Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-20
ECLI:NL:RBOBR:2026:2690
RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 25/2632 uitspraak van de meervoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. M.H.A.J. Slaats), en de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb (gemachtigde: mr. A.F.L.B. Metz). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de omzetting van eisers aanvullende bijstandsuitkering om niet in een geldlening, de verplichting om een krediethypotheek te vestigen en de terugvordering van € 1.745,32. Eiser is het hiermee niet eens. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Svb ten onrechte de aanvullende bijstandsuitkering heeft omgezet in een geldlening . Ook heeft de Svb ten onrechte eiser verplicht mee te werken aan het vestigen van een krediethypotheek en van eiser € 1.745,32 teruggevorderd. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Procesverloop 2. De Svb heeft met het besluit van 10 september 2024 (primair besluit 1) de aanvullende inkomensondersteuning (AIO) op grond van de Participatiewet (Pw) om niet omgezet en met ingang van 1 september 2024 verstrekt in de vorm van een geldlening met de voorwaarde dat eiser meewerkt aan het vestigen van een krediethypotheek. 2.1. De Svb heeft met het besluit van 22 november 2024 (primaire besluit 2) de ten onrechte ontvangen AIO-uitkering over de maanden september 2024 en oktober 2024 tot een bedrag van € 1.745,32 van eiser teruggevorderd. 2.2. De Svb heeft met de beslissing van 9 september 2025 op de bezwaren tegen de primaire besluiten (bestreden besluit) deze besluiten gehandhaafd. 2.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Svb heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de Svb. Feiten en totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiser en zijn partner zijn in de jaren 80 van de vorige eeuw komen wonen op de standplaats aan de [adres] in [woonplaats]. Daarvoor woonden zij in een woonwagen op een andere locatie. Zij hebben op kosten van de gemeente Eindhoven de woonwagen verplaatst naar de standplaats aan de [adres] in [woonplaats]. De partner van eiser heeft met de gemeente Eindhoven een huurovereenkomst gesloten voor de standplaats met een berging. Deze berging is gebouwd door de gemeente Eindhoven en bevat sanitaire voorzieningen en bergruimte. Deze berging wordt in de stukken ook aangeduid als schuur. De gemeente heeft aan alle bewoners van de [adres] toegezegd dat zij een garage mochten bouwen op de standplaats. Daarom heeft het college aan eiser in 1989 een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een garage. In dat jaar heeft eiser deze garage gebouwd. In 2011 heeft eiser de garage voorzien van een overkapping. Deze garage met overkapping wordt in de stukken ook aangeduid als berging met overkapping/luifel. In 2017 heeft eiser de woonwagen voorzien van een bovenverdieping. 3.1. Op enig moment heeft de gemeente Eindhoven de standplaats verkocht en overgedragen aan Stichting Wooninc. (Wooninc.). Hiermee is Wooninc. de eigenaar geworden van de standplaats. 3.2. Eiser en zijn partner hebben op 29 november 2017 een AIO-uitkering aangevraagd. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de Svb uitvoerig onderzoek gedaan naar het vermogen gebonden in de woonwagen van eiser. In dit kader heeft de Svb contact opgenomen met de gemeente Eindhoven. Uit het telefoonrapport van 25 juni 2018 volgt dat bij de gemeente geen gegevens over de woonwagen meer voorhanden waren. Uit een interne notitie van 29 juni 2018 van de Svb volgt dat de Svb daarom heeft besloten om de AIO-uitkering om niet te verstrekken. De Svb heeft vervolgens met een besluit van 10 juli 2018 de AIO-uitkering om niet aan eiser en zijn partner toegekend. 3.3. De Svb is in mei 2024 een heronderzoek gestart naar de waarde van de woonwagen van eiser. In dit kader heeft de door natrekking eigenaar is van de onroerende zaken op de standplaats. De eigendom berust dus bij Wooninc. en niet bij eiser. Als gevolg hiervan heeft eiser geen procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep, omdat een succesvol beroep hem als niet-eigenaar niet in een betere positie kan brengen. Beoordeling door de rechtbank Wat beoordeelt de rechtbank? 4. De rechtbank beoordeelt of de Svb terecht, vanwege de overschrijding van de vermogensgrens, de AIO-uitkering om niet heeft ingetrokken en terecht deze uitkering in de vorm van een geldlening heeft verstrekt. Ook beoordeelt de rechtbank of de Svb aan eiser de verplichting heeft kunnen opleggen om mee te werken aan het vestigen van een krediethypotheek. Ten slotte beoordeelt de rechtbank de vraag of de Svb van eiser een bedrag van € 1.745,32 heeft kunnen terugvorderen. De rechtbank verricht deze beoordeling aan de hand van wat eiser hiertegen heeft aangevoerd (de beroepsgronden). Overschrijdt het vermogen van eiser de vermogensgrens? 5. Eiser betoogt primair dat hij niet kan beschikken over het vermogen in de woonwagen, de berging met sanitaire voorzieningen en de garage met overkapping. Niet hij maar Wooninc. is de eigenaar van deze onroerende zaken. Hij verwijst in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank van 22 december 2025. Hij huurt slechts de standplaats. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij tijdens de zitting een huurovereenkomst overgelegd. Subsidiair betoogt eiser dat de waarde van de opstallen lager moet worden vastgesteld. Hierbij moet worden uitgegaan van de hertaxatie die door de gemeente op 12 december 2024 is verricht ter voorbereiding van de 3.8 genoemde WOZ-beschikking. De waarde van de woonwagen is daarin € 50.813,- excl. BTW. De Svb gaat verder uit van een waarde van de berging met luifel van € 7.438,- excl. BTW en van de berging met sanitaire voorziening van € 2.700,- Dit vormt tezamen een waarde van € 60.951,- excl. BTW. Bovendien is volgens eiser de waarde van de berging met de luifel in de hertaxatie te hoog vastgesteld. Volgens hem is de waarde van de berging € 2.789,25 excl. BTW en van de luifel € 1.873,55 excl. BTW. Dit maakt dat de totale waarde van de opstallen € 55.475,80 excl. BTW bedraagt. 5.1. De Svb betoogt dat het weliswaar zo is dat de woonwagen en de berging met de overkapping juridisch eigendom zijn van de eigenaar van de grond, maar daarmee is niet komen vast te staan dat eiser geen vermogen heeft waarmee geen rekening moet worden gehouden bij de vaststelling van eisers recht op een AIO-uitkering. De Svb verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 juni 2014. Hieruit volgt volgens de Svb dat een eigen woonwagen wordt gezien als economisch eigendom. Bij het huren van een standplaats blijft het recht om de woonwagen te verplaatsen, verkopen of vervangen door een andere woonwagen bij de betrokkenen. Eiser heeft dan ook de vrije beschikking over de woonwagen. Dit is ook de reden waarom in 2017 eiser de woonwagen kon voorzien van een bovenverdieping. Gelet op de verbintenisrechtelijke aanspraken van eiser en zijn partner op de woonwagen, de op hen rustende risico’s (bijvoorbeeld waardeverandering) en onderhoudsverplichtingen, is de woonwagen aan te merken als een bezitting van eiser en zijn partner in de zin van de Pw. Naar het oordeel van de Svb geldt hetzelfde voor de bijgebouwen op de standplaats. Volgens de Svb is de uitspraak van de rechtbank van 22 december 2025 onjuist in die zin dat eiser wel een belang had bij het beroep tegen de vaststelling van de WOZ-waarde omdat dit gevolgen kan hebben voor zijn AIO-uitkering. Ten aanzien van de subsidiaire beroepsgrond stelt de Svb zich op het standpunt dat de Svb in beginsel kan uitgaan van de WOZ-waarde. Het ligt op de weg van eiser om deze te weerleggen met een taxatierapport opgemaakt door een erkend taxateur. Dit heeft eiser echter niet ingebracht. 5.2. Op grond van artikel 50, eerste lid, van de Pw heeft een belanghebbe De Svb stelt dat de conclusie van de CRvB in deze uitspraak geldt voor alle bijstandsgerechtigde bewoners van een woonwagen, dus ook voor eiser. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de CRvB niet zonder meer is af te leiden dat er vanuit gegaan kan worden dat een bijstandsgerechtigde die woont in een woonwagen waarvan de eigendom in goederenrechtelijke zin bij een derde ligt, in alle gevallen toch in de zin van de Pw is aan te merken als bezitter daarvan. Gezien de juridische plaats van het eigendomsrecht in het goederenrecht is de conclusie van de CRvB in deze uitspaak alleen begrijpelijk als de rechtsoverwegingen 5.2.3 en 5.2.4 in onderlinge samenhang worden gelezen. Er dient sprake te zijn van dusdanige verbintenisrechtelijke aanspraken dat de bijstandsgerechtigde toch aangemerkt kan worden als een bezitter in de zin van de Pw waarna dit bezit meetelt als vermogen. 5.4. In eisers geval moet dus beoordeeld worden in hoeverre in zijn situatie sprake is van vergelijkbare verbintenisrechtelijke aanspraken en de op hem rustende risico’s en onderhoudsverplichtingen ten aanzien van de woonwagen, berging met sanitaire voorzieningen en garage met overkapping/berging met luifel. De rechtbank stelt vast dat de Svb dit niet heeft gedaan. Hoewel de Svb zich tijdens de zitting op het standpunt stelt dat er tot de uitspraak van de rechtbank van 22 december 2025 geen aanleiding bestond om dit te onderzoeken, erkent de Svb ook dat deze beoordeling voorafgaand aan de besluitvorming niet heeft plaatsgevonden. In zoverre is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 5.5. De Svb heeft tijdens de zitting aangegeven dat het niet mogelijk is om nader onderzoek te doen. De gemeente Eindhoven en Wooninc. beschikken niet over meer informatie en stukken. Desgevraagd verzoekt de Svb om geen opdracht te geven om nader onderzoek te doen, maar een eigen oordeel te geven, als de rechtbank tot het oordeel komt dat het standpunt van de Svb onjuist is. Gezien dit verzoek, beoordeelt de rechtbank hierna per onroerende zaak in hoeverre sprake is van een vergelijkbare situatie als bedoeld in de uitspraak van de CRvB. Woonwagen 5.5.1. De rechtbank oordeelt dat ten aanzien van de woonwagen sprake is van een min of meer vergelijkbare situatie met de situatie in de uitspraak van de CRvB. Eiser verklaart immers tijdens de zitting dat hij destijds met de gemeente heeft afgesproken dat hij de woonwagen mag verplaatsen, verkopen of vervangen. Een eventuele waardevermeerdering of -vermindering komt dan ook voor zijn rekening en/of risico. Hij moet zelf de woonwagen onderhouden. Ook kan hij de woonwagen naar eigen keuze en zonder toestemming van Wooninc. aanpassen. Zo heeft hij in 2017 een bovenverdieping op de woonwagen geplaatst. In de brief van Wooninc. van 27 augustus 2024 staat ook dat de woning op deze standplaats de eigendom van eiser is. Weliswaar is deze stelling vanuit goederenrechtelijk perspectief onjuist, maar hiermee staat voor de rechtbank voldoende vast dat Wooninc. de hiervoor door eiser genoemde verbintenisrechtelijke aanspraken erkent. Gezien deze verbintenisrechtelijke aanspraken van eiser op de woonwagen en de op hem rustende risico’s en onderhoudsverplichtingen is de woonwagen aan te merken als een bezitting van eiser als bedoeld in artikel 50, tweede lid, aanhef en onder b, van de Pw. De Svb heeft daarom terecht de waarde van de woonwagen bij het vast te stellen vermogen betrokken. Berging met sanitaire voorzieningen 5.5.2. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een vergelijkbare situatie met de situatie in de uitspraak van de CRvB ten aanzien van de berging met sanitaire voorzieningen. Deze berging is door de gemeente Eindhoven gebouwd. Eiser huurt deze berging. Deze berging is ook expliciet genoemd in de titel van de huurovereenkomst, in artikel 1 lid 1 en lid 3 van de huurovereenkomst en artikel 5 lid 1 van het huurreglement standplaats met berging. Uit de huurovereenkomst volg