Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2026-04-08
ECLI:NL:RBOBR:2026:2966
Civiel recht
Bodemzaak
10,931 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:2966 text/xml public 2026-05-19T15:26:30 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-08 C-01-403255 - HA ZA 24-243 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2966 text/html public 2026-05-19T15:26:02 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2966 Rechtbank Oost-Brabant , 08-04-2026 / C-01-403255 - HA ZA 24-243 Burenrecht. Onrechtmatige hinder in de zin van art. 5:37 BW door (hoogte) beplanting nabij erfgrens? Vermindering zon- en daglicht en verminderd uitzicht. Bezonningsonderzoek. De rechtbank oordeelt dat de substantiële afname van bezonning en daglicht tezamen met het onthouden van uitzicht, in de huidige situatie, gelet op de aard, ernst en duur en bezien in het licht van de omstandigheden ter plaatse, onrechtmatige hinder opleveren als bedoeld in art. 5:37 BW. Belangenafweging slaat uit in het voordeel van eisers. Gedaagden worden veroordeeld om de beplanting terug te snoeien. RECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: C/01/403255 / HA ZA 24-243 Vonnis van 8 april 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , te [plaats] , 2. [eiser 2] , te [plaats] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [eisers] , advocaat: mr. K.A.M.J. Horsch, tegen 1 [gedaagde 1] , te [plaats] , 2. [gedaagde 2] , te [plaats] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden] , advocaat: mr. R. van den Berg Jeths. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 27 maart 2024, met producties 1 t/m 13, - de conclusie van antwoord van 5 juni 2024, met producties 1 t/m 8, - de brief van 14 november 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, - de akte van [eisers] van 3 december 2025, met productie 14, - het proces-verbaal van descente en mondelinge behandeling van 11 februari 2026, waarbij door mr. Horsch en mr. van den Berg Jeths spreekaantekeningen zijn overgelegd en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - het bericht van mr. Horsch van 10 maart 2026 waarbij opmerkingen zijn gemaakt ten aanzien van het proces-verbaal. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. Kern van de zaak In het kort gaat deze zaak over de overlast die [eisers] ervaren van de beplanting die staat op het perceel van [gedaagden] Aan de rechtbank ligt onder meer de vraag voor of de ervaren overlast kwalificeert als onrechtmatige hinder. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en wijst de vorderingen van [eisers] toe. Dat betekent dat [gedaagden] de beplanting moeten terugsnoeien. In dit vonnis legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn buren van elkaar. [eisers] wonen aan de [adres 1] te [plaats] (het perceel aangeduid als [kadastrale aanduiding 1] ). [gedaagden] wonen aan de [adres 2] (het perceel aangeduid als [kadastrale aanduiding 2] ). 2.2. Het perceel van [eisers] grenst aan de tuinzijde van het perceel van [gedaagden] Op het perceel van [gedaagden] bevindt zich een zwembad. Een en ander is weergegeven op deze luchtfoto: 2.3. Bezien vanuit de lucht ligt het perceel van [gedaagden] aan de zuidkant van het perceel van [eisers] 2.4. In april 2023 hebben [gedaagden] een betonnen keerwand geplaatst. Tussen partijen is niet in discussie dat de betonnen keerwand geheel op het perceel van [gedaagden] staat. De betonnen keerwand is 2.10m hoog en vormt de feitelijke erfafscheiding tussen beide percelen. 2.5. In oktober 2023 hebben [gedaagden] beplanting (‘Turkse eik’, ‘ Quercus Cerris ’) in hun achtertuin geplaatst, over vrijwel de gehele lengte achter de betonnen wand. 2.6. Ter verdere illustratie verwijst de rechtbank naar de foto’s die zijn opgenomen in het proces-verbaal van de descente van 11 februari 2026. De rechtbank stipt hier aan dat uit de descente c.q. de foto’s blijkt dat deze beplanting boven de betonnen keerwand uitsteekt. 2.7. [eisers] hebben [gedaagden] op 11 november 2023 per e-mailbericht verzocht de beplanting terug te snoeien tot de hoogte van de betonnen keerwand. Op 21 november 2023 heeft [eisers] aan [gedaagden] per brief gevraagd om de planten binnen één maand terug te snoeien tot de hoogte van de keerwand. 2.8. [gedaagden] hebben geen gehoor gegeven aan het verzoek van [eisers] . 2.9. In januari 2024 hebben partijen over de kwestie gecorrespondeerd, maar zij zijn niet tot overeenstemming gekomen. 2.10. [eisers] hebben in december 2024 de firma ‘Bezonningsingenieur.nl’ de opdracht gegeven een rapport uit te brengen over de situatie ter plaatse en over de impact van de beplanting voor de bezonning op hun perceel. Om onnodige herhaling te voorkomen, behandelt de rechtbank de relevante passages uit het rapport in hoofdstuk 4 van dit vonnis. 3 Het geschil 3.1. [eisers] vorderen, na een vermindering van eis op de mondelinge behandeling van 11 februari 2026, samengevat het volgende: i) [gedaagden] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis de Turkse eiken te verwijderen voor zover die boven de tussen de percelen bestaande keerwand uitkomen. ii) [gedaagden] hoofdelijk een dwangsom van 500,- op te leggen voor iedere dag of deel daarvan dat zij in strijd met (i) handelen, met een maximum van 50.000 euro. iii) Gedaagden te veroordelen in de kosten van dit geding. 3.2. [eisers] leggen aan hun vorderingen samengevat het volgende ten grondslag. [eisers] stelt primair dat de beplanting binnen de ‘verboden zone’ staat (art. 5:42 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Volgens [eisers] kwalificeert de beplanting als bomen en moet deze gelet op de afstand tot de erfgrens en gelet op het bepaalde in art. 5:42 BW, worden teruggebracht tot de hoogte van de erfafscheiding. De subsidiaire grondslag van de vordering van [eisers] wordt gevormd door art. 5:37 BW (onrechtmatige hinder). [eisers] stellen door de hoogte van de beplanting aanzienlijke overlast te ervaren, te weten minder zonlicht, minder warmte en minder lichtinval in hun woning; en geen uitzicht meer op de omgeving. Volgens [eisers] kwalificeert deze overlast als onrechtmatige hinder als bedoeld in art. 5:37 BW. 3.3. [gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure. 3.4. [gedaagden] betwisten dat de beplanting moet worden verwijderd dan wel teruggesnoeid gelet op de afstand tot de erfgrens, nu de beplanting moet worden gekwalificeerd als heesters en daarom niet te dicht bij de erfgrens staat. [gedaagden] betwisten daarnaast dat er sprake is van onrechtmatige hinder. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. [eisers] hebben verwijdering van de Turkse eik gevorderd voor zover deze boven de betonnen keerwand uitkomt. De rechtbank begrijpt de vordering van [eisers] zo dat zij vorderen dat de beplanting zodanig wordt teruggesnoeid dat deze niet boven de erfafscheiding (de betonnen keerwand) uitkomt. Van belang is of er sprake is van onrechtmatige hinder (art. 5:37 BW) 4.2. De rechtbank ligt de vraag voor of de overlast die [eisers] ervaren van de beplanting gekwalificeerd kan worden als onrechtmatige hinder in de zin van art. 5:37 BW. [eisers] heeft namelijk (subsidiair) aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij onrechtmatige hinder ondervindt van de beplanting, terwijl [gedaagden] betwist dat sprake is van hinder. 4.3. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het hier gaat om de rechten en verplichtingen die buren jegens elkaar hebben. De vrijheid die de eigenaar van een perceel grond heeft om zijn eigendom naar eigen inzicht in te richten en te gebruiken, vindt zijn beperking in de rechten en belangen van de eigenaar van een naburig perceel. Dit betekent dat [gedaagden] in beginsel het recht hebben hun tuin/perceel in te richten en te onderhouden zoals zij dat wensen. Dat recht wordt begrensd in die zin dat zij anderen, onder wie de buren, geen onrechtmatige hinder mogen toebrengen.
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:2966 text/xml public 2026-05-19T15:26:30 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-08 C-01-403255 - HA ZA 24-243 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2966 text/html public 2026-05-19T15:26:02 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2966 Rechtbank Oost-Brabant , 08-04-2026 / C-01-403255 - HA ZA 24-243 Burenrecht. Onrechtmatige hinder in de zin van art. 5:37 BW door (hoogte) beplanting nabij erfgrens? Vermindering zon- en daglicht en verminderd uitzicht. Bezonningsonderzoek. De rechtbank oordeelt dat de substantiële afname van bezonning en daglicht tezamen met het onthouden van uitzicht, in de huidige situatie, gelet op de aard, ernst en duur en bezien in het licht van de omstandigheden ter plaatse, onrechtmatige hinder opleveren als bedoeld in art. 5:37 BW. Belangenafweging slaat uit in het voordeel van eisers. Gedaagden worden veroordeeld om de beplanting terug te snoeien. RECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: C/01/403255 / HA ZA 24-243 Vonnis van 8 april 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , te [plaats] , 2. [eiser 2] , te [plaats] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [eisers] , advocaat: mr. K.A.M.J. Horsch, tegen 1 [gedaagde 1] , te [plaats] , 2. [gedaagde 2] , te [plaats] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden] , advocaat: mr. R. van den Berg Jeths. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 27 maart 2024, met producties 1 t/m 13, - de conclusie van antwoord van 5 juni 2024, met producties 1 t/m 8, - de brief van 14 november 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, - de akte van [eisers] van 3 december 2025, met productie 14, - het proces-verbaal van descente en mondelinge behandeling van 11 februari 2026, waarbij door mr. Horsch en mr. van den Berg Jeths spreekaantekeningen zijn overgelegd en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - het bericht van mr. Horsch van 10 maart 2026 waarbij opmerkingen zijn gemaakt ten aanzien van het proces-verbaal. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. Kern van de zaak In het kort gaat deze zaak over de overlast die [eisers] ervaren van de beplanting die staat op het perceel van [gedaagden] Aan de rechtbank ligt onder meer de vraag voor of de ervaren overlast kwalificeert als onrechtmatige hinder. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en wijst de vorderingen van [eisers] toe. Dat betekent dat [gedaagden] de beplanting moeten terugsnoeien. In dit vonnis legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn buren van elkaar. [eisers] wonen aan de [adres 1] te [plaats] (het perceel aangeduid als [kadastrale aanduiding 1] ). [gedaagden] wonen aan de [adres 2] (het perceel aangeduid als [kadastrale aanduiding 2] ). 2.2. Het perceel van [eisers] grenst aan de tuinzijde van het perceel van [gedaagden] Op het perceel van [gedaagden] bevindt zich een zwembad. Een en ander is weergegeven op deze luchtfoto: 2.3. Bezien vanuit de lucht ligt het perceel van [gedaagden] aan de zuidkant van het perceel van [eisers] 2.4. In april 2023 hebben [gedaagden] een betonnen keerwand geplaatst. Tussen partijen is niet in discussie dat de betonnen keerwand geheel op het perceel van [gedaagden] staat. De betonnen keerwand is 2.10m hoog en vormt de feitelijke erfafscheiding tussen beide percelen. 2.5. In oktober 2023 hebben [gedaagden] beplanting (‘Turkse eik’, ‘ Quercus Cerris ’) in hun achtertuin geplaatst, over vrijwel de gehele lengte achter de betonnen wand. 2.6. Ter verdere illustratie verwijst de rechtbank naar de foto’s die zijn opgenomen in het proces-verbaal van de descente van 11 februari 2026. De rechtbank stipt hier aan dat uit de descente c.q. de foto’s blijkt dat deze beplanting boven de betonnen keerwand uitsteekt. 2.7. [eisers] hebben [gedaagden] op 11 november 2023 per e-mailbericht verzocht de beplanting terug te snoeien tot de hoogte van de betonnen keerwand. Op 21 november 2023 heeft [eisers] aan [gedaagden] per brief gevraagd om de planten binnen één maand terug te snoeien tot de hoogte van de keerwand. 2.8. [gedaagden] hebben geen gehoor gegeven aan het verzoek van [eisers] . 2.9. In januari 2024 hebben partijen over de kwestie gecorrespondeerd, maar zij zijn niet tot overeenstemming gekomen. 2.10. [eisers] hebben in december 2024 de firma ‘Bezonningsingenieur.nl’ de opdracht gegeven een rapport uit te brengen over de situatie ter plaatse en over de impact van de beplanting voor de bezonning op hun perceel. Om onnodige herhaling te voorkomen, behandelt de rechtbank de relevante passages uit het rapport in hoofdstuk 4 van dit vonnis. 3 Het geschil 3.1. [eisers] vorderen, na een vermindering van eis op de mondelinge behandeling van 11 februari 2026, samengevat het volgende: i) [gedaagden] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis de Turkse eiken te verwijderen voor zover die boven de tussen de percelen bestaande keerwand uitkomen. ii) [gedaagden] hoofdelijk een dwangsom van 500,- op te leggen voor iedere dag of deel daarvan dat zij in strijd met (i) handelen, met een maximum van 50.000 euro. iii) Gedaagden te veroordelen in de kosten van dit geding. 3.2. [eisers] leggen aan hun vorderingen samengevat het volgende ten grondslag. [eisers] stelt primair dat de beplanting binnen de ‘verboden zone’ staat (art. 5:42 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Volgens [eisers] kwalificeert de beplanting als bomen en moet deze gelet op de afstand tot de erfgrens en gelet op het bepaalde in art. 5:42 BW, worden teruggebracht tot de hoogte van de erfafscheiding. De subsidiaire grondslag van de vordering van [eisers] wordt gevormd door art. 5:37 BW (onrechtmatige hinder). [eisers] stellen door de hoogte van de beplanting aanzienlijke overlast te ervaren, te weten minder zonlicht, minder warmte en minder lichtinval in hun woning; en geen uitzicht meer op de omgeving. Volgens [eisers] kwalificeert deze overlast als onrechtmatige hinder als bedoeld in art. 5:37 BW. 3.3. [gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure. 3.4. [gedaagden] betwisten dat de beplanting moet worden verwijderd dan wel teruggesnoeid gelet op de afstand tot de erfgrens, nu de beplanting moet worden gekwalificeerd als heesters en daarom niet te dicht bij de erfgrens staat. [gedaagden] betwisten daarnaast dat er sprake is van onrechtmatige hinder. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. [eisers] hebben verwijdering van de Turkse eik gevorderd voor zover deze boven de betonnen keerwand uitkomt. De rechtbank begrijpt de vordering van [eisers] zo dat zij vorderen dat de beplanting zodanig wordt teruggesnoeid dat deze niet boven de erfafscheiding (de betonnen keerwand) uitkomt. Van belang is of er sprake is van onrechtmatige hinder (art. 5:37 BW) 4.2. De rechtbank ligt de vraag voor of de overlast die [eisers] ervaren van de beplanting gekwalificeerd kan worden als onrechtmatige hinder in de zin van art. 5:37 BW. [eisers] heeft namelijk (subsidiair) aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij onrechtmatige hinder ondervindt van de beplanting, terwijl [gedaagden] betwist dat sprake is van hinder. 4.3. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het hier gaat om de rechten en verplichtingen die buren jegens elkaar hebben. De vrijheid die de eigenaar van een perceel grond heeft om zijn eigendom naar eigen inzicht in te richten en te gebruiken, vindt zijn beperking in de rechten en belangen van de eigenaar van een naburig perceel. Dit betekent dat [gedaagden] in beginsel het recht hebben hun tuin/perceel in te richten en te onderhouden zoals zij dat wensen. Dat recht wordt begrensd in die zin dat zij anderen, onder wie de buren, geen onrechtmatige hinder mogen toebrengen.
Volledig
Volgens artikel 5:37 BW, op welk artikel [eisers] hun vordering (subsidiair) hebben gebaseerd, mag een eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen. Het onthouden van licht wordt daarbij expliciet genoemd, waarbij overigens (dag)licht niet hetzelfde is als (direct) zonlicht. 4.4. De beantwoording van de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, hangt volgens vaste jurisprudentie (HR 3 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0235) af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid - mede gelet op de daaraan verbonden kosten - en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen. Uit deze maatstaf volgt dat niet iedere vorm van hinder of ondervonden overlast onrechtmatig is in de hiervoor bedoelde zin. Volgens de jurisprudentie kan – in het bijzonder - het onthouden van licht onrechtmatige hinder opleveren, afhankelijk van de ernst en duur daarvan en de daardoor veroorzaakte schade, in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden. 4.5. De rechtbank acht voldoende gebleken dat de rij Turkse eiken hinder veroorzaakt door het onthouden van uitzicht en het onthouden van (zon- en dag)licht aan [eisers] en overweegt daartoe als volgt. Het onthouden van uitzicht 4.6. [eisers] hebben gesteld dat zij door de rij Turkse eiken geen uitzicht meer hebben. Voorheen hadden zij vanaf het terras en vanaf de woonkamer uitzicht op de lucht, op de bomenrij aan de openbare weg en op de vlaggen van het makelaarskantoor. [gedaagden] hebben de hinder ten aanzien van het uitzicht betwist. 4.7. De rechtbank heeft tijdens de gerechtelijke plaatsopneming geconstateerd dat de rij Turkse eiken als het ware een ‘blok’ vormen achter de betonnen keerwand en dat er vanaf de woonkamer en het terras van [eisers] geen zicht is op de lucht. Vanaf de woonkamer en het terras van [eisers] is er alleen zicht op de betonnen wand en de rij Turkse eiken daarachter. Het verminderen van zonlicht en daglicht 4.8. [eisers] stellen dat de rij Turkse eiken het zon- en daglicht in hun woning en op hun terras aanzienlijk verminderen. [gedaagden] hebben deze stelling van een algemene betwisting voorzien. De rechtbank heeft ter plaatse geconstateerd dat er een gebrek aan licht in de woning van [eisers] is en dat dit zich voordoet in het primaire woongedeelte van de woning van [eisers] , te weten in de woonkeuken en in de woonkamer. 4.9. Tussen partijen is niet in geschil dat de Turkse eiken ten zuiden van het perceel van [eisers] staan, dus de zijde waarvandaan het meeste (zon)licht komt. Dat maakt aannemelijk dat de (hoogte van de) beplanting ervoor zorgt dat er minder zon- en daglicht de woning van [eisers] binnenkomt. 4.10. Verder geldt dat [eisers] hun stelling dat de (hoogte van de) beplanting zorgt voor een substantiële afname van zon- en daglicht op hun perceel, hebben onderbouwd met een onderzoeksrapport van een deskundige (hierna: het bezonningsonderzoek). Uit het onderzoek blijkt dat de afname van licht in de woning van [eisers] substantieel is 4.11. Het door [eisers] ingebrachte bezonningsonderzoek is erop gericht om de veranderende bezonnings- en daglichtsituatie ter plaatse van het perceel van [eisers] vast te stellen. Het onderzoek maakt, aan de hand van een 3D-model van de omgeving, telkens een vergelijking van de situatie mét en de situatie zónder de rij van Turkse eiken. Op die manier wordt in kaart gebracht voor hoeveel beschaduwing de rij Turkse eiken zorgt. De mate van beschaduwing door de beplanting achter de betonnen keerwand is gemeten op zes tijdstippen per dag op verschillende peildata in het jaar. De zon- en schaduwwerking per tijdstip en peildatum is visueel inzichtelijk gemaakt met schematische tekeningen. Daarnaast zijn er berekeningen uitgevoerd om de invloed op de bezonning van de pui aan de zuidgevel te berekenen. Tot slot is er berekend wat de rij Turkse eiken doet met het daglicht in de woning. 4.12. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid van de opsteller van het onderzoeksrapport. Het rapport is uitgebreid en deugdelijk gemotiveerd. Daarom gaat de rechtbank uit van de juistheid van het rapport. De rechtbank constateert dat uit het onderzoeksrapport blijkt dat er op vijf peildata (in de periode van 21 oktober t/m 19 februari) excessieve afnames van bezonning optreden van 65%-100%. Hierbij plaatst het rapport de kanttekening dat in de winterperiode de kans op een zonnige dag kleiner is dan in de zomer. De rechtbank constateert verder dat uit het onderzoek blijkt dat er, ten gevolge van de rij Turkse eiken, een aanzienlijke daglichtafname van 29% is in de woonkeuken. 4.13. [gedaagden] heeft de bevindingen uit het onderzoeksrapport bestreden en voert aan dat de afbeelding waar in het onderzoek mee wordt gewerkt, niet klopt. Hiertoe heeft [gedaagden] aangevoerd dat de hoogte in de afbeeldingen in de bijlage niet klopt en dat in de afbeeldingen uit het rapport wordt uitgegaan van een ‘massieve wand’ aan de bovenkant, terwijl het in het echt om beplanting gaat waar licht op sommige plaatsen doorheen kan komen. De rechtbank gaat hieraan voorbij. [eisers] heeft aangevoerd dat de afbeeldingen niet op schaal zijn weergegeven. Bovendien blijkt uit het onderzoeksrapport dat het 3D-model is gebaseerd op de situatie ‘met en zonder bomenrij’. De rapporteur heeft in zijn visuele weergave en in de berekeningen rekening gehouden met het gegeven dat er iets van licht door de rij van beplanting heen kan komen en komt tot de conclusie dat de afname van zon excessief is. 4.14. Al met al vindt de rechtbank dat [eisers] de stelling dat de rij Turkse eiken van [gedaagden] zorgt voor substantieel minder zon- en daglicht op hun perceel en in hun woning, voldoende hebben onderbouwd. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van hinder 4.15. De rechtbank is van oordeel dat de substantiële afname van bezonning en daglicht in de woning van [eisers] , tezamen met het onthouden van uitzicht, in de huidige situatie, gelet op de aard, ernst en duur en bezien in het licht van de omstandigheden ter plaatse, onrechtmatige hinder jegens [eisers] opleveren als bedoeld in artikel 5:37 BW. 4.16. Overigens heeft [eisers] gesteld dat er daarnaast sprake is van afname van de warmte c.q. de passieve verwarming van de woning. [gedaagden] hebben betwist dat dit effect optreedt en [eisers] hebben hun stelling niet met stukken onderbouwd. Dit neveneffect, zo dit al zou komen vast te staan, kan ook hinder opleveren, maar is niet doorslaggevend voor de onrechtmatigheid van de hinder zoals hierboven is vastgesteld. Afweging van de belangen slaat uit in het voordeel van [eisers] 4.17. In het kader van de voor de beoordeling van de onrechtmatigheid benodigde belangenafweging geldt het volgende. [eisers] hebben gewezen op hun belang bij zonlicht, daglicht en uitzicht in hun woning en op het terras. Tegenover de belangen van [eisers] staat het belang van [gedaagden] bij privacy. [gedaagden] hebben aangevoerd dat de rij Turkse eiken is geplaatst met het oog op hun privacy in de tuin, in het bijzonder bij het zwembad. 4.18. De rechtbank is van oordeel dat de belangen van [eisers] zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagden] Hierbij weegt mee dat de hinder voor [eisers] van permanente aard is en dat de hinder hen raakt in het primaire woongedeelte. [eisers] hebben aangevoerd dat hun woongenot is aangetast zolang de huidige situatie in stand blijft en de impact voor hen is in die zin groot. Het belang van [gedaagden] om meer privacy bij het zwembad te ervaren gedurende de maanden in het jaar dat zij van het zwembad gebruik maken, weegt daartegen niet op.
Volledig
Volgens artikel 5:37 BW, op welk artikel [eisers] hun vordering (subsidiair) hebben gebaseerd, mag een eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen. Het onthouden van licht wordt daarbij expliciet genoemd, waarbij overigens (dag)licht niet hetzelfde is als (direct) zonlicht. 4.4. De beantwoording van de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, hangt volgens vaste jurisprudentie (HR 3 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0235) af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid - mede gelet op de daaraan verbonden kosten - en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen. Uit deze maatstaf volgt dat niet iedere vorm van hinder of ondervonden overlast onrechtmatig is in de hiervoor bedoelde zin. Volgens de jurisprudentie kan – in het bijzonder - het onthouden van licht onrechtmatige hinder opleveren, afhankelijk van de ernst en duur daarvan en de daardoor veroorzaakte schade, in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden. 4.5. De rechtbank acht voldoende gebleken dat de rij Turkse eiken hinder veroorzaakt door het onthouden van uitzicht en het onthouden van (zon- en dag)licht aan [eisers] en overweegt daartoe als volgt. Het onthouden van uitzicht 4.6. [eisers] hebben gesteld dat zij door de rij Turkse eiken geen uitzicht meer hebben. Voorheen hadden zij vanaf het terras en vanaf de woonkamer uitzicht op de lucht, op de bomenrij aan de openbare weg en op de vlaggen van het makelaarskantoor. [gedaagden] hebben de hinder ten aanzien van het uitzicht betwist. 4.7. De rechtbank heeft tijdens de gerechtelijke plaatsopneming geconstateerd dat de rij Turkse eiken als het ware een ‘blok’ vormen achter de betonnen keerwand en dat er vanaf de woonkamer en het terras van [eisers] geen zicht is op de lucht. Vanaf de woonkamer en het terras van [eisers] is er alleen zicht op de betonnen wand en de rij Turkse eiken daarachter. Het verminderen van zonlicht en daglicht 4.8. [eisers] stellen dat de rij Turkse eiken het zon- en daglicht in hun woning en op hun terras aanzienlijk verminderen. [gedaagden] hebben deze stelling van een algemene betwisting voorzien. De rechtbank heeft ter plaatse geconstateerd dat er een gebrek aan licht in de woning van [eisers] is en dat dit zich voordoet in het primaire woongedeelte van de woning van [eisers] , te weten in de woonkeuken en in de woonkamer. 4.9. Tussen partijen is niet in geschil dat de Turkse eiken ten zuiden van het perceel van [eisers] staan, dus de zijde waarvandaan het meeste (zon)licht komt. Dat maakt aannemelijk dat de (hoogte van de) beplanting ervoor zorgt dat er minder zon- en daglicht de woning van [eisers] binnenkomt. 4.10. Verder geldt dat [eisers] hun stelling dat de (hoogte van de) beplanting zorgt voor een substantiële afname van zon- en daglicht op hun perceel, hebben onderbouwd met een onderzoeksrapport van een deskundige (hierna: het bezonningsonderzoek). Uit het onderzoek blijkt dat de afname van licht in de woning van [eisers] substantieel is 4.11. Het door [eisers] ingebrachte bezonningsonderzoek is erop gericht om de veranderende bezonnings- en daglichtsituatie ter plaatse van het perceel van [eisers] vast te stellen. Het onderzoek maakt, aan de hand van een 3D-model van de omgeving, telkens een vergelijking van de situatie mét en de situatie zónder de rij van Turkse eiken. Op die manier wordt in kaart gebracht voor hoeveel beschaduwing de rij Turkse eiken zorgt. De mate van beschaduwing door de beplanting achter de betonnen keerwand is gemeten op zes tijdstippen per dag op verschillende peildata in het jaar. De zon- en schaduwwerking per tijdstip en peildatum is visueel inzichtelijk gemaakt met schematische tekeningen. Daarnaast zijn er berekeningen uitgevoerd om de invloed op de bezonning van de pui aan de zuidgevel te berekenen. Tot slot is er berekend wat de rij Turkse eiken doet met het daglicht in de woning. 4.12. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid van de opsteller van het onderzoeksrapport. Het rapport is uitgebreid en deugdelijk gemotiveerd. Daarom gaat de rechtbank uit van de juistheid van het rapport. De rechtbank constateert dat uit het onderzoeksrapport blijkt dat er op vijf peildata (in de periode van 21 oktober t/m 19 februari) excessieve afnames van bezonning optreden van 65%-100%. Hierbij plaatst het rapport de kanttekening dat in de winterperiode de kans op een zonnige dag kleiner is dan in de zomer. De rechtbank constateert verder dat uit het onderzoek blijkt dat er, ten gevolge van de rij Turkse eiken, een aanzienlijke daglichtafname van 29% is in de woonkeuken. 4.13. [gedaagden] heeft de bevindingen uit het onderzoeksrapport bestreden en voert aan dat de afbeelding waar in het onderzoek mee wordt gewerkt, niet klopt. Hiertoe heeft [gedaagden] aangevoerd dat de hoogte in de afbeeldingen in de bijlage niet klopt en dat in de afbeeldingen uit het rapport wordt uitgegaan van een ‘massieve wand’ aan de bovenkant, terwijl het in het echt om beplanting gaat waar licht op sommige plaatsen doorheen kan komen. De rechtbank gaat hieraan voorbij. [eisers] heeft aangevoerd dat de afbeeldingen niet op schaal zijn weergegeven. Bovendien blijkt uit het onderzoeksrapport dat het 3D-model is gebaseerd op de situatie ‘met en zonder bomenrij’. De rapporteur heeft in zijn visuele weergave en in de berekeningen rekening gehouden met het gegeven dat er iets van licht door de rij van beplanting heen kan komen en komt tot de conclusie dat de afname van zon excessief is. 4.14. Al met al vindt de rechtbank dat [eisers] de stelling dat de rij Turkse eiken van [gedaagden] zorgt voor substantieel minder zon- en daglicht op hun perceel en in hun woning, voldoende hebben onderbouwd. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van hinder 4.15. De rechtbank is van oordeel dat de substantiële afname van bezonning en daglicht in de woning van [eisers] , tezamen met het onthouden van uitzicht, in de huidige situatie, gelet op de aard, ernst en duur en bezien in het licht van de omstandigheden ter plaatse, onrechtmatige hinder jegens [eisers] opleveren als bedoeld in artikel 5:37 BW. 4.16. Overigens heeft [eisers] gesteld dat er daarnaast sprake is van afname van de warmte c.q. de passieve verwarming van de woning. [gedaagden] hebben betwist dat dit effect optreedt en [eisers] hebben hun stelling niet met stukken onderbouwd. Dit neveneffect, zo dit al zou komen vast te staan, kan ook hinder opleveren, maar is niet doorslaggevend voor de onrechtmatigheid van de hinder zoals hierboven is vastgesteld. Afweging van de belangen slaat uit in het voordeel van [eisers] 4.17. In het kader van de voor de beoordeling van de onrechtmatigheid benodigde belangenafweging geldt het volgende. [eisers] hebben gewezen op hun belang bij zonlicht, daglicht en uitzicht in hun woning en op het terras. Tegenover de belangen van [eisers] staat het belang van [gedaagden] bij privacy. [gedaagden] hebben aangevoerd dat de rij Turkse eiken is geplaatst met het oog op hun privacy in de tuin, in het bijzonder bij het zwembad. 4.18. De rechtbank is van oordeel dat de belangen van [eisers] zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagden] Hierbij weegt mee dat de hinder voor [eisers] van permanente aard is en dat de hinder hen raakt in het primaire woongedeelte. [eisers] hebben aangevoerd dat hun woongenot is aangetast zolang de huidige situatie in stand blijft en de impact voor hen is in die zin groot. Het belang van [gedaagden] om meer privacy bij het zwembad te ervaren gedurende de maanden in het jaar dat zij van het zwembad gebruik maken, weegt daartegen niet op.
Volledig
Daar komt bij, zoals door [eisers] is gesteld en door [gedaagden] onvoldoende is weersproken, dat [eisers] sowieso niet in de tuin van [gedaagden] kunnen kijken gelet op de hoogte van de betonnen keerwand die zich ter plaatse bevindt. Bovendien hebben andere omwonenden in de buurt ook met het bestaan van de huidige beplanting zicht op de tuin van [gedaagden] Al met al slaat de afweging van de belangen in het voordeel van [eisers] uit. De vordering tot terugsnoeien zal worden toegewezen 4.19. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van onrechtmatige hinder in de zin van art. 5:37 BW en zullen [gedaagden] worden veroordeeld om de onrechtmatige hinder op te heffen. Dat betekent dat de beplanting (‘Turkse eik’) dient te worden teruggesnoeid. 4.20. De conclusie luidt dat [gedaagden] zullen worden veroordeeld om, zoals gevorderd, de beplanting (‘Turkse eik’) terug te snoeien tot de hoogte van de betonnen keerwand. 4.21. De rechtbank geeft partijen mee dat het ze vrij staat om afwijkende afspraken te maken. Partijen kunnen bijvoorbeeld in een regeling met elkaar afspreken dat de beplanting aan het uiteinde van de betonnen wand minder hoeft te worden ingekort dan de beplanting in het midden van het perceel. Ook kunnen partijen overeenkomen dat de beplanting alleen in een bepaald seizoen moet worden teruggesnoeid en dat de beplanting in een bepaald jaargetijde hoger mag worden gelaten dan de hoogte van de betonnen keerwand. Zo heeft [eiser 1] tijdens de mondelinge behandeling in het kader van een mogelijke regeling aangevoerd dat het in zijn optiek in orde zou zijn als de beplanting een bepaalde hoogte boven de betonnen keerwand zou uitkomen in de zomer, als de beplanting in het najaar en de winter maar gesnoeid wordt. Gelet op de burenrelatie geeft de rechtbank partijen in overweging gebruik te maken van de mogelijkheid om specifieke afspraken te maken. De andere grondslag van de vordering behoeft geen bespreking meer 4.22. Zoals hierboven is besproken, oordeelt de rechtbank dat de subsidiaire grondslag van de vordering, te weten onrechtmatige hinder in de zin van art. 5:37 BW, leidt tot toewijzing van de vordering. 4.23. Partijen hebben in het kader van de primaire grondslag (art. 5:42 BW) van de vordering met elkaar gediscussieerd over de vraag of de beplanting moet worden gekwalificeerd als bomen of heesters en over de afstand tot de erfgrens. Aangezien de planten sowieso teruggesnoeid moeten worden omdat er sprake is van onrechtmatige hinder, is de vraag of de planten in de ‘verboden zone’ staan niet meer relevant. Ook als de planten niet in de verboden staan, zullen zij namelijk teruggesnoeid moeten worden. 4.24. De primaire grondslag van de vordering behoeft dan ook geen bespreking meer. Om dezelfde reden wordt voorbij gegaan aan het verzoek van de gemachtigde van [gedaagden] om een nadere akte in het geding te brengen over de kadastrale erfgrens en de afstand van de beplanting tot de erfgrens. De rechtbank legt een dwangsom op 4.25. [eisers] hebben gevorderd om aan de veroordeling tot het terugsnoeien van de beplanting een dwangsom te koppelen, in die zin dat aan [gedaagden] hoofdelijk een dwangsom van € 500,- wordt opgelegd voor iedere dag of deel daarvan dat zij in strijd met de veroordeling handelen, met een maximum van € 50.000,- euro. 4.26. Tegen de oplegging van een dwangsom is door [gedaagden] geen specifiek verweer geformuleerd. 4.27. De rechtbank zal een dwangsom opleggen, maar zal deze matigen zoals vermeld in de beslissing. [gedaagden] worden in de proceskosten veroordeeld 4.28. [gedaagden] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 140,31 - griffierecht € 320,00 - salaris advocaat € 1.632,50 (2,5 punten × € 653,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.281,81 4.29. De 2,5 toegekende punten worden als volgt verdeeld: 1 punt voor de dagvaarding; 1 punt voor de mondelinge behandeling en descente gezamenlijk, omdat deze op dezelfde moment gecombineerd plaatsvond; 0,5 punt voor de akte van 3 december 2025. 4.30. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4.31. De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. 5 De beslissing De rechtbank: 5.1. veroordeelt [gedaagden] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de Turkse eiken zodanig in hoogte terug te snoeien en gesnoeid te houden dat deze niet hoger reiken dan de betonnen keerwand, 5.2. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 100,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 50.000,- is bereikt, 5.3. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.281,81, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 5.4. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.N. van Haren en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026. Dagvaarding, nr. 4, p. 4. Prod. 14 van [eisers] Prod. 14 van [eisers]
Volledig
Daar komt bij, zoals door [eisers] is gesteld en door [gedaagden] onvoldoende is weersproken, dat [eisers] sowieso niet in de tuin van [gedaagden] kunnen kijken gelet op de hoogte van de betonnen keerwand die zich ter plaatse bevindt. Bovendien hebben andere omwonenden in de buurt ook met het bestaan van de huidige beplanting zicht op de tuin van [gedaagden] Al met al slaat de afweging van de belangen in het voordeel van [eisers] uit. De vordering tot terugsnoeien zal worden toegewezen 4.19. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van onrechtmatige hinder in de zin van art. 5:37 BW en zullen [gedaagden] worden veroordeeld om de onrechtmatige hinder op te heffen. Dat betekent dat de beplanting (‘Turkse eik’) dient te worden teruggesnoeid. 4.20. De conclusie luidt dat [gedaagden] zullen worden veroordeeld om, zoals gevorderd, de beplanting (‘Turkse eik’) terug te snoeien tot de hoogte van de betonnen keerwand. 4.21. De rechtbank geeft partijen mee dat het ze vrij staat om afwijkende afspraken te maken. Partijen kunnen bijvoorbeeld in een regeling met elkaar afspreken dat de beplanting aan het uiteinde van de betonnen wand minder hoeft te worden ingekort dan de beplanting in het midden van het perceel. Ook kunnen partijen overeenkomen dat de beplanting alleen in een bepaald seizoen moet worden teruggesnoeid en dat de beplanting in een bepaald jaargetijde hoger mag worden gelaten dan de hoogte van de betonnen keerwand. Zo heeft [eiser 1] tijdens de mondelinge behandeling in het kader van een mogelijke regeling aangevoerd dat het in zijn optiek in orde zou zijn als de beplanting een bepaalde hoogte boven de betonnen keerwand zou uitkomen in de zomer, als de beplanting in het najaar en de winter maar gesnoeid wordt. Gelet op de burenrelatie geeft de rechtbank partijen in overweging gebruik te maken van de mogelijkheid om specifieke afspraken te maken. De andere grondslag van de vordering behoeft geen bespreking meer 4.22. Zoals hierboven is besproken, oordeelt de rechtbank dat de subsidiaire grondslag van de vordering, te weten onrechtmatige hinder in de zin van art. 5:37 BW, leidt tot toewijzing van de vordering. 4.23. Partijen hebben in het kader van de primaire grondslag (art. 5:42 BW) van de vordering met elkaar gediscussieerd over de vraag of de beplanting moet worden gekwalificeerd als bomen of heesters en over de afstand tot de erfgrens. Aangezien de planten sowieso teruggesnoeid moeten worden omdat er sprake is van onrechtmatige hinder, is de vraag of de planten in de ‘verboden zone’ staan niet meer relevant. Ook als de planten niet in de verboden staan, zullen zij namelijk teruggesnoeid moeten worden. 4.24. De primaire grondslag van de vordering behoeft dan ook geen bespreking meer. Om dezelfde reden wordt voorbij gegaan aan het verzoek van de gemachtigde van [gedaagden] om een nadere akte in het geding te brengen over de kadastrale erfgrens en de afstand van de beplanting tot de erfgrens. De rechtbank legt een dwangsom op 4.25. [eisers] hebben gevorderd om aan de veroordeling tot het terugsnoeien van de beplanting een dwangsom te koppelen, in die zin dat aan [gedaagden] hoofdelijk een dwangsom van € 500,- wordt opgelegd voor iedere dag of deel daarvan dat zij in strijd met de veroordeling handelen, met een maximum van € 50.000,- euro. 4.26. Tegen de oplegging van een dwangsom is door [gedaagden] geen specifiek verweer geformuleerd. 4.27. De rechtbank zal een dwangsom opleggen, maar zal deze matigen zoals vermeld in de beslissing. [gedaagden] worden in de proceskosten veroordeeld 4.28. [gedaagden] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 140,31 - griffierecht € 320,00 - salaris advocaat € 1.632,50 (2,5 punten × € 653,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.281,81 4.29. De 2,5 toegekende punten worden als volgt verdeeld: 1 punt voor de dagvaarding; 1 punt voor de mondelinge behandeling en descente gezamenlijk, omdat deze op dezelfde moment gecombineerd plaatsvond; 0,5 punt voor de akte van 3 december 2025. 4.30. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4.31. De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. 5 De beslissing De rechtbank: 5.1. veroordeelt [gedaagden] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de Turkse eiken zodanig in hoogte terug te snoeien en gesnoeid te houden dat deze niet hoger reiken dan de betonnen keerwand, 5.2. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 100,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 50.000,- is bereikt, 5.3. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.281,81, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 5.4. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.N. van Haren en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026. Dagvaarding, nr. 4, p. 4. Prod. 14 van [eisers] Prod. 14 van [eisers]