Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2026-05-13
ECLI:NL:RBOBR:2026:3242
Civiel recht
Bodemzaak
8,158 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:3242 text/xml public 2026-05-20T09:00:23 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-05-13 C/01/400664 / HA ZA 24-64 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:3242 text/html public 2026-05-13T16:59:57 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:3242 Rechtbank Oost-Brabant , 13-05-2026 / C/01/400664 / HA ZA 24-64 Overboeking geldbedrag. Bewijsopdracht. Bestaan overeenkomst van geldlening niet bewezen. Wel bewezen dat sprake is van onverschuldigde betaling. RECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: C/01/400664 / HA ZA 24-64 Vonnis van 13 mei 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. C.A.M.H. Vink, tegen [gedaagde] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. M.F.J. Martens. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 30 juli 2025, - de akte uitlating houdende aanbod bewijs, tevens houdende akte overlegging productie 28, 29 en 30 van [eiser] , - het proces-verbaal van getuigenverhoor van 28 oktober 2025, - het B8 formulier van [gedaagde] met productie 13 tot en met 17, - de conclusie na enquête van [gedaagde] , - de conclusie na enquête van [eiser] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. In het tussenvonnis van 30 juli 2025 is [eiser] opgedragen bewijs te leveren van haar stellingen dat: tussen haar en [gedaagde] een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen uit hoofde waarvan [gedaagde] gehouden is tot terugbetaling van een bedrag van € 35.000,-; zij het bedrag van € 35.000,- zonder rechtsgrond aan [gedaagde] heeft betaald. Het bijeengebrachte bewijs en het verdere verloop van de procedure 2.2. Ter uitvoering van de bewijsopdracht heeft [eiser] bij akte van 5 september 2025 drie producties overgelegd (producties 28, 29 en 30). Daarnaast heeft [eiser] zichzelf op 28 oktober 2025 als getuige doen horen. 2.3. Na afloop van het getuigenverhoor is de zaak verwezen naar de rolzitting van 12 november 2025 voor uitlating contra-enquête aan de zijde van [gedaagde] . [gedaagde] heeft daarvan afgezien. Vervolgens hebben partijen geconcludeerd na enquête. De waardering van het bewijs 2.4. De rechtbank zal eerst beoordelen of [eiser] erin is geslaagd te bewijzen dat tussen haar en [gedaagde] een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen. 2.5. In het proces-verbaal van getuigenverhoor van 28 oktober 2025 is als verklaring van [eiser] , voor zover voor de bewijslevering van belang, opgenomen: ‘ U houdt mij voor dat ik volgens de zittingsaantekeningen het volgende heb verklaard tijdens de mondelinge behandeling: De heer [gedaagde] had € 35.000,- nodig voor de aanschaf van twee auto’s. Ik heb dat bedrag toen op zijn verzoek naar hem overgemaakt, op het rekeningnummer dat hij aan mij doorgaf. De heer [gedaagde] had beloofd het geld snel terug te betalen. Toen de relatie voorbij was heb ik gevraagd wanneer hij het geld terug ging betalen. Hij suggereerde dat ik het niet terug wilde en daarna zou het een lening zijn. De heer [gedaagde] zegt dat ik € 20.000,- van hem heb geleend, maar dat klopt niet. Ik had dat geld niet nodig en ik heb dat bedrag niet van de heer [gedaagde] geleend. De heer [gedaagde] heeft ook geen werkzaamheden voor mij verricht waarvoor ik zou betalen. Op verzoek van mijn zoon heeft de heer [gedaagde] naar het dak van de garage en de woning gekeken, maar er is niets vervangen. Er zijn geen nieuwe dakpannen geplaatst. De heer [gedaagde] heeft twee of drie pannen eraf gehaald met een ladder. Ik zou nooit € 15.000,- betalen voor een latje. In reactie op de werkzaamheden zoals genoemd door [gedaagde] in randnummer 23 van de spreekaantekeningen merk ik op dat er spullen zijn afgevoerd. De muren in de garage zijn niet gedaan. Er is ruimte gemaakt voor pallets. Ik heb maar 1 zak gekregen. [gedaagde] heeft geen moeite gedaan om de lekkage op te sporen, er is geen steiger gehuurd. De palletkachel is geïnstalleerd maar die had ik eerder al contant betaald. Ik ben hem geen geld schuldig. En zo klopt het . […] Op vragen van mr. Roovers antwoord ik als volgt: U vraagt mij of ik nog weet waar en op welke wijze de afspraken tot stand zijn gekomen. Dat weet ik nog. De heer [gedaagde] en ik waren in de woning van de heer [gedaagde] . Wij stonden beiden tussen de tafel en de kast. Ik heb toen ook een foto genomen van de bankpas waarnaar het bedrag moest worden overgemaakt. De heer [gedaagde] vroeg aan mij of ik het geld die avond wilde overmaken . U houdt mij voor dat de heer [gedaagde] betwist dat hij het geldbedrag van mij heeft geleend. U vraagt mij of er een andere reden voor de betaling is dan een lening die zou worden terugbetaald. Mijn antwoord daarop is nee. Ik had geen reden om het geldbedrag over te maken omdat de heer [gedaagde] geen diensten heeft verricht en ook niets heeft geleverd .’ 2.6. In zijn conclusie na enquête heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van [eiser] niet op waarheid berust. De rechtbank volgt dat standpunt niet. Dat [eiser] tijdens het getuigenverhoor niet herhaalde dat [gedaagde] volgens haar druk had uitgeoefend om de betaling te verrichten, maakt haar verklaring nog niet in strijd met de waarheid. Anders dan [gedaagde] suggereert, heeft [eiser] ook niet verklaard dat [gedaagde] geen werkzaamheden voor haar zou hebben verricht. Zij heeft alleen verklaard dat [gedaagde] geen werkzaamheden heeft verricht ‘waarvoor zij zou betalen’. Over de vermeende betalingsverplichting van [eiser] stelt [gedaagde] dat de pelletkachel ‘niet vanzelf in de woning van [eiser] komt en dat die ook niet kosteloos door iemand wordt aangesloten’. Gelet op de affectieve relatie die partijen met elkaar hadden op het moment dat de pelletkachel werd geplaatst, is het niet ondenkbaar dat [gedaagde] de kachel kosteloos voor [eiser] heeft aangesloten. Over de wijze waarop de afspraken tot stand zijn gekomen, heeft [eiser] verklaard dat zij en [gedaagde] in de woning van [gedaagde] waren en dat [gedaagde] vroeg of zij het geld ‘die avond’ wilde overmaken. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in zijn standpunt dat die verklaring erop neerkomt dat partijen in de avond van 21 augustus 2023 samen moeten zijn geweest. Het kan evengoed zo zijn dat partijen die dag op een ander moment samen zijn geweest. De conclusie luidt dat de rechtbank in hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd geen aanleiding ziet om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [eiser] te twijfelen. 2.7. Voor wat betreft de verklaring van [eiser] geldt verder dat dit een verklaring van een partijgetuige betreft. Voor een partijgetuige aan de zijde van degene die het bewijsrisico draagt geldt dat de verklaring van de partijgetuige geen bewijs in het voordeel van die partij kan opleveren als er geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn, die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijverklaring voldoende geloofwaardig maken (artikel 164 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), zie ook Hoge Raad 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1057). Dit brengt mee dat de rechter ter beantwoording van de vraag of een partij in het door haar te leveren bewijs geslaagd is, alle voorhanden bewijsmiddelen - met inbegrip van de getuigenverklaring van die partij zelf -, in zijn bewijswaardering dient te betrekken, maar dat hij zijn oordeel dat het bewijs is geleverd niet uitsluitend op die verklaring mag baseren (Hoge Raad 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7933). 2.8. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] niet is geslaagd in het bewijs dat tussen haar en [gedaagde] een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen. De getuigenverklaring van [eiser] geeft weliswaar steun aan haar eigen standpunt, maar zoals uit rechtsoverweging 2.7 volgt, moeten er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij die partijverklaring voldoende geloofwaardig maken. Dergelijk aanvullend bewijs ontbreekt.
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:3242 text/xml public 2026-05-20T09:00:23 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-05-13 C/01/400664 / HA ZA 24-64 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:3242 text/html public 2026-05-13T16:59:57 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:3242 Rechtbank Oost-Brabant , 13-05-2026 / C/01/400664 / HA ZA 24-64 Overboeking geldbedrag. Bewijsopdracht. Bestaan overeenkomst van geldlening niet bewezen. Wel bewezen dat sprake is van onverschuldigde betaling. RECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: C/01/400664 / HA ZA 24-64 Vonnis van 13 mei 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. C.A.M.H. Vink, tegen [gedaagde] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. M.F.J. Martens. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 30 juli 2025, - de akte uitlating houdende aanbod bewijs, tevens houdende akte overlegging productie 28, 29 en 30 van [eiser] , - het proces-verbaal van getuigenverhoor van 28 oktober 2025, - het B8 formulier van [gedaagde] met productie 13 tot en met 17, - de conclusie na enquête van [gedaagde] , - de conclusie na enquête van [eiser] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. In het tussenvonnis van 30 juli 2025 is [eiser] opgedragen bewijs te leveren van haar stellingen dat: tussen haar en [gedaagde] een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen uit hoofde waarvan [gedaagde] gehouden is tot terugbetaling van een bedrag van € 35.000,-; zij het bedrag van € 35.000,- zonder rechtsgrond aan [gedaagde] heeft betaald. Het bijeengebrachte bewijs en het verdere verloop van de procedure 2.2. Ter uitvoering van de bewijsopdracht heeft [eiser] bij akte van 5 september 2025 drie producties overgelegd (producties 28, 29 en 30). Daarnaast heeft [eiser] zichzelf op 28 oktober 2025 als getuige doen horen. 2.3. Na afloop van het getuigenverhoor is de zaak verwezen naar de rolzitting van 12 november 2025 voor uitlating contra-enquête aan de zijde van [gedaagde] . [gedaagde] heeft daarvan afgezien. Vervolgens hebben partijen geconcludeerd na enquête. De waardering van het bewijs 2.4. De rechtbank zal eerst beoordelen of [eiser] erin is geslaagd te bewijzen dat tussen haar en [gedaagde] een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen. 2.5. In het proces-verbaal van getuigenverhoor van 28 oktober 2025 is als verklaring van [eiser] , voor zover voor de bewijslevering van belang, opgenomen: ‘ U houdt mij voor dat ik volgens de zittingsaantekeningen het volgende heb verklaard tijdens de mondelinge behandeling: De heer [gedaagde] had € 35.000,- nodig voor de aanschaf van twee auto’s. Ik heb dat bedrag toen op zijn verzoek naar hem overgemaakt, op het rekeningnummer dat hij aan mij doorgaf. De heer [gedaagde] had beloofd het geld snel terug te betalen. Toen de relatie voorbij was heb ik gevraagd wanneer hij het geld terug ging betalen. Hij suggereerde dat ik het niet terug wilde en daarna zou het een lening zijn. De heer [gedaagde] zegt dat ik € 20.000,- van hem heb geleend, maar dat klopt niet. Ik had dat geld niet nodig en ik heb dat bedrag niet van de heer [gedaagde] geleend. De heer [gedaagde] heeft ook geen werkzaamheden voor mij verricht waarvoor ik zou betalen. Op verzoek van mijn zoon heeft de heer [gedaagde] naar het dak van de garage en de woning gekeken, maar er is niets vervangen. Er zijn geen nieuwe dakpannen geplaatst. De heer [gedaagde] heeft twee of drie pannen eraf gehaald met een ladder. Ik zou nooit € 15.000,- betalen voor een latje. In reactie op de werkzaamheden zoals genoemd door [gedaagde] in randnummer 23 van de spreekaantekeningen merk ik op dat er spullen zijn afgevoerd. De muren in de garage zijn niet gedaan. Er is ruimte gemaakt voor pallets. Ik heb maar 1 zak gekregen. [gedaagde] heeft geen moeite gedaan om de lekkage op te sporen, er is geen steiger gehuurd. De palletkachel is geïnstalleerd maar die had ik eerder al contant betaald. Ik ben hem geen geld schuldig. En zo klopt het . […] Op vragen van mr. Roovers antwoord ik als volgt: U vraagt mij of ik nog weet waar en op welke wijze de afspraken tot stand zijn gekomen. Dat weet ik nog. De heer [gedaagde] en ik waren in de woning van de heer [gedaagde] . Wij stonden beiden tussen de tafel en de kast. Ik heb toen ook een foto genomen van de bankpas waarnaar het bedrag moest worden overgemaakt. De heer [gedaagde] vroeg aan mij of ik het geld die avond wilde overmaken . U houdt mij voor dat de heer [gedaagde] betwist dat hij het geldbedrag van mij heeft geleend. U vraagt mij of er een andere reden voor de betaling is dan een lening die zou worden terugbetaald. Mijn antwoord daarop is nee. Ik had geen reden om het geldbedrag over te maken omdat de heer [gedaagde] geen diensten heeft verricht en ook niets heeft geleverd .’ 2.6. In zijn conclusie na enquête heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van [eiser] niet op waarheid berust. De rechtbank volgt dat standpunt niet. Dat [eiser] tijdens het getuigenverhoor niet herhaalde dat [gedaagde] volgens haar druk had uitgeoefend om de betaling te verrichten, maakt haar verklaring nog niet in strijd met de waarheid. Anders dan [gedaagde] suggereert, heeft [eiser] ook niet verklaard dat [gedaagde] geen werkzaamheden voor haar zou hebben verricht. Zij heeft alleen verklaard dat [gedaagde] geen werkzaamheden heeft verricht ‘waarvoor zij zou betalen’. Over de vermeende betalingsverplichting van [eiser] stelt [gedaagde] dat de pelletkachel ‘niet vanzelf in de woning van [eiser] komt en dat die ook niet kosteloos door iemand wordt aangesloten’. Gelet op de affectieve relatie die partijen met elkaar hadden op het moment dat de pelletkachel werd geplaatst, is het niet ondenkbaar dat [gedaagde] de kachel kosteloos voor [eiser] heeft aangesloten. Over de wijze waarop de afspraken tot stand zijn gekomen, heeft [eiser] verklaard dat zij en [gedaagde] in de woning van [gedaagde] waren en dat [gedaagde] vroeg of zij het geld ‘die avond’ wilde overmaken. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in zijn standpunt dat die verklaring erop neerkomt dat partijen in de avond van 21 augustus 2023 samen moeten zijn geweest. Het kan evengoed zo zijn dat partijen die dag op een ander moment samen zijn geweest. De conclusie luidt dat de rechtbank in hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd geen aanleiding ziet om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [eiser] te twijfelen. 2.7. Voor wat betreft de verklaring van [eiser] geldt verder dat dit een verklaring van een partijgetuige betreft. Voor een partijgetuige aan de zijde van degene die het bewijsrisico draagt geldt dat de verklaring van de partijgetuige geen bewijs in het voordeel van die partij kan opleveren als er geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn, die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijverklaring voldoende geloofwaardig maken (artikel 164 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), zie ook Hoge Raad 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1057). Dit brengt mee dat de rechter ter beantwoording van de vraag of een partij in het door haar te leveren bewijs geslaagd is, alle voorhanden bewijsmiddelen - met inbegrip van de getuigenverklaring van die partij zelf -, in zijn bewijswaardering dient te betrekken, maar dat hij zijn oordeel dat het bewijs is geleverd niet uitsluitend op die verklaring mag baseren (Hoge Raad 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7933). 2.8. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] niet is geslaagd in het bewijs dat tussen haar en [gedaagde] een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen. De getuigenverklaring van [eiser] geeft weliswaar steun aan haar eigen standpunt, maar zoals uit rechtsoverweging 2.7 volgt, moeten er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij die partijverklaring voldoende geloofwaardig maken. Dergelijk aanvullend bewijs ontbreekt.
Volledig
Tussen partijen staat vast dat er geen schriftelijke afspraken zijn gemaakt en dat [eiser] geen omschrijving bij de overboeking heeft vermeld. Tussen partijen staat ook vast dat er geen getuigen zijn - anders dan partijen zelf - van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard over de overboeking van het geldbedrag. Dat [gedaagde] twee auto’s heeft gekocht nadat hij het geldbedrag van [eiser] had ontvangen, biedt ook geen aanvullend bewijs voor de stellingen van [eiser] nu het bij de beoordeling gaat om de vraag of [gedaagde] de verplichting op zich heeft genomen om het geldbedrag terug te betalen en dat dus een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen. Of hij het geld nodig had en waar hij het aan heeft uitgegeven, zegt dus niets over de vraag of hij een terugbetalingsverplichting op zich heeft genomen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft [eiser] verder nog verwezen naar de Whatsappcorrespondentie die partijen op 20 september 2023 met elkaar hebben gevoerd. Uit dat gesprek volgt dat [eiser] die dag aan [gedaagde] heeft gevraagd om het bedrag van € 35.000,- terug te betalen. Uit de daarop volgende reactie van [gedaagde] (‘[…] je wilde niks meer terug die aanhanger moest ook weg .’) kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat [gedaagde] een verplichting tot terugbetaling op zich heeft genomen. Ook de door [eiser] overgelegde schriftelijke stukken (producties 28, 29 en 30) bieden geen aanvullend bewijs omdat uit geen van deze producties volgt dat tussen [eiser] en [gedaagde] een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen. 2.9. Nu [eiser] niet is geslaagd in het bewijs dat tussen haar en [gedaagde] een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen, kan de vordering van [eiser] niet worden toegewezen op de primaire grondslag. De rechtbank komt daarom toe aan beoordeling van de vraag of [eiser] geslaagd is in het bewijs dat zij het bedrag van € 35.000,- zonder rechtsgrond aan [gedaagde] heeft betaald. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Dit oordeel wordt hierna toegelicht. 2.10. Over de onverschuldigde betaling heeft [eiser] tijdens het getuigenverhoor verklaard dat er geen reden was om het geldbedrag over te maken aan [gedaagde] . Vanwege de beperkte bewijskracht van de verklaring van [eiser] als partijgetuige komt het nu ook aan op de vraag of sprake is van aanvullende bewijzen die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijverklaring van [eiser] voldoende geloofwaardig maken. Bij de waardering van het bewijs is in dit concrete geval ook van belang wat [gedaagde] heeft aangevoerd als grondslag voor de overboeking. Volgens [gedaagde] had [eiser] € 35.000,- overgemaakt voor de terugbetaling van een lening van € 20.000,-, voor de betaling voor de levering en installatie van een pelletkachel en voor de betaling voor werkzaamheden die [gedaagde] voor [eiser] zou hebben verricht. 2.11. De rechtbank is van oordeel dat er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijverklaring van [eiser] voldoende geloofwaardig maken. De verklaring van [eiser] vindt namelijk steun in het Whatsappgesprek van 20 september 2023. Op het verzoek van [eiser] om het bedrag van € 35.000,- terug te betalen, heeft [gedaagde] immers met geen woord gerept over een betalingsverplichting van [eiser] uit hoofde van een door hem aan haar verstrekte lening of uit hoofde van door hem uitgevoerde werkzaamheden. Als de overboeking door [eiser] daadwerkelijk betrekking had op het inlossen van schulden die [eiser] aan [gedaagde] had, is het onbegrijpelijk dat [gedaagde] dat niet tegenwerpt aan [eiser] in reactie op haar verzoek om het bedrag van € 35.000,- terug te betalen. In plaats van te refereren aan de vermeende betalingsverplichtingen van [eiser] , reageerde [gedaagde] enkel met de opmerking dat [eiser] volgens hem ‘niets meer terug wilde’. Door [gedaagde] is ook niet toegelicht waarom hij de vermeende betalingsverplichting niet aan [eiser] tegenwierp in reactie op haar verzoek om het bedrag terug te betalen. 2.12. De verklaring van [eiser] vindt verder steun in productie 2 die [eiser] bij de dagvaarding heeft overgelegd. Dit betreft een kopie van de overboeking van het bedrag van € 35.000,- naar de bankrekening van [gedaagde] . Uit die kopie volgt dat geen betalingsomschrijving is opgenomen zodat daaruit ook geen rechtsgrond voor de betaling kan worden afgeleid. Bij de bewijswaardering vindt de rechtbank bovendien relevant dat [gedaagde] zelf niet onder ede als getuige een verklaring heeft afgelegd en dat hij zijn standpunten nauwelijks heeft onderbouwd met schriftelijke stukken. Alleen ten aanzien van de pelletkachel zijn – naast een foto - twee facturen en twee bankafschriften overgelegd. De facturen zijn evenwel gericht aan [bedrijfsnaam gedaagde] (de eenmanszaak van [gedaagde] ) en de bankafschriften hebben ook betrekking op [bedrijfsnaam gedaagde] . Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom uit die stukken zou kunnen worden afgeleid dat [eiser] gehouden was om een bedrag van € 35.000,- over te boeken naar de privérekening van [gedaagde] . 2.13. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [eiser] is geslaagd in het bewijs dat zij een bedrag van € 35.000,- zonder rechtsgrond aan [gedaagde] heeft betaald. De gevolgen 2.14. Nu [eiser] is geslaagd in het bewijs dat zij het bedrag van € 35.000,- zonder rechtsgrond aan [gedaagde] heeft betaald, is [gedaagde] gehouden om dit bedrag aan haar terug te betalen. Daarmee is de vordering van [eiser] tot terugbetaling van dit bedrag toewijsbaar op de meer subsidiaire grondslag (artikel 6:203 BW). Wettelijke rente 2.15. [eiser] vordert wettelijke rente over het onverschuldigd betaalde bedrag van € 35.000,- vanaf 22 augustus 2023 (derhalve vanaf het moment dat zij het geldbedrag aan [gedaagde] heeft overgemaakt). In dit verband heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] op 22 augustus 2023 in verzuim is geraakt omdat hij het geldbedrag te kwader trouw heeft ontvangen omdat [gedaagde] wist, althans kon vermoeden, dat de betaling onverschuldigd was (als bedoeld in artikel 6:205 BW). [gedaagde] heeft dat onvoldoende gemotiveerd betwist zodat dit tussen partijen vaststaat. De door [eiser] gevorderde wettelijke rente van € 644,38, berekend vanaf 22 augustus 2023 tot en met 11 december 2023, wordt daarom toegewezen. Ook de daarna (vanaf 12 december 2023) verschenen wettelijke rente over het bedrag van € 35.000,- wordt toegewezen. Buitengerechtelijke incassokosten 2.16. [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal. Daarbij geldt dat de wettelijke tarieven van het Besluit geacht worden redelijk te zijn. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Zij heeft daarbij verwezen naar producties 4, 5, 7, 9 10 en 11. Op grond van het Besluit is een tarief van € 1.125,- bij een bedrag van € 35.000,- redelijk. Dit bedrag is dan ook toewijsbaar. [eiser] heeft ook vergoeding van btw gevorderd over de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. Omdat [eiser] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met € 236,25, betreffende 21% btw. 2.17. Uit het voorgaande volgt dat het volgende bedrag wordt toegewezen: - onverschuldigd betaalde bedrag (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2023) - wettelijke rente over de periode van 22 augustus 2023 tot en met 11 december 2023 € € 35.000,00 644,38 - buitengerechtelijke incassokosten € 1.125,00 - btw (21%) over de incassokosten € 236,25 totaal: € 37.005,63 Proceskosten 2.18. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging. Eisende partijen met een toevoeging betalen een lager griffierecht.
Volledig
Tussen partijen staat vast dat er geen schriftelijke afspraken zijn gemaakt en dat [eiser] geen omschrijving bij de overboeking heeft vermeld. Tussen partijen staat ook vast dat er geen getuigen zijn - anders dan partijen zelf - van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard over de overboeking van het geldbedrag. Dat [gedaagde] twee auto’s heeft gekocht nadat hij het geldbedrag van [eiser] had ontvangen, biedt ook geen aanvullend bewijs voor de stellingen van [eiser] nu het bij de beoordeling gaat om de vraag of [gedaagde] de verplichting op zich heeft genomen om het geldbedrag terug te betalen en dat dus een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen. Of hij het geld nodig had en waar hij het aan heeft uitgegeven, zegt dus niets over de vraag of hij een terugbetalingsverplichting op zich heeft genomen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft [eiser] verder nog verwezen naar de Whatsappcorrespondentie die partijen op 20 september 2023 met elkaar hebben gevoerd. Uit dat gesprek volgt dat [eiser] die dag aan [gedaagde] heeft gevraagd om het bedrag van € 35.000,- terug te betalen. Uit de daarop volgende reactie van [gedaagde] (‘[…] je wilde niks meer terug die aanhanger moest ook weg .’) kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat [gedaagde] een verplichting tot terugbetaling op zich heeft genomen. Ook de door [eiser] overgelegde schriftelijke stukken (producties 28, 29 en 30) bieden geen aanvullend bewijs omdat uit geen van deze producties volgt dat tussen [eiser] en [gedaagde] een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen. 2.9. Nu [eiser] niet is geslaagd in het bewijs dat tussen haar en [gedaagde] een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen, kan de vordering van [eiser] niet worden toegewezen op de primaire grondslag. De rechtbank komt daarom toe aan beoordeling van de vraag of [eiser] geslaagd is in het bewijs dat zij het bedrag van € 35.000,- zonder rechtsgrond aan [gedaagde] heeft betaald. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Dit oordeel wordt hierna toegelicht. 2.10. Over de onverschuldigde betaling heeft [eiser] tijdens het getuigenverhoor verklaard dat er geen reden was om het geldbedrag over te maken aan [gedaagde] . Vanwege de beperkte bewijskracht van de verklaring van [eiser] als partijgetuige komt het nu ook aan op de vraag of sprake is van aanvullende bewijzen die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijverklaring van [eiser] voldoende geloofwaardig maken. Bij de waardering van het bewijs is in dit concrete geval ook van belang wat [gedaagde] heeft aangevoerd als grondslag voor de overboeking. Volgens [gedaagde] had [eiser] € 35.000,- overgemaakt voor de terugbetaling van een lening van € 20.000,-, voor de betaling voor de levering en installatie van een pelletkachel en voor de betaling voor werkzaamheden die [gedaagde] voor [eiser] zou hebben verricht. 2.11. De rechtbank is van oordeel dat er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijverklaring van [eiser] voldoende geloofwaardig maken. De verklaring van [eiser] vindt namelijk steun in het Whatsappgesprek van 20 september 2023. Op het verzoek van [eiser] om het bedrag van € 35.000,- terug te betalen, heeft [gedaagde] immers met geen woord gerept over een betalingsverplichting van [eiser] uit hoofde van een door hem aan haar verstrekte lening of uit hoofde van door hem uitgevoerde werkzaamheden. Als de overboeking door [eiser] daadwerkelijk betrekking had op het inlossen van schulden die [eiser] aan [gedaagde] had, is het onbegrijpelijk dat [gedaagde] dat niet tegenwerpt aan [eiser] in reactie op haar verzoek om het bedrag van € 35.000,- terug te betalen. In plaats van te refereren aan de vermeende betalingsverplichtingen van [eiser] , reageerde [gedaagde] enkel met de opmerking dat [eiser] volgens hem ‘niets meer terug wilde’. Door [gedaagde] is ook niet toegelicht waarom hij de vermeende betalingsverplichting niet aan [eiser] tegenwierp in reactie op haar verzoek om het bedrag terug te betalen. 2.12. De verklaring van [eiser] vindt verder steun in productie 2 die [eiser] bij de dagvaarding heeft overgelegd. Dit betreft een kopie van de overboeking van het bedrag van € 35.000,- naar de bankrekening van [gedaagde] . Uit die kopie volgt dat geen betalingsomschrijving is opgenomen zodat daaruit ook geen rechtsgrond voor de betaling kan worden afgeleid. Bij de bewijswaardering vindt de rechtbank bovendien relevant dat [gedaagde] zelf niet onder ede als getuige een verklaring heeft afgelegd en dat hij zijn standpunten nauwelijks heeft onderbouwd met schriftelijke stukken. Alleen ten aanzien van de pelletkachel zijn – naast een foto - twee facturen en twee bankafschriften overgelegd. De facturen zijn evenwel gericht aan [bedrijfsnaam gedaagde] (de eenmanszaak van [gedaagde] ) en de bankafschriften hebben ook betrekking op [bedrijfsnaam gedaagde] . Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom uit die stukken zou kunnen worden afgeleid dat [eiser] gehouden was om een bedrag van € 35.000,- over te boeken naar de privérekening van [gedaagde] . 2.13. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [eiser] is geslaagd in het bewijs dat zij een bedrag van € 35.000,- zonder rechtsgrond aan [gedaagde] heeft betaald. De gevolgen 2.14. Nu [eiser] is geslaagd in het bewijs dat zij het bedrag van € 35.000,- zonder rechtsgrond aan [gedaagde] heeft betaald, is [gedaagde] gehouden om dit bedrag aan haar terug te betalen. Daarmee is de vordering van [eiser] tot terugbetaling van dit bedrag toewijsbaar op de meer subsidiaire grondslag (artikel 6:203 BW). Wettelijke rente 2.15. [eiser] vordert wettelijke rente over het onverschuldigd betaalde bedrag van € 35.000,- vanaf 22 augustus 2023 (derhalve vanaf het moment dat zij het geldbedrag aan [gedaagde] heeft overgemaakt). In dit verband heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] op 22 augustus 2023 in verzuim is geraakt omdat hij het geldbedrag te kwader trouw heeft ontvangen omdat [gedaagde] wist, althans kon vermoeden, dat de betaling onverschuldigd was (als bedoeld in artikel 6:205 BW). [gedaagde] heeft dat onvoldoende gemotiveerd betwist zodat dit tussen partijen vaststaat. De door [eiser] gevorderde wettelijke rente van € 644,38, berekend vanaf 22 augustus 2023 tot en met 11 december 2023, wordt daarom toegewezen. Ook de daarna (vanaf 12 december 2023) verschenen wettelijke rente over het bedrag van € 35.000,- wordt toegewezen. Buitengerechtelijke incassokosten 2.16. [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal. Daarbij geldt dat de wettelijke tarieven van het Besluit geacht worden redelijk te zijn. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Zij heeft daarbij verwezen naar producties 4, 5, 7, 9 10 en 11. Op grond van het Besluit is een tarief van € 1.125,- bij een bedrag van € 35.000,- redelijk. Dit bedrag is dan ook toewijsbaar. [eiser] heeft ook vergoeding van btw gevorderd over de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. Omdat [eiser] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met € 236,25, betreffende 21% btw. 2.17. Uit het voorgaande volgt dat het volgende bedrag wordt toegewezen: - onverschuldigd betaalde bedrag (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2023) - wettelijke rente over de periode van 22 augustus 2023 tot en met 11 december 2023 € € 35.000,00 644,38 - buitengerechtelijke incassokosten € 1.125,00 - btw (21%) over de incassokosten € 236,25 totaal: € 37.005,63 Proceskosten 2.18. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging. Eisende partijen met een toevoeging betalen een lager griffierecht.