Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-01-22
ECLI:NL:RBOBR:2026:332
vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Locatie 's-Hertogenbosch Strafrecht Parketnummers: 01.210950.23 en 01.197873.23 (ter terechtzitting gevoegd) Datum uitspraak: 22 januari 2026 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1995] , wonende te [adres 1] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 januari 2026. De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 3 december 2025. Aan verdachte is ten laste gelegd dat: T.a.v. 01-210950-23 feit 1: hij op of omstreeks 1 oktober 2022 te Helmond, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om met [slachtoffer 1] , geboren op [2015] en/of [slachtoffer 2] , geboren op [2015] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, buiten echt een of meer ontuchtige handelingen te plegen (opzettelijk) - naast die [slachtoffer 1] is gaan zitten en/of - die [slachtoffer 1] vast heeft gepakt en/of - vervolgens) aan die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft gevraagd en/of voorgesteld: “kom kom ik moet plassen, willen jullie het zien”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of - zijn ontblote geslachtsdeel uit zijn broek heeft gehaald en/of (vervolgens) heeft geplast in de nabijheid van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of (vervolgens) zijn ontblote geslachtsdeel heeft getoond aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of - (vervolgens) aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gevraagd: “wil je eraan likken”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 1 oktober 2022 te Helmond, in elk geval in Nederland, de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten op en/of nabij een schoolplein aan [adres 2] door zijn ontblote geslachtsdeel te tonen aan die [slachtoffer 1] , geboren op [2015] en/of [slachtoffer 2] , geboren op [2015] ; T.a.v. 01-210950-23 feit 2: hij op of omstreeks 1 oktober 2022 te Helmond, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (semi-automatisch, single-action centraalvuur) pistool, van het merk Bruni, model GAP (Top firing), kaliber 8mm knal en/of 9mm kort, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad; T.a.v. 01-197873-23 feit 1: hij in of omstreeks de periode van 13 juli 2023 tot en met 8 augustus 2023 te Helmond, [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] (via de telefoon en/of via Snapchat) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting, door (onder meer): - tegen die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] te zeggen dat hij verdachte, hun auto en/of hun huis in de brand zou steken, en/of - die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] dreigend de woorden toe te voegen: “Ik ga jullie met dit automatische geweer doodschieten” althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of daarbij een video te versturen naar die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] waarop een (automatisch) vuurwapen te zien was, en/of - die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] dreigend de woorden toe te voegen: “Ik kom je nu doodmaken, je huis in de fik steken en je familie doodmaken” althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of daarbij hoorbaar voor die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] een vuurwapen door te laden, althans een vergelijkba Daarnaast wordt de verklaring van verdachte op belangrijke punten ondersteund. Feit 2 De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van dit feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het oordeel van de rechtbank. Vrijspraakoverwegingen. Vrijspraak feit 2 01-210950-23 (vuurwapen) De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder feit 2 in de zaak 01-210950-23 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Op 3 oktober 2022 heeft de bewoner van de [adres 3] te Helmond een vuurwapen op zijn oprit aangetroffen. De politie heeft dit vuurwapen voor nader onderzoek inbeslaggenomen en hier een goednummer aan gekoppeld. Dit goednummer wordt in het proces-verbaal onderzoek wapen en munitie vermeld en tevens gekoppeld aan een SIN-nummer. Het NFI heeft vervolgens DNA-onderzoek verricht naar meerdere bemonsteringssporen op een vuurwapen. Echter worden in dit rapport het eerdergenoemde goednummer noch het SIN-nummer vermeld. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat het door het NFI onderzochte vuurwapen ook het vuurwapen betreft dat door de politie in beslag is genomen. Gelet hierop komt de rechtbank tot het oordeel dat de bewijsketen is doorbroken. Indien wel vastgesteld zou zijn dat het onderzochte vuurwapen ook het in beslag genomen vuurwapen is, dan kan de rechtbank op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte op of omstreeks 1 oktober 2022 een vuurwapen voorhanden heeft gehad. In het dossier bevindt zich weliswaar een proces-verbaal van bevindingen betreffende ringdeurbelbeelden, maar hierop is enkel te zien dat een jongen de oprit van de [adres 3] te Helmond oploopt en vervolgens uit beeld verdwijnt. Verder is er een geluid te horen van een voorwerp dat tegen het rolluik van de woning wordt gegooid. Nadere informatie over de beelden, zoals van welke datum deze beelden zijn, ontbreekt in het dossier. Evenmin wordt de persoon op de beelden herkend als verdachte. Vrijspraak feit 1 01-197873-23 (bedreiging) De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder feit 1 in de zaak 01-197873-23 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Aangever [slachtoffer 3] heeft bij de politie verklaard dat hij door verdachte telefonisch was bedreigd. Verdachte zou bedreigende woorden hebben geuit en een wapen hebben doorgeladen. Verdachte heeft ontkend en heeft verklaard dat hij zelf wordt bedreigd door [slachtoffer 4] , de vader van [slachtoffer 3] . De verklaring van [slachtoffer 3] ondersteunt weliswaar de verklaring van [slachtoffer 4] , maar met die verklaring moet behoedzaamheid worden omgegaan nu [slachtoffer 4] die verklaring niet afzonderlijk van [slachtoffer 3] heeft afgelegd en uit zijn verklaring niet duidelijk is wat zijn eigen waarneming is geweest en wat hij van zijn zoon heeft gehoord. [slachtoffer 4] is de Nederlandse taal maar beperkt machtig en zijn zoon heeft delen van het gesprek voor hem vertaald. Objectief bewijs van het tenlastegelegde ontbreekt, waardoor de rechtbank van oordeel is dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen is. De verklaring van [medeverdachte] inhoudende dat verdachte belde met [slachtoffer 4] en tijdens dit gesprek de bovenkant van een pistool op en neer bewoog waardoor een klikgeluid te horen was, maakt dit niet anders. Immers is deze verklaring onvoldoende concreet; hij heeft geen nadere informatie kunnen verstrekken, zoals wanneer dit gesprek zou hebben plaatsgevonden of wat er precies werd gezegd. Uit deze verklaring volgt daarom onvoldoende dat verdachte deze gedraging in de ten laste gelegde periode heeft gepleegd. De bewijsmiddelen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde onder feit 1 primair 01-210950-23 en feit 2 01-197873-23. De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn ten aanzien van feit 1 primair 01-210950-23 uitgewerkt in dit vonnis. Na de uitwerking van d De man had [slachtoffer 1] aangeraakt met zijn 'piemel-handen' en hij ging met die 'piemel-hand' ook plassen op het schoolplein, de hand waarmee hij ook zijn piemel had aangeraakt. Die meneer vroeg aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] of ze ook moesten plassen. 5. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 2 oktober 2022, p. 67, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven: Ik ga jou nu vragen stellen die met seks en seksualiteit te maken hebben. Noem de dingen maar gewoon zoals jij gewend bent te doen. - Ik stond te pissen in de bosjes. Waar was dat? - [adres 4] in Mierlo-Hout en daar zit ook een school bij. Wanneer was dit? - Gisteren (de rechtbank begrijpt: 1 oktober 2022). Ten aanzien van feit 2 01-197873-23: Aangezien verdachte het ten laste gelegde feit – zoals de rechtbank dat bewezen zal verklaren – heeft bekend en er namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen. De rechtbank heeft bij de beoordeling de volgende bewijsmiddelen gebruikt: een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van 9 augustus 2023, p. 159; een proces-verbaal onderzoek wapen van 21 augustus 2023, p. 192; een proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 16 augustus 2023, p. 294. De bewijsoverwegingen. Feit 1 primair 01-210950-23 Betrouwbaarheid verklaringen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de minderjarige meisjes [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te twijfelen en overweegt daartoe het volgende. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben bij de politie afzonderlijk een verklaring afgelegd. Hierin hebben zij uitgebreid en consistent verklaard over wezenlijke elementen, met name de door verdachte gepleegde handelingen en de volgorde en manier waarop dit is gebeurd. Een soortgelijke verklaring hebben de meisjes ook op 1 oktober 2022 vrij kort na het incident afgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het enkele feit dat de verklaringen van de meisjes op enkele onderdelen van elkaar afwijken, niet mee dat deze verklaringen in hun geheel als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. De inconsistenties zien bovendien niet op aspecten van de verklaringen die dragend zijn voor het bewijs. Inherent aan de jeugdige leeftijd van de meisjes (ten tijde van het voorval bijna zeven jaar oud) is daarnaast dat in enige mate sprake kan zijn van inconsistenties. In de kern blijven de verklaringen zoals hiervoor overwogen echter steeds hetzelfde. In dat kader overweegt de rechtbank dat verschillen in woordgebruik eveneens verklaarbaar zijn, nu van een kind van deze leeftijd niet kan worden verwacht dat het beschikt over een ontwikkeld besef van seksualiteit of de daarbij behorende terminologie. De omstandigheid dat de meisjes pas drie dagen na het voorval een verklaring bij de politie hebben afgelegd, doet naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf evenmin afbreuk aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen. Ten slotte ziet de rechtbank in het dossier geen aanwijzingen dat sprake zou zijn van beïnvloeding van de inhoud van de verklaringen van de meisjes door hun omgeving. De verklaringen van de meisjes vinden voorts in voldoende mate en op wezenlijke onderdelen steun in andere wettige bewijsmiddelen. De vader van [slachtoffer 2] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij verdachte in een bushokje aantrof. Dit past bij de verklaringen van de meisjes dat zij bij verdachte moesten gaan zitten. De verklaring van verdachte sluit hier niet op aan. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij niets met de meisjes heeft gedaan, daar aan het plassen was en de meisjes pas zag toen hij zich omdraaide. Deze verklaring vindt op geen enkele wijze steun in het dossier en wordt juist weersproken door de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen. De rechtbank acht het door verdachte geschetste scenario dan ook niet aannemelijk. Op grond v Verder heeft de raadsvrouw bij de strafoplegging verzocht rekeningen te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn en dat er negen maanden lang sprake is geweest van elektronische monitoring, wat een forse impact is geweest op het privéleven van verdachte. Het oordeel van de rechtbank. Algemeen Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor min of meer soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en met straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot ontucht met twee minderjarige meisjes van destijds bijna zeven jaar oud. Hij toonde zijn penis, vroeg of zij eraan wilden likken en pakte een van de meisjes vast. Vervolgens ging hij plassen terwijl zij dit konden zien. Daarnaast heeft hij een vuurwapen met munitie voorhanden gehad. Het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en veroorzaakt gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Daarom dient tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens streng te worden opgetreden. De persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte De rechtbank heeft in de justitiële documentatie van verdachte gezien dat verdachte eerder is veroordeeld voor een overtreding van de Wet wapens en munitie. Dit heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw de fout in te gaan. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 25 december 2025. Uit dit rapport volgt dat er op alle leefgebieden forse problemen zijn. Eerdere trajecten zijn niet van de grond gekomen omdat verdachte zich niet aan de voorwaarden en afspraken hield. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. De reclassering en haar ketenpartners zien in een reclasseringstoezicht echter nog wel een kleine mogelijkheid om verdachte te stabiliseren. Bij een veroordeling adviseert de reclassering dan ook een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en hier een aantal voorwaarden aan te koppelen, te weten een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang en aflossing van schulden. Overschrijding van de redelijke termijn De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft in dit kader te gelden dat de behandeling op de zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarvan is in deze zaak geen sprake geweest. In dit geval is de redelijke termijn aangevangen met de aanhouding van de verdachte op 1 oktober 2022. De rechtbank doet einduitspraak op 22 januari 2026. Daarmee is de redelijke termijn met ruim zestien maanden overschreden. Deze overschrijding wor Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven: Ten aanzien van 01-210950-23: Ten aanzien van feit 1 primair: poging tot met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd. Ten aanzien van 01-197873-23: Ten aanzien van feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Legt hiervoor op de volgende straf. T.a.v. 01-210950-23 feit 1 primair, 01-197873-23 feit 2: Een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 165 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren. De rechtbank stelt daarbij de volgende voorwaarden. Als algemene voorwaarden gelden dat de veroordeelde: - zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit nodig acht, daaronder begrepen. De rechtbank stelt de volgende bijzondere voorwaarden: 1. De veroordeelde dient zich te houden aan de aanwijzingen die Reclassering Nederland hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe dient hij zich bij Reclassering Nederland te blijven melden, zolang en zo frequent als deze instelling nodig acht. 2. Veroordeelde laat zich behandelen door de forensische polikliniek Rooyse Wissel Ambulant Behandelen te Helmond of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering en werkt mee aan diagnostisch onderzoek. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. 3. Veroordeelde verblijft gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zodra veroordeelde hiertoe in staat wordt geacht door de behandelaren en de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt. 4. Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden. De rechtbank geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroo