Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-22
ECLI:NL:RBOBR:2026:2503
RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 25/342 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen [eiser 1] , [eiser 2], [eiser 3], [eiser 4], [eiser 5], [eiser 6], [eiser 7] [eiser 8], [eiser 9], [eiser 10] [eiser 11] [eiser 12], [eiser 13] [eiser 14] allen uit [woonplaats] , hierna samen: eisers, (gemachtigde: mr. J.T.F. van Berkel), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, het college, (gemachtigden: mr. J.P.H. de Bruin en [naam] ). Procesverloop 1. Deze uitspraak gaat over een op 8 januari 2013 genomen besluit tot intrekking van de monumentale status van een pand. Eisers zijn het niet eens met dit intrekkingsbesluit en zij hebben daartegen op 15 november 2024 bezwaar gemaakt. Op 19 december 2024 heeft het college dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het buiten de bezwaartermijn was ingesteld en hiervoor geen goede redenen waren aangevoerd. 1.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers 7 en 8, de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college. Beoordeling door de rechtbank Inleiding 2. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. 2.1. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, dan kan het bestuursorgaan dit bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaren. Een niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaarschrift blijft echter achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dat staat in artikel 6:11 van de Awb. In dat geval is de termijnoverschrijding verschoonbaar. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een verschoonbare termijnoverschrijding, kan de bestuursrechter – kort gezegd – alle omstandigheden van het geval betrekken. Is het besluit op de juiste wijze bekendgemaakt? 2.2. Eisers voeren aan dat het besluit nooit op de juiste wijze bekend is gemaakt. Volgens eisers moest het besluit bekend worden gemaakt met toepassing van artikel 3:42, tweede lid, van de Awb zoals dat in 2013 luidde. Het college had volgens eisers een kennisgeving van het besluit of de zakelijke inhoud ervan moeten publiceren in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad. Het college kon niet, zoals het heeft gedaan, volstaan met het verzenden van een kennisgeving aan de zakelijk gerechtigde tot het pand (te weten: de gemeente Eindhoven). Aangezien het besluit nooit op de juiste wijze bekend is gemaakt, kan het ook niet in werking zijn getreden en is het besluit strikt genomen voortijdig ingediend. 2.3. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt hierna uit waarom dat zo is. 2.4. Een besluit waarbij een gebouw een monumentale status toegekend krijgt, is een besluit dat bekend wordt gemaakt met toepassing van artikel 3:41 van de Awb. Het besluit is namelijk gericht tot een of meer belanghebbenden, namelijk de zakelijk gerechtigden tot die zaak. Zij worden door de aanwijzing direct in hun belangen geraakt. De wetgever heeft bewust voor deze bekendmakingssystematiek gekozen door de destijds voor de Monumentenwet 1988 geldende bekendmakingsregeling te laten vervallen ten gunste van de nieuwe regeling van artikel 3:41 van de Awb. Die wetsgeschiedenis heeft weliswaar betrekking op de bekendmaking van een aanwijzingsbesluit ten aanzien van een rijksmonument, maar de rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een andere bekendmakingsregeling voor de aanwijzing – of intrekking daarvan – van gemeentelijke monumenten zoals in deze zaak. De rechtsgevolgen van een gemeentelijke aanwijzingen komen naar aard en strekking namelijk overeen met aanwijzingen van rijkswege. 2.5. Eisers hebben gewezen op een opmerking van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in de Memorie van Toelichting van de Wet elektronische publicaties. In dit Kamerstuk wordt ter gelegenheid van de wijziging van artikel 3:42 van de Awb het geldend recht door de Staatssecretaris beschreven. De Staatssecretaris stelt daarbij dat beschikkingen die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, maar die betrekking hebben op een concrete zaak en die verband houden met de eigenschappen van die zaak, bekend moeten worden gemaakt met toepassing van artikel 3:42 van de Awb. Daarbij noemt de Staatssecretaris concreet het voorbeeld van de aanwijzing van een monument. 2.6. De rechtbank laat in het midden welke betekenis naar geldend recht moet worden toegekend aan deze uitlating van de Staatssecretaris. De uitlating maakt namelijk geen onderdeel uit van de totstandkomingsgeschiedenis van de artikelen 3:41 en 3:42 van de Awb zoals deze golden ten tijde van het intrekkingsbesluit. Daarom komt deze uitlating in deze zaak in ieder geval geen bijzondere betekenis toe. De rechtbank ziet in deze enkele uitlating van de Staatssecretaris geen aanleiding om de artikelen 3:41 en 3:42 van de Awb zoals deze golden ten tijde van het intrekkingsbesluit uit te leggen op de door eisers voorgestane manier. 2.7. De conclusie is als volgt. Het intrekkingsbesluit diende niet bekend te worden gemaakt met toepassing van artikel 3:42 van de Awb. Bekendmaking moest plaatsvinden met toepassing van artikel 3:41 van de Awb door toezending van het intrekkingsbesluit. Dat is gebeurd en daarmee is het intrekkingsbesluit op de juiste wijze bekend gemaakt. Is de termijnoverschrijding verschoonbaar? 3. Eisers hebben op 17 mei 2024 kennis genomen van het feit dat het college een intrekkingsbesluit hadden genomen. Dat is als zodanig ook niet in geschil. Volgens eisers hebben zij vervolgens niet binnen zes weken bezwaar gemaakt omdat zij onvoldoende zekerheid hadden dat het besluit op de juiste wijze bekend was gemaakt. Eisers hadden namelijk al eerder hun bedenkingen geuit over de wijze van bekendmaking en het college heeft toen niet kunnen aantonen dat het besluit op de juiste wijze bekend is gemaakt. Bovendien leek het er in alles op dat het pand nog een monumentale status had, aangezien er ook na 2013 nog monumentale subsidies voor zijn verleend ten behoeve van dit pand. Eisers hadden daarom geen aanleiding om te veronderstellen dat het intrekkingsbesluit daadwerkelijk bekend was gemaakt en was geëffectueerd. Volgens eisers had het college hierin aanleiding moeten zien om het bezwaar toch ontvankelijk te verklaren. 3.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. 3.2. Als een belanghebbende pas kennis neemt van een op correcte wijze bekendgemaakt besluit als de bezwaartermijn al is verstreken en de belanghebbende ook niet eerder kennis kón nemen van het besluit, zoals in dit geval, geldt dat de belanghebbende zo spoedig mogelijk bezwaar moet indienen als redelijkerwijs kan worden verlangd. Daarvoor geldt in principe een termijn van zes weken. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan ook een later gemaakt bezwaar of ingesteld beroep als niet verwijtbaar te laat worden aangemerkt. 3.3. De rechtbank is van oordeel dat eisers in dit geval niet later dan na zes weken na zij bekend raakten met het besluit, bezwaar konden maken. Een termijn van zes weken is het uitgangspunt. Dat kan anders zijn als eisers, zoals zij aanvoeren, mochten aannemen dat het besluit nog niet bekend was gemaakt. Van eisers kan namelijk niet worden verlangd dat zij bezwaar maken tegen een besluit waarvan zij redelijkerwijs mogen aannemen dat daartegen op dat moment nog geen bezwaar kan worden gemaakt. 3.4. In deze zaak hebben eisers op 17 mei 2024 kennis genomen van het collegestandpunt dat het besluit met toepassing van artikel 3:41 van de Awb bekend was gemaakt. Het college heeft eisers dus niet op het verkeerde spoor gezet. Eisers hebben weliswaar gesteld dat de bekendmaking had moeten plaatsvinden met toepassing van artikel 3:42 van de Awb, maar zij hebben de bekendmaking als zodanig niet betwist.