Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2026-02-24
ECLI:NL:RBOBR:2026:2342
Civiel recht
Mondelinge uitspraak
3,576 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:2342 text/xml public 2026-05-13T14:44:23 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-02-24 11979679 Uitspraak Mondelinge uitspraak Proces-verbaal Tussenbeschikking NL Eindhoven Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2342 text/html public 2026-05-13T14:42:09 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2342 Rechtbank Oost-Brabant , 24-02-2026 / 11979679 Ontslag op staande voet. Mondeling vonnis, bewijsopdracht. Werknemer is op staande voet ontslagen, omdat hij zich ziek heeft gemeld, welke ziekmelding door werkgever niet is geaccepteerd. De bijzondere feitelijke omstandigheden zijn voor de kantonrechter aanleiding om werknemer met het bewijs van zijn stelling, dat hij ziek was, te belasten. RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Eindhoven Zaaknummer: 11979679 \ EJ VERZ 25-666 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 24 februari 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. H.J.A. Jansen, tegen [verweerder] h.o.d.n. [handelsnaam verweerder] , zaakdoende te [plaats] , verweerder, hierna te noemen: [verweerder] , gemachtigde: mr. A.A.M. Knol. De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Eindhoven . De zaak wordt behandeld door mr. J.T.G. Roovers, kantonrechter, bijgestaan door mr. W.J. van Westering-Theuws als griffier. Aanwezig zijn: namens verzoeker: -de heer [verzoeker] ; -mr. H.J.A. Jansen, gemachtigde; namens verweerder: -de heer [verweerder] ; -mr. A.A.M. Knol. Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. 1 De beoordeling 1.1. [verzoeker] heeft aangevoerd dat het aan hem gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, omdat de door [verweerder] genoemde grond een ontslag op staande voet niet kan dragen. [verzoeker] stelt daartoe dat hij op staande voet is ontslagen omdat hij zich ziek heeft gemeld, welke ziekmelding door [verweerder] niet is geaccepteerd. Het is echter niet aan [verweerder] om te oordelen over een ziekmelding van een werknemer, maar een oordeel over de arbeids(on)geschiktheid van een werknemer is voorbehouden aan de bedrijfsarts, aldus [verzoeker] . 1.2. Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden bestaat, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. 1.3. [verweerder] heeft aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd dat [verzoeker] , anders dan hij heeft gemeld, op 25 oktober 2025 in werkelijkheid niet ziek was. In het licht van de tussen [verweerder] en [verzoeker] op die dag gewisselde Whatsapp berichten moet dit zo worden verstaan dat [verzoeker] daarin aankondigde niet op het werk te willen verschijnen, waarop vervolgens het ontslag op staande voet is gegeven omdat [verweerder] van oordeel was dat [verzoeker] niet mocht weigeren het werk te verrichten. De kantonrechter is met [verweerder] van oordeel dat een dergelijk werkverzuim, zou komen vast te staan dat ziekte daarvoor niet de echte reden is geweest, in dit geval een dringende reden oplevert voor ontslag op staande voet mede vanwege de gebeurtenissen in de voorafgaande avond/nacht. Daarmee staat de vraag centraal of [verzoeker] op 25 oktober 2025 daadwerkelijk ziek was. In beginsel rust de bewijslast met betrekking tot de door [verweerder] voor het ontslag op staande voet aangevoerde dringende reden, daarin bestaande dat [verzoeker] niet ziek was en zonder geldige reden van zijn werk is weggebleven, op [verweerder] . Feitelijke omstandigheden kunnen en mogen echter aanleiding zijn om [verzoeker] met het bewijs van zijn stelling, dat hij ziek was, te belasten. Van dergelijke omstandigheden is hier sprake. Vast staat dat [verzoeker] zaterdagochtend 25 oktober 2025 in ieder geval tot 04.00 uur in het café van [verweerder] aanwezig was en dat hij vele alcoholische consumpties heeft gedronken, terwijl hij wist dat hij de volgende dag in datzelfde café moest werken. [verzoeker] heeft dit op zitting erkend en dit volgt ook uit de verklaringen van collega’s die [verweerder] in het geding heeft gebracht. Volgens de verklaringen van de collega’s was [verzoeker] tot minimaal 04.30 uur in het café, was hij stomdronken en heeft hij tegen collega’s gezegd dat hij na zijn vertrek uit het café niet naar huis was gegaan maar nog was gaan ‘afteren’ op een ander feest. [verzoeker] betwist dat hij nog is gaan ‘afteren’ op een ander feest, maar hij erkent wel dat hij mogelijk een glaasje te veel op had. Vervolgens heeft hij zich bij whatsapp-bericht van 11.22 uur, dus ongeveer 7,5 uur later, ziekgemeld. Onder die omstandigheden is het begrijpelijk en ook gerechtvaardigd dat [verweerder] de ziekmelding van [verzoeker] wantrouwt en bestaat er daarom aanleiding om [verzoeker] te belasten met het bewijs van zijn stelling dat hij ziek was op zaterdag 25 oktober 2025. 1.4. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 2 De beslissing De kantonrechter 2.1. draagt [verzoeker] op te bewijzen dat hij ziek was op zaterdag 25 oktober 2025, 2.2. bepaalt dat [verzoeker] zich op uiterlijk dinsdag 17 maart 2026 zal uitlaten of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel, 2.3. bepaalt dat, als [verzoeker] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen, 2.4. bepaalt dat, als [verzoeker] getuigen wil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden april tot en met september dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald, 2.5. bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. J.T.G. Roovers, in het gerechtsgebouw te Eindhoven , Stadhuisplein 4, 2.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen, 2.7. houdt iedere verdere beslissing aan. Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter. mr. J.T.G. Roovers is buiten staat dit proces-verbaal in persoon te ondertekenen NJ 1983/355, NJ 1986/764
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:2342 text/xml public 2026-05-13T14:44:23 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-02-24 11979679 Uitspraak Mondelinge uitspraak Proces-verbaal Tussenbeschikking NL Eindhoven Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2342 text/html public 2026-05-13T14:42:09 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2342 Rechtbank Oost-Brabant , 24-02-2026 / 11979679 Ontslag op staande voet. Mondeling vonnis, bewijsopdracht. Werknemer is op staande voet ontslagen, omdat hij zich ziek heeft gemeld, welke ziekmelding door werkgever niet is geaccepteerd. De bijzondere feitelijke omstandigheden zijn voor de kantonrechter aanleiding om werknemer met het bewijs van zijn stelling, dat hij ziek was, te belasten. RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Eindhoven Zaaknummer: 11979679 \ EJ VERZ 25-666 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 24 februari 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. H.J.A. Jansen, tegen [verweerder] h.o.d.n. [handelsnaam verweerder] , zaakdoende te [plaats] , verweerder, hierna te noemen: [verweerder] , gemachtigde: mr. A.A.M. Knol. De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Eindhoven . De zaak wordt behandeld door mr. J.T.G. Roovers, kantonrechter, bijgestaan door mr. W.J. van Westering-Theuws als griffier. Aanwezig zijn: namens verzoeker: -de heer [verzoeker] ; -mr. H.J.A. Jansen, gemachtigde; namens verweerder: -de heer [verweerder] ; -mr. A.A.M. Knol. Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. 1 De beoordeling 1.1. [verzoeker] heeft aangevoerd dat het aan hem gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, omdat de door [verweerder] genoemde grond een ontslag op staande voet niet kan dragen. [verzoeker] stelt daartoe dat hij op staande voet is ontslagen omdat hij zich ziek heeft gemeld, welke ziekmelding door [verweerder] niet is geaccepteerd. Het is echter niet aan [verweerder] om te oordelen over een ziekmelding van een werknemer, maar een oordeel over de arbeids(on)geschiktheid van een werknemer is voorbehouden aan de bedrijfsarts, aldus [verzoeker] . 1.2. Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden bestaat, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. 1.3. [verweerder] heeft aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd dat [verzoeker] , anders dan hij heeft gemeld, op 25 oktober 2025 in werkelijkheid niet ziek was. In het licht van de tussen [verweerder] en [verzoeker] op die dag gewisselde Whatsapp berichten moet dit zo worden verstaan dat [verzoeker] daarin aankondigde niet op het werk te willen verschijnen, waarop vervolgens het ontslag op staande voet is gegeven omdat [verweerder] van oordeel was dat [verzoeker] niet mocht weigeren het werk te verrichten. De kantonrechter is met [verweerder] van oordeel dat een dergelijk werkverzuim, zou komen vast te staan dat ziekte daarvoor niet de echte reden is geweest, in dit geval een dringende reden oplevert voor ontslag op staande voet mede vanwege de gebeurtenissen in de voorafgaande avond/nacht. Daarmee staat de vraag centraal of [verzoeker] op 25 oktober 2025 daadwerkelijk ziek was. In beginsel rust de bewijslast met betrekking tot de door [verweerder] voor het ontslag op staande voet aangevoerde dringende reden, daarin bestaande dat [verzoeker] niet ziek was en zonder geldige reden van zijn werk is weggebleven, op [verweerder] . Feitelijke omstandigheden kunnen en mogen echter aanleiding zijn om [verzoeker] met het bewijs van zijn stelling, dat hij ziek was, te belasten. Van dergelijke omstandigheden is hier sprake. Vast staat dat [verzoeker] zaterdagochtend 25 oktober 2025 in ieder geval tot 04.00 uur in het café van [verweerder] aanwezig was en dat hij vele alcoholische consumpties heeft gedronken, terwijl hij wist dat hij de volgende dag in datzelfde café moest werken. [verzoeker] heeft dit op zitting erkend en dit volgt ook uit de verklaringen van collega’s die [verweerder] in het geding heeft gebracht. Volgens de verklaringen van de collega’s was [verzoeker] tot minimaal 04.30 uur in het café, was hij stomdronken en heeft hij tegen collega’s gezegd dat hij na zijn vertrek uit het café niet naar huis was gegaan maar nog was gaan ‘afteren’ op een ander feest. [verzoeker] betwist dat hij nog is gaan ‘afteren’ op een ander feest, maar hij erkent wel dat hij mogelijk een glaasje te veel op had. Vervolgens heeft hij zich bij whatsapp-bericht van 11.22 uur, dus ongeveer 7,5 uur later, ziekgemeld. Onder die omstandigheden is het begrijpelijk en ook gerechtvaardigd dat [verweerder] de ziekmelding van [verzoeker] wantrouwt en bestaat er daarom aanleiding om [verzoeker] te belasten met het bewijs van zijn stelling dat hij ziek was op zaterdag 25 oktober 2025. 1.4. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 2 De beslissing De kantonrechter 2.1. draagt [verzoeker] op te bewijzen dat hij ziek was op zaterdag 25 oktober 2025, 2.2. bepaalt dat [verzoeker] zich op uiterlijk dinsdag 17 maart 2026 zal uitlaten of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel, 2.3. bepaalt dat, als [verzoeker] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen, 2.4. bepaalt dat, als [verzoeker] getuigen wil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden april tot en met september dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald, 2.5. bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. J.T.G. Roovers, in het gerechtsgebouw te Eindhoven , Stadhuisplein 4, 2.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen, 2.7. houdt iedere verdere beslissing aan. Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter. mr. J.T.G. Roovers is buiten staat dit proces-verbaal in persoon te ondertekenen NJ 1983/355, NJ 1986/764