers] kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [eisers] voor rekening van Dexia. aansprakelijkheid Dexia 2.17. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eisers] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [eisers] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eisers] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia. vorderingen van [eisers] 2.18. De door [eisers] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld door [eisers] als cliënten te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eisers] niet alleen als klanten aanbracht maar [eisers] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat. 2.19. De als gevolg hiervan door [eisers] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg en de betaalde restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen en fiscale voordelen. Ook dient rekening te worden gehouden met de betalingen die Dexia in 2012 aan [eisers] heeft verricht (2/3e deel van de door [eisers] aan Dexia betaalde restschuld, vermeerderd met rente). Een en ander volgens de door Dexia overgelegde financiële overzichten waarvan de juistheid door [eisers] niet is betwist. [eisers] hebben hun schade aan de hand daarvan berekend op € 6.137,83 per overeenkomst. Deze berekening is juist. Omdat [eiser 1] en [eiser 2] ieder één overeenkomst met Dexia hebben gesloten zal Dexia veroordeeld worden tot betaling op de wijze zoals in de beslissing vermeld. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). 2.20. Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590. 2.21. Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eisers] aangevoerde gronden geen nadere bespreking. het verzoek van [eisers] ex artikel 843a Rv 2.22. [eisers] verzoeken Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van de aanvraagformulieren. Uit het voorgaande volgt dat [eisers] in het gelijk zullen worden gesteld. Zij hebben dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat het verzoek zal worden afgewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. het incidentele verzoek van Dexia 2.23. Dexia verzoekt dat [eisers] worden veroordeeld het intakeformulier aan Dexia te verstrekken waaraan de door Leaseproces ingenomen stellingen zijn ontleend. 2.24. Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eisers] destijds aan Leaseproces hebben verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen. 2.25. De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op € 82,00. vorderingen Dexia 2.26. Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia in reconventie afgewezen. proceskosten 2.27. Omdat [eisers] inhoudelijk gelijk krijgen, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eisers] gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [eisers] worden begroot op: - dagvaarding € 135,97 - griffierecht € 90,00 - salaris gemachtigde € 576,00 (2 x tarief € 288,00) - nakosten € 100,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de | beslissing) Totaal € 901,97 2.28. De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen. 3. De beslissing De kantonrechter in het incident van Dexia 6.1. wijst het verzoek af, 6.2. veroordeelt Dexia in proceskosten van [eisers] , tot op heden begroot op € 82,00, in conventie 6.3. verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld door [eisers] als cliënten te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eisers] niet alleen als klanten aanbracht maar [eisers] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat, 6.4. verklaart voor recht dat [eisers] schade hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade aan [eisers] te vergoeden, 6.5. veroordeelt Dexia om aan [eiser 1] te betalen de schade van € 6.137,83, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, een en ander zoals weergegeven in r.o. 2.19., met betrekking tot de overeenkomst met contractnummer [nummer 2] , 6.6. veroordeelt Dexia om aan [eiser 2] te betalen de schade van € 6.137,83, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, een en ander zoals weergegeven in r.o. 2.19., met betrekking tot de overeenkomst met contractnummer [nummer 1] , 6.7. veroordeelt Dexia in de proceskosten van [eisers] van € 901,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen, 6.8. veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, 6.9. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, 6.10.