Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-01-20
ECLI:NL:RBOBR:2026:267
RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 25/641 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. R.J.C. Bindels), en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister (gemachtigde: mr. M. Santing). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de weigering eiser in aanmerking te brengen voor studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser, gelet op het beschikbare bewijs over de inhoud van zijn stage niet kan worden aangemerkt als migrerend werknemer. Daarom heeft eiser geen recht op studiefinanciering in de periode september 2024 tot en met december 2024. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie (niet de Nederlandse nationaliteit). Hij heeft een aanvraag studiefinanciering ingediend op grond van de Wsf 2000. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 24 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 februari 2025 heeft de minister op het bezwaar van eiser beslist en is bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt het recht op studiefinanciering in de periode van september 2024 tot en met december 2024. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 3.1. Uit de van toepassing zijnde wettelijke regels volgt dat een EU-student die op de peildatum kan worden aangemerkt als migrerend werknemer als bedoeld in artikel 45 van het VWEU , op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wsf 2000 in aanmerking kan komen voor (volledige) studiefinanciering. Rechtsvraag in dit geding 4. Tussen partijen is in geschil of de minister terecht heeft beslist dat eiser tijdens zijn stage bij [naam] niet als migrerend werknemer valt aan te merken en hij in verband daarmee in de maanden september 2024 tot en met december 2024 geen recht heeft op de door hem aangevraagde studiefinanciering. Uitgangspunten bij de beoordeling van werknemerschap en stage 5. Om als migrerend werknemer te kunnen worden aangemerkt moet sprake zijn van reële en daadwerkelijke arbeid, met uitsluiting van werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij louter marginaal en bijkomstig van aard zijn. Voor de algemene uitgangspunten voor de beoordeling van werknemerschap in de zin van artikel 45 van het VWEU, verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 april 2023 en 13 juni 2024 . Voor de uitgangspunten bij de beoordeling van activiteiten verricht in het kader van een stage, verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de CRvB van 29 februari 2024 en van 20 november 2025 . Hieruit volgt dat in het geval van een stage steeds een individuele beoordeling vereist is om te bezien of de activiteiten van de stagiair tot (migrerend) werknemerschap leiden en dat het beleid van de minister (thans: de Beleidsregel migrerend werknemerschap en studiefinanciering ) hierin geen wijziging brengt. Beoordeling door de rechtbank van de stage van eiser 6. Omdat het gaat om een aanvraagsituatie, is het aan eiser om aannemelijk te maken dat hij gedurende zijn stage bij [naam] als migrerend werknemer kon worden beschouwd. Volgens de CRvB mogen aan het bewijs hoge eisen worden gesteld. Met wat eiser naar voren heeft gebracht is voor de rechtbank niet objectief vast komen te staan dat een andere invulling aan de overeenkomst moet worden g