Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-15
ECLI:NL:RBOBR:2026:2489
RECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: C/01/409365 / HA ZA 24-656 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , 2. [eiser 2] , beiden te [plaats] , eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [eisers] , advocaat: mr. L.H.H. Verhoeven, tegen [gedaagde] B.V. , te [plaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. J.J.G. Gipmans. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie - de (na bezwaar van [gedaagde] aangepaste) conclusie van antwoord in reconventie- de brief van de rechtbank met het bericht dat een mondelinge behandeling is bepaald - de akte eisvermeerdering en overleggen producties van [eisers] , waartegen door [gedaagde] bezwaar is gemaakt. 1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 8 december 2025. Daarbij heeft de rechtbank op het bezwaar van [gedaagde] tegen de eisvermeerdering van [eisers] beslist dat die eisvermeerdering wordt geaccepteerd, met uitzondering van het gedeelte dat ziet op de riolering. 1.3. Op de zitting van 8 december 2025 is verschenen mevrouw [eiser 2] , met haar zwager de heer [A] . Die laatste was gemachtigd om ter zitting op te treden namens de heer [eiser 1] , die als toehoorder aanwezig was. Namens [gedaagde] is verschenen de heer [B] , indirect bestuurder van [gedaagde] . De advocaten van partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgelezen. Van wat er verder op de zitting aan de orde is geweest heeft de griffier aantekeningen gemaakt. 1.4. Tenslotte is de datum van het vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eisers] en [gedaagde] hebben op 16 maart 2020 een aannemingsovereenkomst gesloten die inhield dat [gedaagde] een woning zou bouwen voor [eisers] , tegen betaling van een aanneemsom door [eisers] van € 386.553,80 inclusief btw. In juli 2020 is [gedaagde] begonnen met de uitvoering van het werk. 2.2. In de periode van juli 2020 tot maart 2021 hebben [eisers] in totaal € 353.375,75 van de aanneemsom aan [gedaagde] betaald. Betaling van het restant hebben [eisers] opgeschort omdat volgens hen sprake was van gebreken, Voorafgaand aan de oplevering van de woning hebben [eisers] de laatste 5% van de aanneemsom (€ 19.327,69) in depot gestort bij de notaris overeenkomstig artikel 7:768 lid 1 BW. 2.3. Van een meerwerkfactuur van [gedaagde] van € 12.607,17 inclusief btw (meerwerkfactuur 21-024), hebben [eisers] onder protest € 10.000,- betaald. 2.4. Op 9 september 2021 is de woning opgeleverd. [eisers] hebben daarbij een door hen opgestelde lijst met gebreken aan [gedaagde] overhandigd. [gedaagde] heeft dit 54 pagina’s tellende document ondertekend met de aantekening “ontvangen stukken niks erkend” . Partijen hebben bij de oplevering een door [gedaagde] aangeleverd “proces-verbaal van oplevering” ondertekend waarin in de ruimte die is bestemd voor het noteren van tekortkomingen enkel staat vermeld “stukken ontvangen – niks erkend” . 2.5. In opdracht van [eisers] was bij de oplevering aanwezig de heer [C] , van bouwkundig adviesbureau [D] (hierna: [D] ). [D] heeft een opleveringsrapport opgesteld, waarin is aangegeven welke gebreken zij aan de woning heeft geconstateerd. 2.6. Op 6 oktober 2021 hebben [eisers] het rapport van [D] aan [gedaagde] gestuurd en haar gesommeerd de in dat rapport genoemde gebreken uiterlijk binnen twee maanden te verhelpen. Ook hebben zij aangekondigd nog onderzoek te zullen laten doen naar lucht- en energielekkages in de woning. [eisers] hebben voor het uitvoeren van dat onderzoek opdracht gegeven aan AB Klimaatbeheersing (hierna: AB). 2.7. In een brief aan [eisers] van 28 oktober 2021 heeft [gedaagde] een reactie gegeven op de door [eisers] genoemde opleverpunten. Sommige punten zijn door haar erkend, de meeste punten zijn door haar betwist. 2.8. Op 10 december 2021 heeft [gedaagde] aan [eisers] laten weten dat nagenoeg alle problemen waren opgelost. Alleen moest nog herstelwerk plaatsvinden aan de kozijnen en de loodgieter moest nog wat werk doen. 2.9. Op 17 december 2021 hebben [eisers] aan [gedaagde] laten weten van mening te zijn dat er nog altijd veel gebreken zijn. Zij hebben ZNEB Expertise en Taxatie B.V. (hierna: ZNEB) ingeschakeld om op 7 januari 2022 de woning te bezoeken en de resterende gebreken en het door [gedaagde] herstelde werk te beoordelen. In diezelfde brief hebben [eisers] aan [gedaagde] laten weten dat uit het rapport van AB zou blijken dat sprake was van diverse luchtlekkages in de woning waardoor niet aan de gestelde eis uit de EP-berekening van 0,98 s-m2 zou worden voldaan, en dat zij ZNEB zouden vragen te beoordelen welk herstel in dat kader nodig zou zijn. 2.10. Op 7 januari 2022 heeft ZNEB onderzoek gedaan in de woning. [gedaagde] was daarbij aanwezig. 2.11. Op 21 juli 2022 hebben [eisers] het rapport van ZNEB van 11 juli 2022 aan [gedaagde] gestuurd. [eisers] hebben [gedaagde] gesommeerd binnen drie maanden de door ZNEB vastgestelde gebreken (waarvoor de herstelkosten door ZNEB waren begroot op € 41.181,- inclusief btw) te herstellen. In diezelfde brief hebben [eisers] [gedaagde] ook gesommeerd tot betaling binnen twee weken van een bedrag van € 16.587,46: - € 13.529,38 wegens 140 dagen overschrijding van de bouwtijd, - € 7.608,65 wegens te veel betaald meerwerk, - € 4.777,08 wegens het hanteren van een onjuiste peilhoogte, minus € 9.327,65 aan door hen nog niet betaalde aanneemsom. 2.12. In een brief van 19 september 2022 heeft [gedaagde] aangegeven waarom zij aan de sommaties van [eisers] geen gevolg gaf. Zij was het niet eens met de inhoud van het (eenzijdig opgestelde) rapport van ZNEB. Ook betwistte zij dat sprake was van overschrijding van de bouwtijd met 140 dagen, hield zij vast aan haar vordering ter zake van het meerwerk, en stelde zij dat een onjuiste peilhoogte voor rekening en risico komt van [eisers] . [gedaagde] stelde dat [eisers] nog € 21.934,86 aan haar verschuldigd waren, en heeft hen verzocht een overzicht van de openstaande punten te sturen, zodat zij die zou kunnen beoordelen en – voor zover terecht – zou kunnen herstellen, dan wel zelf een deskundige zou kunnen vragen die punten te beoordelen. 2.13. In opdracht van [gedaagde] heeft op 23 november 2022 [E] , werkzaam bij TOP Expertise (hierna: TOP), in de woning een onderzoek naar de vermeende gebreken uitgevoerd. [gedaagde] en [eisers] waren hierbij aanwezig. De ook ter zitting aanwezige heer [A] (zwager van mevrouw [eisers] ) heeft de onderzoeker van TOP de nog aanwezige gebreken getoond. 2.14. In een brief van 17 maart 2023 heeft [gedaagde] aangeboden de door TOP in haar rapport van 16 februari 2023 vastgestelde gebreken (waarvan TOP de herstelkosten raamde op € 20.000,- inclusief btw) te verhelpen. 2.15. In een brief van 3 april 2023 hebben [eisers] geconstateerd dat TOP in haar rapport voorbij is gegaan aan een aantal gebreken zoals die staan genoemd in het rapport van ZNEB, en dat TOP voor een aantal gebreken ook ander herstel voorstelt dan ZNEB. [eisers] hebben aangekondigd dat, nadat [gedaagde] het herstelwerk klaar zal hebben, zij AB en ZNEB, al dan niet in het bijzijn van TOP, opnieuw zullen inschakelen om het herstel te beoordelen. 2.16. In reactie hierop heeft [gedaagde] op 6 april 2023 laten weten dat de onderzoeker van TOP alle gebreken die bij het onderzoek in de woning aan hem zijn getoond in zijn rapport heeft genoteerd en behandeld, en dat de andere punten die eerder nog door ZNEB werden genoemd op dat moment kennelijk niet (meer) aanwezig waren. 2.17. In de week van 21 mei 2023 heeft [gedaagde] herstelwerkzaamheden uitgevoerd in de woning van [eisers] . 2.18. Op 8 juni 2023 heeft [gedaagde] aan [eisers] laten weten dat op twee punten na al het herstelwerk klaar was, en dat het spotrepair zou worden uitgevoerd op 26 juni 2023. [gedaagde] kon, gelet op nog een paar geringe openstaande punten, akkoord gaan met een depot van € 1.500,-, maar sommeerde [eisers] tot betaling van het overigens nog openstaande bedrag van € 20.434,86. 2.19. Op 19 juni 2023 hebben [eisers] aan [gedaagde] laten weten welk toegezegd herstel volgens hen niet, of niet deugdelijk is uitgevoerd, terwijl er volgens hen bovendien gebreken waren die [gedaagde] helemaal niet heeft erkend en (dus) ook niet heeft hersteld. [eisers] hebben hun vertrouwen in [gedaagde] opgezegd en aangekondigd een deskundige te zullen inschakelen om de resterende gebreken in een rapport vast te leggen en de resterende herstelkosten te begroten, die [eisers] op [gedaagde] zullen verhalen. 2.20. Op 20 juli 2023 heeft ZNEB in opdracht van [eisers] opnieuw onderzoek gedaan, in aanwezigheid van [gedaagde] . 2.21. Op 15 januari 2024 heeft AB in opdracht van [eisers] opnieuw onderzoek gedaan naar luchtlekkages in de woning. 2.22. Met een brief van 11 juli 2024 hebben [eisers] het (tweede) rapport van ZNEB van 27 mei 2024 aan [gedaagde] gestuurd, en gesteld dat nog steeds sprake is van diverse gebreken aan de woning, waarvoor de herstelkosten door ZNEB zijn begroot op € 36.689,22. [eisers] hebben [gedaagde] gesommeerd € 42.817,38 aan hen te betalen, mede rekening houdend met de bedragen genoemd in de sommatie van 21 juli 2022 (zie hiervoor onder ro. 2.11) en een bedrag aan deskundigenkosten van € 8.868,39. 2.23. Op 15 oktober 2024 hebben [eisers] een dagvaarding uitgebracht. 3 Het geschil in conventie 3.1. [eisers] c.s. vorderen, na het wijzigen van hun eis (voor zover door de rechtbank toegelaten), in conventie – samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: (1) [gedaagde] te veroordelen om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 26.740,28 (€ 35.400,98 minus € 8.660,70 voor de riolering), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2021, althans een latere datum, tot aan de dag waarop volledig zal zijn betaald, (2) te verklaren voor recht dat het door [eisers] bij de notaris in depot gestelde bedrag van € 19.327,69 door de notaris aan [eisers] dient te worden terugbetaald, (3) [gedaagde] te veroordelen om binnen twee weken na de datum van het vonnis aan [eisers] de bouw-/werktekeningen van de woning te verstrekken, waaronder in ieder geval de tekeningen van de fundering en de opbouw van de woning, de installatietekeningen en de plattegrond/tekeningen van de plaatsing van de heipalen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag(deel) dat [gedaagde] met de voldoening in gebreke blijft, (4) [gedaagde] te veroordelen om aan [eisers] te vergoeden de gemaakte buitengerechtelijke deskundigenkosten à € 9.412,89, en de gemaakte buitengerechtelijke incassokosten à € 1.259,28, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarden, tot aan de dag waarop volledig zal zijn betaald, (5) [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure en in de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente als [gedaagde] deze niet binnen veertien dagen na de datum van het vonnis zal hebben betaald. 3.2. [eisers] leggen aan hun vorderingen (1) en (2) kort gezegd ten grondslag: dat [gedaagde] het aangenomen werk niet deugdelijk heeft uitgevoerd, ook niet na sommaties van [eisers] , in verband waarmee [eisers] op grond van artikel 6:87 BW aanspraak kunnen maken op een bedrag van (€ 36.689,22 + € 166,91=) € 36.856,13 aan vervangende schadevergoeding voor het laten uitvoeren van het benodigde herstelwerk door een ander dan [gedaagde] ; dat [gedaagde] de overeengekomen bouwtijd heeft overschreden met 7 dagen in verband waarmee [eisers] op grond van de overeenkomst recht hebben op een vergoeding van € 676,47 (7 x 0,25‰ x de aanneemsom € 386.553,80), dat [gedaagde] bij de bouw van de woning een onjuist bouwpeil heeft aangehouden waardoor [eisers] schade lijden, waarvoor zij (op grond van artikel 6:74 BW) recht hebben op een aanvullende schadevergoeding van € 4.777,08, dat [eisers] een bedrag van € 7.608,65 te veel hebben betaald voor beweerdelijk meerwerk, welk bedrag zij van [gedaagde] terugvorderen wegens onverschuldigde betaling (op grond van artikel 6:203 BW), dat [eisers] daarom per saldo (rekening houdend met het door [eisers] nog niet betaalde deel van de aanneemsom) een bedrag van [gedaagde] te vorderen hebben van (€ 36.856,13 + € 676,47 + € 4.777,08 + € 7.608,55 - € 23.178,05 =) € 26.740,28, en dat het door [eisers] bij de notaris in depot gestorte bedrag aan [eisers] dient toe te komen. 3.3. Deze stellingen van [eisers] , en wat zij aan hun overige vorderingen ten grondslag hebben gelegd zal, voor zover nodig, bij de beoordeling nader aan de orde komen. 3.4. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] c.s. in de kosten van deze procedure. Op wat [gedaagde] aanvoert ter onderbouwing van haar verweer wordt, voor zover nodig, bij de beoordeling nader ingegaan. in reconventie 3.5. [gedaagde] vordert in reconventie – samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: ( a) te verklaren voor recht dat het door [eisers] bij de notaris in depot gestelde bedrag van € 19.327,69 aan [gedaagde] toekomt en door de notaris aan [gedaagde] dient te worden uitbetaald, ( b) [eisers] hoofdelijk te veroordelen om aan [gedaagde] te voldoen een bedrag van € 5.779,79, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 januari 2025 tot aan de dag waarop volledig zal zijn betaald, ( c) [eisers] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente als [eisers] deze niet binnen veertien dagen na de datum van het vonnis zullen hebben betaald. 3.6. [gedaagde] legt aan deze vorderingen kort gezegd ten grondslag dat zij op grond van wat partijen zijn overeengekomen nog € 25.107,48 van [eisers] te vorderen heeft, te weten: € 23.178,05 (restant aanneemsom) plus € 2.606,17 (onbetaald meerwerk) minus € 676,74 (boete wegens overschrijden van de bouwtijd). [gedaagde] stelt dat daarom het bij de notaris in depot gestelde bedrag van € 19.327,69 haar toekomt en dat [eisers] daarbij nog € 5.779,79 aan haar verschuldigd zijn. 3.7. [eisers] c.s. voeren gemotiveerd verweer. [eisers] c.s. concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure. 3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling In conventie Vervangende schadevergoeding 4.1. [eisers] stellen recht te hebben op een bedrag van € 36.856,13 aan vervangende schadevergoeding, ter dekking van de kosten die gemoeid zijn met het herstellen van gebreken aan de woning. 4.2. Uit artikel 6:87 BW volgt dat wanneer [gedaagde] als aannemer gebrekkig werk heeft geleverd, en daarmee een of meer verbintenissen uit de gesloten overeenkomst toerekenbaar niet is nagekomen, en wanneer [gedaagde] ook na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, die gebreken niet deugdelijk heeft hersteld, of te kennen heeft gegeven die gebreken niet te zullen herstellen, [eisers] als opdrachtgever (na het geven van een omzettingsverklaring als bedoeld in artikel 6:87 BW) recht hebben op vervangende schadevergoeding, dat wil zeggen een vergoeding van de kosten die gemoeid zijn met het herstel van de gebreken door een ander dan [gedaagde] . 4.3. Anders dan [gedaagde] bepleit, staat het inroepen door [eisers] van het boetebeding wegens overschrijding van de bouwtijd niet in de weg aan een vordering tot vervangende schadevergoeding. Het beroep dat [gedaagde] in dit verband doet op artikel 6:92 lid 2 BW gaat niet op, aangezien het boetebeding alleen ziet op overschrijding van de overeengekomen bouwtijd, terwijl vervangende schadevergoeding wordt gevraagd wegens het afleveren van ondeugdelijk werk. 4.4. De vordering tot vervangende schadevergoeding van [eisers] zal niettemin worden afgewezen, omdat niet aan de stelplicht is voldaan. De rechtbank zal dat hier toelichten. 4.5. De partij die zich op een bepaald rechtsgevolg wil beroepen, dient voldoende feiten te stellen die dat rechtsgevolg kunnen dragen. Om voor vervangende schadevergoeding in aanmerking te komen, moet onder meer worden gesteld en onderbouwd dat er gebreken zijn, wat die gebreken inhouden en dat die gebreken een gevolg zijn van het niet nakomen van een verbintenis uit de overeenkomst. Dit laatste is nodig omdat niet elk gebrek aan het werk zonder meer een toerekenbare tekortkoming oplevert als bedoeld in artikel 6:74 BW, maar dat onder meer afhangt van de inhoud van de verbintenis waartoe de wederpartij zich in de overeenkomst heeft verbonden. Verder moet ten aanzien van elk van de tekortkomingen worden gesteld en onderbouwd dat aan het verzuimvereiste is voldaan. 4.6. Bij het voorgaande geldt als vereiste dat de stellingen waarmee een partij haar vorderingen onderbouwt helder en toetsbaar moeten zijn. Producties kunnen worden overgelegd ter onderbouwing van die stellingen, maar niet ter vervanging daarvan. De partij die stukken overlegt zal op een begrijpelijke wijze moeten aanduiden welke delen daarvan relevant zijn voor de verschillende vorderingen. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze moet doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en naar welke feiten daarbij verwezen wordt, en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren (zie Hoge Raad 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404 onder rov. 3.3.2). 4.7. Aan de hiervoor onder ro. 4.5 en 4.6 aan de stelplicht te stellen eisen is hier naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. 4.8. In de inleidende dagvaarding hebben [eisers] – na een beschrijving van hoe de tamelijk uitvoerige buitengerechtelijke correspondentie met [gedaagde] over beweerdelijke gebreken is verlopen, welke onderzoeken in de loop der tijd zijn gedaan en welke sommaties zijn verstuurd – hun vordering tot vervangende schadevergoeding als volgt onderbouwd: III. Juridische grondslag van de vordering A. De overeenkomst van aanneming van werk 21. Partijen zijn met elkaar een overeenkomst van aanneming van werk aangegaan. [gedaagde] heeft zich namelijk verbonden om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard, meer specifiek een woning voor [eisers] te realiseren en op te leveren, tegen een door [eisers] te betalen aanneemsom. De artikelen 7:750 e.v. BW zijn van toepassing. B. Tekortkomingen van [gedaagde] 22. Op grond van de overeenkomst van aanneming van werk was [gedaagde] gehouden de woning naar de eisen van goed en deugdelijk werk op te leveren. De deskundigenrapporten van [D] , ZNEB, AB Klimaatbeheersing en Top Expertise tonen evenwel aan dat [gedaagde] de werkzaamheden ondeugdelijk en niet naar maatstaven van goed vakmanschap heeft uitgevoerd. Resumerend is [gedaagde] toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst (art. 6:74 BW). C. Verzuim 23. [gedaagde] heeft geen deugdelijk gevolg gegeven aan de sommatie van 6 oktober 2021 om binnen twee maanden de door [D] vastgestelde opleveringspunten te verhelpen (productie 9) als gevolg waarvan zij vanaf 6 december 2021 in verzuim verkeert. [gedaagde] heeft voorts geen deugdelijk gevolg gegeven aan de sommatie van 21 juli 2022 om de door ZNEB vastgestelde gebreken binnen drie maanden te verhelpen (productie 15), als gevolg waarvan zij vanaf 21 oktober 2022 in verzuim verkeert. Voorts mocht [eisers] uit de mededeling van [gedaagde] van 28 oktober 2021 (productie 11) en 20 april 2023 (productie 22) afleiden dat [gedaagde] in de nakoming van haar verbintenis volgend uit de aannemingsovereenkomst zou tekortschieten, daar zij slechts bereid was enkele gebreken te verhelpen, welke gebreken zij overigens niet deugdelijk heeft hersteld. Gelet daarop is het verzuim ook op 28 oktober 2021 en 20 april 2023 ingetreden zonder ingebrekestelling (cf. art. 6:83 sub c BW). 24. [gedaagde] heeft evenmin gevolg gegeven aan de sommatie van 11 juli 2024 (productie 24) om onder meer de herstelkosten op uiterlijk 25 juli 2024 te vergoeden. D. De vorderingen Vervangende schadevergoeding 25. Aangezien [eisers] geen vertrouwen meer heeft in het werk van [gedaagde] en [gedaagde] inmiddels meer dan voldoende kansen heeft gehad om haar werkzaamheden te herstellen maar niet voor (deugdelijk) herstel heeft zorg gedragen, vordert [eisers] niet langer nakoming van de aannemingsovereenkomst, maar vervangende schadevergoeding overeenkomstig artikel 6:87 BW. [eisers] vordert derhalve een vervangende schadevergoeding ter hoogte van de door ZNEB begrote herstelkosten van € 36.689,22 incl. BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 28 oktober 2021, althans 6 december 2021, althans 21 oktober 2022, althans 20 april 2023, althans 25 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. 4.9. In de dagvaarding staan de gebreken waarop [eisers] zich beroepen niet vermeld, en staat (dus) ook niet ten aanzien van die gebreken toegelicht waarom deze een toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] opleveren. [eisers] hebben volstaan met in randnummer 22 van de dagvaarding in algemene zin te verwijzen naar de door hen overgelegde rapporten van [D] , ZNEB, AB en TOP. Deze rapporten zouden volgens hen aantonen dat [gedaagde] geen deugdelijk werk heeft geleverd. [eisers] hebben echter niet aangegeven op welke onderdelen van de verschillende rapporten zij zich precies beroepen. Met het enkel overleggen van die rapporten hebben [eisers] niet duidelijk gemaakt op welke gebreken c.q. tekortkomingen zij hun vordering tot vervangende schadevergoeding feitelijk baseren. De rapporten, die gezamenlijk meer dan 300 pagina’s beslaan, zijn allemaal verschillend van inhoud en opzet, en vermelden ieder allerhande technische kenmerken en onvolkomenheden zonder dat daarbij steeds duidelijk is wat daarover in de overeenkomst is bepaald. Onder de door [eisers] genoemde rapporten is het rapport van TOP, dat in opdracht van [gedaagde] is opgesteld en dat volgens [eisers] niet spoort met de rapporten van ZNEB, waarop zij zich eveneens beroepen, zonder dat zij voor wat betreft de verschillende tekortkomingen duidelijk maken hoe die rapporten zich tot elkaar verhouden. Verder geldt dat tussen het moment van de oplevering en de datum van het laatste rapport een periode zit van ongeveer 2,5 jaar waarin [gedaagde] herstelwerk heeft verricht. Onduidelijk is in hoeverre [eisers] zich nog beroepen op gebreken genoemd in de eerdere rapporten. [eisers] hebben bovendien naast de vijf rapporten waarnaar zij verwijzen ook een door henzelf opgestelde lijst van gebreken overgelegd die (inclusief fotomateriaal) 55 pagina’s beslaat en waarvan uit de dagvaarding niet blijkt in hoeverre zij zich daarop ook nog altijd beroepen, en hoe die lijst zich dan weer verhoudt tot de verschillende rapporten. 4.10. Ook voor wat betreft het ingetreden verzuim hebben [eisers] in de dagvaarding geen duidelijke stellingen ingenomen. In randnummer 23 noemen zij vier data waarop het verzuim van [gedaagde] zou zijn ingetreden, zonder daarbij aan te geven op welke tekortkomingen de verschillende data betrekking hebben, en of de door hen genoemde data al dan niet een subsidiair of meer subsidiair karakter hebben. Voor wat betreft de hoogte van de gevorderde schadevergoeding hebben [eisers] in nummer 25 van de dagvaarding volstaan met te verwijzen naar het tweede rapport van ZNEB van 27 mei 2024. Dit 37 pagina’s tellende rapport (exclusief bijlagen) bevat 48 schadeposten. De kosten van herstel of aanpassing staan daarbij vermeld, maar in het rapport staat niet toegelicht waarom [gedaagde] voor die kosten aansprakelijk is. 4.11. Door de gekozen opzet van de dagvaarding is niet helder wat [eisers] aan hun vordering ten grondslag leggen. [gedaagde] heeft in haar conclusie van antwoord uitvoerig verweer gevoerd en is daarbij uitgegaan van de schadeposten genoemd in het tweede rapport van ZNEB. [gedaagde] heeft alle 48 posten afzonderlijk besproken en zich er daarbij onder meer op beroepen: (-) dat bij bepaalde punten geen sprake is van een gebrek en/of dat die punten geen onderdeel waren van de overeenkomst, en dus geen tekortkoming opleveren, (-) dat sommige gebreken geen gevolg waren van het door haar uitgevoerde werk, (-) dat sommige gebreken niet zichtbaar waren en bij oplevering niet zijn gemeld zodat [gedaagde] daarvoor niet kan worden aangesproken, (-) dat sommige gebreken zijn hersteld, (-) dat van sommige gebreken [eisers] niet toeliet dat [gedaagde] ze zou herstellen, en (-) dat bij sommige punten geen sprake is van schade, dan wel dat deze schade te hoog is begroot, of althans een onderbouwing daarvoor ontbreekt. De advocaat van [eisers] heeft bij de mondelinge behandeling aan de hand van uitvoerige spreekaantekeningen de verweren van [gedaagde] tegen deze 48 posten besproken en daarbij ter onderbouwing van de vordering van [eisers] een aantal nieuwe stellingen ingenomen. Op vragen van de rechtbank naar een onderbouwing heeft de advocaat van [eisers] daarbij verwezen naar andere rapporten dan het tweede rapport van ZNEB, waar [gedaagde] vanuit is gegaan. [gedaagde] heeft ter zitting hierop zo goed als mogelijk gereageerd, maar een deugdelijk debat over de vordering van [eisers] heeft op deze wijze niet kunnen plaatsvinden. 4.12. Al met al concludeert de rechtbank dat [eisers] van de dagvaarding een zoekplaatje hebben gemaakt waarbij de rechtbank, en ook [gedaagde] , zelf in de stukken op zoek moeten gaan naar wat [eisers] aan hun vordering tot vervangende schadevergoeding ten grondslag leggen en naar de feitelijke onderbouwing daarvan. In de dagvaarding ontbreekt bovendien een juridische inkadering van de stellingen. Dit is in strijd met de eisen van een behoorlijke rechtspleging. Dat de dagvaarding omvangrijk zou zijn geworden als alle stellingen daarin waren opgenomen en uitgewerkt, zoals de advocaat van [eisers] bij de mondelinge behandeling heeft aangevoerd, vormt daarvoor geen rechtvaardiging. Daarbij merkt de rechtbank op dat [eisers] voor een feitelijke onderbouwing van hun stellingen wel degelijk ook naar stukken hadden kunnen verwijzen, als zij dat op een begrijpelijke wijze hadden gedaan. Door de gekozen te beperkte opzet van de dagvaarding, hebben [eisers] niet voldaan aan de hiervoor onder ro. 4.5 en 4.6 aan de stelplicht te stellen eisen, en kan hun vordering tot vervangende schadevergoeding niet worden toegewezen. Aan een verdere inhoudelijke beoordeling wordt niet toegekomen. Overschrijding bouwtijd 4.13. [eisers] stellen dat [gedaagde] de overeengekomen bouwtijd heeft overschreden met 7 dagen in verband waarmee [eisers] op grond van de overeenkomst recht hebben op een vergoeding van € 676,47 (7 x 0,25‰ x de aanneemsom € 386.553,80). 4.14. [gedaagde] betwist niet dat hij de bouwtijd met 7 dagen heeft overschreden en daarvoor een contractuele boete verschuldigd is. [gedaagde] voert enkel ter verweer aan dat een contractuele boete en een vervangende schadevergoeding niet naast elkaar verschuldigd kunnen zijn. Zoals de rechtbank echter hiervoor onder ro. 4.3 al heeft overwogen, gaat het beroep van [gedaagde] op artikel 6:92 lid 2 BW niet op. [eisers] hebben dan ook recht op betaling door [gedaagde] van de vergoeding van € 676,47. Onjuist bouwpeil gehanteerd 4.15. [eisers] vorderen een aanvullende schadevergoeding van € 4.777,08 omdat [gedaagde] een onjuist bouwpeil heeft gehanteerd waardoor zij schade lijden. [eisers] stellen dat volgens de vergunning een bouwpeil moest worden aangehouden van 27 centimeter boven de as van de weg, maar dat [gedaagde] een 10,9 centimeter hoger bouwpeil heeft aangehouden. Dit terwijl [gedaagde] aanwezig was toen het bouwpeil door de gemeente werd aangewezen. Volgens [eisers] levert dit te hoog bouwen een toerekenbare tekortkoming op van [gedaagde] omdat een gemaakte afspraak – om te bouwen volgens de vergunning – niet is nagekomen. [eisers] stellen hierdoor schade te lijden, omdat zij een keerwand die al was voorzien aan de linkerzijde van het perceel hoger hebben moeten uitvoeren, en omdat zij aan de rechterzijde van het perceel, waar geen keerwand was voorzien, nu toch een keerwand moesten uitvoeren. Bovendien moest extra zand worden aangevuld. De extra kosten bedragen volgens [eisers] € 4.777,08 inclusief btw. 4.16. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] betwist niet dat zij een bouwpeil heeft gehanteerd dat 10,9 centimeter ligt boven het in de vergunning aangegeven peil. Volgens [gedaagde] levert dit echter geen tekortkoming op omdat het te hoge peil geen technisch gebrek is, zoals niet alleen door TOP is gerapporteerd, maar ook door de door [eisers] ingeschakelde onderzoeker van ZNEB. Het te hoge peil levert volgens [gedaagde] ook geen schade op voor [eisers] . 4.17. De rechtbank stelt vast dat TOP en ZNEB beide hebben aangegeven dat het te hoge bouwpeil geen technisch gebrek oplevert. Daargelaten of het niettemin een tekortkoming oplevert – omdat het zoals [eisers] stellen in strijd is met de gemaakte afspraak om te bouwen volgens de vergunning – is de rechtbank van oordeel dat [eisers] onvoldoende hebben onderbouwd dat dit te hoge bouwpeil leidt tot de door hen gestelde schade. Zoals [gedaagde] aanvoert, heeft TOP gerapporteerd dat er sowieso betonnen keerwanden moesten worden geplaatst en heeft ZNEB in verband met het hogere bouwpeil ook niet gerept over schade. In reactie op dit verweer van [gedaagde] hebben [eisers] het causaal verband tussen het hogere bouwpeil en de gestelde schade niet nader onderbouwd. Bij de mondelinge behandeling hebben zij erkend dat de door hen ingeschakelde deskundige ZNEB hier geen probleem zag. [eisers] zijn ter zitting ingegaan op het ongemak dat zij ondervinden van de helling naar de woning (in verband met rolstoelgebruik) maar zij hebben geen vordering ingediend die daarmee samenhangt. De vordering van € 4.777,08 wegens een onjuist bouwpeil kan daarom niet worden toegewezen Te veel betaald voor beweerdelijk meerwerk 4.18. [eisers] vorderen een bedrag van € 7.608,65 dat zij naar eigen zeggen onverschuldigd hebben betaald voor beweerdelijk meerwerk. 4.19. De meerwerkfactuur 21-024 van [gedaagde] bedroeg € 12.607,17 inclusief btw, waarvan [eisers] een bedrag van € 10.000,- hebben voldaan. Volgens [eisers] waren zij slechts € 2.391,35 aan meerwerk verschuldigd, en hebben zij dus € 7.608,65 teveel betaald. De door [eisers] betwiste onderdelen van de meerwerkfactuur 21-024 van [gedaagde] zullen hierna worden besproken. 4 heipalen 4.20. De factuur 21-024 omvat een bedrag van € 2.000,- voor 4 heipalen. 4.21. [eisers] menen dit bedrag niet verschuldigd te zijn, omdat de heipalen onderdeel uitmaakten van de aannemingsovereenkomst en zijn gefactureerd met factuur 20-063, die zij hebben voldaan. Die factuur 20-063 was hoger dan de stelpost, zodat zij mochten verwachten dat daarmee alle geplaatste heipalen in rekening waren gebracht, aldus [eisers] . 4.22. [gedaagde] voert ter verweer aan dat de als meerwerk gefactureerde 4 heipalen zijn gebruikt ten behoeve van een schuur naast de woning, die [eisers] later zelf hebben gebouwd. In de offerte was volgens [gedaagde] alleen voorzien in boorpalen ter fundering van de woning. De factuur 20-063 was een reguliere termijnfactuur, die zag alleen op de heipalen voor de woning en niet (tevens) op de heipalen voor de schuur, die [gedaagde] op verzoek van [eisers] heeft aangebracht. 4.23. De rechtbank overweegt dat uit de aannemingsovereenkomst niet blijkt dat de 4 heipalen voor de schuur onderdeel uitmaakten van het aangenomen werk. Op de offerte stond slechts vermeld “plaatsen van boorpalen”. Aangezien die offerte zag op het realiseren van een woonhuis en niet tevens op het bouwen van een schuur, was er voor [eisers] geen reden om aan te nemen dat de plaatsing van de heipalen voor de schuur hierin was begrepen. [eisers] hebben moeten begrijpen dat hun verzoek om ook voor de schuur heipalen te plaatsen tot meerkosten zou leiden. Op de reguliere termijnfactuur 20-063 staat slechts vermeld “gereedheid heipalen” als ijkmoment voor verschuldigdheid van de vierde termijn van 5% van de aanneemsom (artikel 3 lid 1 onder B4 van de aannemingsovereenkomst). Hieruit blijkt niet dat in dat termijnbedrag ook de heipalen voor de schuur zijn inbegrepen. De 4 heipalen leveren dan ook meerwerk op waarvoor [eisers] het in factuur 21-024 opgenomen bedrag verschuldigd waren. Brievenbus / meterkast 4.24. De factuur 21-024 omvat meerprijsbedragen van € 275,- voor de brievenbus, en € 225,- voor de meterkast. 4.25. [eisers] menen deze bedragen niet verschuldigd te zijn omdat de brievenbus en de meterkast in de aanneemsom waren begrepen. 4.26. [gedaagde] voert ter verweer aan dat [eisers] niet een standaard brievenbus wilden, zoals op de bouwtekening aangegeven, en een standaard meterkast, maar dat zij [gedaagde] hebben gevraagd een natuurstenen plaat met briefsleuf in de gevel te realiseren, en een meterkast op maat te maken. [eisers] hadden moeten begrijpen dat dit tot meerkosten zou leiden, aldus [gedaagde] . 4.27. De rechtbank overweegt dat het aanbrengen van een brievenbus en een meterkast onderdeel uitmaakte van de aannemingsovereenkomst, zoals [gedaagde] ook wel erkent. De rechtbank begrijpt dat een aanpassing heeft plaatsgevonden voor wat betreft de wijze van uitvoering van die brievenbus en meterkast. Voor zover dat meerwerk opleverde, had [gedaagde] dat naar het oordeel van de rechtbank vooraf aan [eisers] moeten melden. Dat een dergelijke melding is gedaan, is niet gesteld of gebleken. Voor [eisers] behoefde dan ook niet zonder meer duidelijk te zijn wat de meerkosten hiervoor zouden bedragen en zij zijn die meerkosten daarom niet aan [gedaagde] verschuldigd. Geleverde kit 4.28. De factuur 21-024 omvat een bedrag van € 114,20 voor geleverde kit. 4.29. [eisers] menen dat zij dit bedrag niet hoeven te betalen omdat het kitwerk, wat nu eenmaal nodig is bij de realisatie van een woning, in de aanneemsom was begrepen. 4.30. [gedaagde] voert ter verweer aan dat de geleverde kit geen onderdeel uitmaakte van de aannemingsovereenkomst, en dat [eisers] de kit zelf hebben gekocht bij één van de leveranciers van [gedaagde] , waarbij het artikel op de rekening van [gedaagde] is gezet. [gedaagde] heeft het bedrag daarom als meerwerk in rekening gebracht. 4.31. De rechtbank stelt vast dat van de zijde van [eisers] geen reactie is gegeven op het verweer van [gedaagde] . Dit komt voor rekening van [eisers] , en de rechtbank ziet dan ook geen grond om te oordelen dat het bedrag geen meerwerk oplevert en onverschuldigd is betaald. Overkapping en carport 4.32. De factuur 21-024 omvat een bedrag van € 5.000,- aan meerprijs van de overkapping en carport. 4.33. [eisers] menen dat zij dit bedrag niet hoeven betalen omdat de overkapping en de carport onderdeel uitmaakten van de aannemingsovereenkomst. Volgens hen blijkt dit uit het feit dat deze waren ingetekend op de bouwtekeningen die onderdeel uitmaken van de vergunning waar de aannemingsovereenkomst op is gebaseerd (overgelegd als productie 26), en uit het feit dat op de offerte stond vermeld dat op het platte dak van de overkapping en de veranda – die dus door [gedaagde] gerealiseerd zouden worden – EPDM geplaatst zou worden (met de veranda is hier volgens [eisers] gedoeld op de carport). 4.34. [gedaagde] betwist dat een overkapping en carport onderdeel uitmaakten van de aannemingsovereenkomst. [gedaagde] betwist niet dat er een tekening is waarop de overkapping en carport zijn ingetekend, maar volgens [gedaagde] vonden [eisers] de geoffreerde prijs voor de woning inclusief overkapping en carport initieel te duur, waarna is besloten deze niet mee te nemen en uit te voeren. De overkapping en carport zijn vervolgens uit de offerte gehaald, maar [gedaagde] stelt daarbij te zijn vergeten ook bij de vermelding van dakplaten de verwijzing naar de overkapping en carport weg te halen. Nadat [gedaagde] met de uitvoering van het werk was begonnen, wilden [eisers] bij nader inzien toch dat [gedaagde] ook een overkapping en carport zou realiseren. Om te onderbouwen dat het meerwerk betreft heeft [gedaagde] e-mails overgelegd (producties 15 en 16) waaruit blijkt dat na het sluiten van de aannemingsovereenkomst uitvoerig over de wijze uitvoering van de overkapping is gecorrespondeerd. 4.35. De rechtbank overweegt dat uit de bouwtekeningen en de offerte waarop [eisers] zich beroepen niet blijkt dat de bouw van een overkapping en carport onderdeel uitmaakten van het aangenomen werk: (-) Ook indien het juist is, zoals [eisers] stellen maar niet onderbouwen, dat op basis van de als productie 26 overgelegde bouwtekeningen een bouwvergunning is afgegeven voor de bouw van het woonhuis inclusief overkapping en carport, betekent dit nog niet noodzakelijkerwijs dat ook de aannemingsovereenkomst met [gedaagde] ziet op de bouw van het woonhuis mét overkapping en carport. Uit de aannemingsovereenkomst zoals die is overgelegd blijkt niet dat deze bouwtekeningen de basis vormden voor de opdracht. In de aanhef van de aannemingsovereenkomst (onder 1.) staat het aangenomen werk daarentegen omschreven als de bouw van “de opstal(len) zoals die is/zijn aangegeven op de bij deze overeenkomst behorende situatietekening”. Dat op die situatietekening – die niet is overgelegd – ook de overkapping en de carport stonden ingetekend, is niet gesteld of onderbouwd. (-) In de door partijen ondertekende offerte staat puntsgewijs vermeld welke werkzaamheden de offerte omvat en de daarbij benodigde materialen. Daarbij staat onder meer: “plaatsen van de dakplaten met hierop stalen dakplaten met felsrand en op het platdak van de overkapping en veranda EPDM” . Deze verwijzing naar de voor de overkapping en carport te gebruiken dakbedekking vormt op zichzelf onvoldoende onderbouwing voor de stelling van [eisers] dat de volledige bouw van de overkapping en carport ook onderdeel uitmaakten van het aangenomen werk. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat iedere andere vermelding van de overkapping en carport in de offerte of de aannemingsovereenkomst ontbreekt. 4.36. De rechtbank is van oordeel dat de uitvoering van de overkapping en de carport meerwerk opleverde, waarvan [eisers] moesten begrijpen dat dit tot meerkosten zou leiden. Van onverschuldigde betaling is dan ook geen sprake geweest. Traphek en zolder aftimmeren 4.37. De factuur 21-024 omvat een bedrag van € 125,- voor het traphek en een bedrag van € 1.135,- voor het aftimmeren van de zolder. 4.38. [eisers] erkennen dat deze posten meerwerk betreffen en zijn akkoord met het gefactureerde bedrag voor het traphek. Volgens [eisers] zijn zij evenwel met [gedaagde] voor het aftimmeren van de zolder een meerprijs van € 850,- inclusief btw overeengekomen, en niet een bedrag van € 1.135,- exclusief btw. 4.39. [gedaagde] betwist dat partijen de door [eisers] gestelde prijsafspraak over het aftimmeren van de zolder hebben gemaakt. Volgens haar zou het werk op regiebasis worden uitgevoerd, wat heeft geresulteerd in de redelijke prijs van € 1.135,- exclusief btw. 4.40. De rechtbank stelt vast dat [eisers] hun stelling, dat een vaste prijs van € 850,- inclusief btw zou zijn overeengekomen, niet hebben onderbouwd, en dat zij het verweer van [gedaagde] dat regiebasis was afgesproken, niet gemotiveerd hebben betwist. [eisers] zijn daarom voor dit meerwerk de door [gedaagde] in rekening gebrachte prijs verschuldigd. Meerprijs binnendeuren 4.41. De factuur 21-024 omvat een bedrag van € 252,- aan meerprijs voor de binnendeuren. 4.42. [eisers] stellen dat initieel schuifdeuren zouden worden geplaatst, maar dat op advies van [gedaagde] later is gekozen voor (goedkopere) draaideuren, en dat bovendien een staallookdeur tussen de keuken en de hal is komen te vervallen. Volgens [eisers] kan dan ook geen sprake zijn van een meerprijs, maar moet eigenlijk sprake zijn van een minderprijs. 4.43. [gedaagde] voert ter verweer aan dat de binnendeuren (draaideuren) geen onderdeel waren van de aannemingsovereenkomst. Zij stelt dat zij na het sluiten van de overeenkomst op verzoek van [eisers] die deuren heeft aangeschaft en aangebracht, en dat [eisers] hebben moeten begrijpen dat dit meerkosten zou meebrengen. Van het vervallen van een staallookdeur tussen de keuken en de hal is volgens [gedaagde] geen sprake geweest. 4.44. De rechtbank is van oordeel dat het verweer van [gedaagde] niet slaagt, reeds omdat in de offerte uitdrukkelijk stond vermeld dat het aanbrengen van binnendeuren onderdeel vormde van het aangenomen werk: “Plaatsen van binnendeur kozijnen met binnendeuren” . Voor het factureren van een meerprijs voor de aangebrachte draaideuren ontbreekt een deugdelijke grondslag en [eisers] zijn die meerprijs dan ook niet verschuldigd. Aluminium boeiboorden 4.45. De factuur 21-024 omvat een bedrag van € 1.500,- voor aluminium boeiboorden. 4.46. [eisers] is het niet eens met dit bedrag maar is niettemin bereid om dit aan [gedaagde] te voldoen. Dit bedrag vormt dan ook geen onderwerp van geschil. Vlizotrap (minderprijs) 4.47. De factuur omvat een bedrag van -/- € 207,05 aan minderprijs voor de vlizotrap. 4.48. [eisers] menen dat dit bedrag geen redelijke minderprijs is, omdat met de vlizotrap die zij uiteindelijk hebben laten plaatsen een bedrag van € 424,90 inclusief btw was gemoeid. Een factuur hebben zij overgelegd als bijlage 1 bij hun productie 5. 4.49. [gedaagde] stelt dat conform de aannemingsovereenkomst een vlizotrap zou worden aangebracht van € 632,40. Later kozen [eisers] ervoor een goedkopere trap van € 424,90 te laten plaatsen. [gedaagde] stelt het prijsverschil als minderwerk te hebben verrekend. 4.50. De rechtbank begrijpt uit wat partijen over de vlizotrap naar voren brengen dat in de aanneemsom daarvoor een bedrag van € 632,40 was opgenomen, maar dat [eisers] uiteindelijk zelf een goedkopere trap hebben aangeschaft. Onder die omstandigheden had [gedaagde] het bedrag van € 632,40 als minderprijs moeten opnemen, en niet het prijsverschil tussen de geoffreerde en de geplaatste vlizotrap. Anders dan in de meerwerkfactuur tot uitgangspunt is genomen, bedraagt dat prijsverschil overigens (€ 632,40 - € 424,90 =) € 207,50 en geen € 207,05. [gedaagde] heeft dus (€ 632,40 - € 207,05 =) € 425,35 te weinig in mindering gebracht, op welk bedrag [eisers] aanspraak kunnen maken. Conclusie vorderingen (1) en (2) 4.51. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van [eisers] ter zake van vervangende schadevergoeding (€ 36.856,13) en een te hoog bouwpeil (€ 4.777,08) niet toewijsbaar zijn. Ook volgt daaruit dat [gedaagde] weliswaar een bedrag van € 1.177,35 exclusief btw te veel aan meerwerk heeft gefactureerd – voor de brievenbus (€ 275,-), de meterkast (€ 225,-), de binnendeuren (€ 252,-) en de vlizotrap (€ 425,35) – maar dat het meerwerk per saldo toch meer bedraagt dan het bedrag van € 10.000,- dat [eisers] daarvoor hebben betaald, namelijk (€ 12.607,17 - € 1.424,59 =) € 11.182,58 inclusief btw, zodat er geen vordering is uit hoofde van onverschuldigde betaling. 4.52. Toewijsbaar is de gevorderde vergoeding wegens overschrijding van de bouwtijd (€ 676,47). Rekening houdend met het door [eisers] nog niet betaalde deel van de aanneemsom (€ 23.178,05) betekent dit echter dat [eisers] per saldo niets te vorderen hebben van [gedaagde] . 4.53. De vorderingen (1) en (2) moeten daarom worden afgewezen. Verstrekken van de bouw- en werktekeningen 4.54. [eisers] vorderen sub (3) om [gedaagde] ertoe te veroordelen aan hen te verstrekken de bouw-/werktekeningen van de woning, waaronder in ieder geval de tekeningen van de fundering en de opbouw van de woning, de installatietekeningen en de plattegrond dan wel tekeningen van de plaatsing van de heipalen, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom. 4.55. [eisers] voeren ter onderbouwing aan dat zij ondanks meerdere verzoeken die zij deden, de tekeningen van de woning nog altijd niet hebben ontvangen, en dat zij die alsnog willen ontvangen. Volgens hen is het gebruikelijk dat bij de realisatie van een woning de bestektekeningen, waaronder de constructietekeningen, werktekeningen, installatietekeningen etc. aan de opdrachtgever worden verstrekt. 4.56. [gedaagde] voert ter verweer aan dat een deugdelijke juridische grondslag voor deze vordering ontbreekt. Zij betwist dat het gebruikelijk is dat bestektekeningen etc. aan de opdrachtgever worden verstrekt. Bovendien, zo voert zij aan, is onduidelijk welke tekeningen [eisers] nu precies willen ontvangen, zodat toewijzing van de vordering tot executieproblemen zal leiden. Een beroep van [eisers] op artikel 7:757a BW kan volgens [gedaagde] niet slagen omdat die bepaling pas ná het sluiten van de aannemingsovereenkomst van kracht is geworden en blijkens het overgangsrecht niet met terugwerkende kracht geldt. 4.57. De rechtbank overweegt dat het [eisers] met hun vordering (3) aanvankelijk vooral te doen was om de tekeningen van de staalconstructie van de woning, die in opdracht van [gedaagde] door [F] is vervaardigd. Dat blijkt uit nr.33 van de dagvaarding en het petitum, waarin alleen die tekeningen van de staalconstructie uitdrukkelijk worden genoemd. Partijen zijn het er inmiddels over eens dat [eisers] zich voor het verkrijgen van die tekeningen moet wenden tot [F] . In zoverre is hier geen sprake meer van een geschil waarop de rechtbank moet beslissen. Bij akte hebben [eisers] hun vordering (3) aangepast tot hoe die nu luidt, waarbij [eisers] hebben aangegeven welke andere tekeningen dan die van de staalconstructie zij in ieder geval van [gedaagde] zouden willen ontvangen. 4.58. De rechtbank onderkent dat [eisers] , als opdrachtgevers van de bouw en eigenaren van de woning, er nu of in de toekomst mogelijk belang bij kunnen hebben om te beschikken over de bedoelde tekeningen. De rechtbank ziet evenwel niet in op welke juridische grond [gedaagde] verplicht is die tekeningen aan hen beschikbaar te stellen. In de aannemingsovereenkomst is die verplichting niet opgenomen en zoals [gedaagde] met recht opmerkt, kunnen [eisers] niet met succes een beroep doen op het pas per 13 februari 2024 in werking getreden artikel 7:757a BW. Of het voorheen al gebruikelijk was om bij oplevering de tekeningen te verstrekken (wat [eisers] niet onderbouwen en [gedaagde] betwist) acht de rechtbank niet van belang: het bestaan van een gebruik levert op zichzelf nog geen juridische verplichting op. De vordering (3) van [eisers] moet daarom worden afgewezen. Buitengerechtelijke deskundigenkosten en incassokosten 4.59. [eisers] vorderen sub (4) om [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van de door hen buiten rechte gemaakte deskundigenkosten en incassokosten. 4.60. [eisers] vorderen op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW de kosten die zij hebben gemaakt voor het inschakelen van ZNEB en AB (totaal: € 9.412,89). Zij vorderen op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW de kosten die zij hebben gemaakt voor het inschakelen van rechtsbijstand (€ 1.259,28 conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten). 4.61. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer. 4.62. De rechtbank oordeelt dat nu de vorderingen (1), (2) en (3) van [eisers] niet kunnen worden toegewezen, ook vordering (4) van [eisers] niet toewijsbaar is. Een grondslag ontbreekt om [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van in artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW bedoelde buitengerechtelijke kosten. In reconventie Restant aanneemsom, onbetaald meerwerk en boete wegens bouwtijdoverschrijding 4.63. [gedaagde] stelt dat [eisers] op grond van wat partijen zijn overeengekomen nog € 25.107,48 aan haar verschuldigd zijn, te weten: € 23.178,05 (restant aanneemsom) plus € 2.606,17 (onbetaald meerwerk) minus € 676,74 (boete wegens overschrijden van de bouwtijd). 4.64. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [eisers] nog een bedrag van € 23.178,05 aan aanneemsom niet hebben voldaan en aan [gedaagde] verschuldigd zijn. Ook zijn partijen het erover eens dat [gedaagde] een bedrag van € 676,74 aan boete wegens overschrijding van de bouwtijd aan [eisers] verschuldigd is. 4.65. De rechtbank overweegt dat uit de hiervoor onder ro.