Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2026-04-09
ECLI:NL:RBOBR:2026:2324
Civiel recht
Bodemzaak
12,115 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:2324 text/xml public 2026-05-13T10:44:23 2026-04-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-09 11670695_E09042026 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2324 text/html public 2026-05-13T10:40:21 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2324 Rechtbank Oost-Brabant , 09-04-2026 / 11670695_E09042026 Contractsovername? Non-conform granieten aanrechtblad in keuken? Kleurverschil? RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: 11670695 CV EXPL 25-2294 Vonnis van 9 april 2026 in de zaak van: [eiser] , wonend in [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. L. van Meeteren, tegen [gedaagde] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats] , kantoorhoudend in [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: R.A. Le Loux. 1 Het verloop van de procedure 1.1. Het dossier van de kantonrechter bevat deze processtukken: - de dagvaarding van 22 april 2025 van [eiser] met 12 bijlagen, - de conclusie van antwoord van 10 juli 2025 van [gedaagde] met 4 bijlagen, - de aanvullende bijlagen 13, 14 en 15 van [eiser] , ontvangen op 13 februari 2026. 1.2. Op 25 februari 2026 heeft de kantonrechter de zaak tijdens een mondelinge behandeling met de aanwezigen besproken. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Aan het eind van de mondelinge behandeling is bepaald dat op 9 april 2026 schriftelijk uitspraak wordt gedaan. 2 De kern van deze zaak 2.1. [eiser] heeft op 21 december 2023 met [gedaagde] een overeenkomst gesloten voor de levering en plaatsing van een granieten aanrechtblad met de naam “Ghibli”. Volgens [eiser] is vervolgens op 20 februari 2024 een aanrechtblad in zijn keuken gemonteerd dat niet de juiste/afgesproken kleur heeft. Hij heeft namelijk een aanrechtblad met een duidelijk gele uitstraling besteld, terwijl het geplaatste aanrechtblad roze-/grijsachtig van kleur is. De geleverde kleur wijkt extreem af van het voorbeeld dat hij destijds in de showroom van [gedaagde] heeft gezien. Daarom vordert [eiser] in deze procedure onder meer terugbetaling van de koopsom, demontage en afvoer van het aanrechtblad, en betaling van alle (eventuele) schade die daaruit voortvloeit. [gedaagde] is het daarmee niet eens. In de eerste plaats niet omdat [eiser] de verkeerde partij heeft gedagvaard. [eiser] moet namelijk bij StoneCenter EU BV zijn, want er is met ingang van 1 januari 2024 sprake van een geldige contractsovername. In de tweede plaats verweert [gedaagde] zich op inhoudelijke gronden, vooral door aan te voeren dat het gaat om een natuursteenproduct, dat dit elk unieke producten zijn, en dat deze producten daarom vrijwel altijd afwijken in kleur. 2.2. De kantonrechter is van oordeel dat beide verweren van [gedaagde] niet kunnen slagen. [gedaagde] is nog steeds de contractspartij tot wie [eiser] zich moet wenden. Er is in dit geval sprake van een te groot kleurverschil en dat valt niet meer onder de norm wat een koper redelijkerwijs mag verwachten. Dat heeft tot gevolg dat de vordering van [eiser] wordt toegewezen. Dit wordt hierna stapsgewijs uitgelegd. 3 De beoordeling Contractsovername 3.1. Aan contractsoverneming zijn in de wet eisen gesteld. Om te beginnen is vereist dat een daartoe strekkende akte tussen de overdragende partij ( [gedaagde] ) en de overnemende partij (StoneCenter EU BV) wordt gemaakt. Daarnaast is vereist dat de andere partij ( [eiser] ) meewerkt aan de overdracht van de rechtsverhouding. Deze medewerking is vormvrij en kan daarom in elke vorm worden verleend. Zo kan de medewerking uit een geschrift blijken of besloten liggen in gedragingen van de andere partij. De medewerking kan dus ook mondeling of stilzwijgend geschieden. 3.2. Tussen [eiser] en [gedaagde] staat niet ter discussie dat [gedaagde] op 1 januari 2024 bij een daartoe strekkende akte aan StoneCenter EU BV alle activa en passiva, en dus ook haar rechtsverhoudingen met betrekking tot de lopende contracten, heeft overgedragen. [eiser] en [gedaagde] verschillen echter wel van mening over de vraag of [eiser] heeft meegewerkt aan de overdracht van de rechtsverhouding tussen hem en [gedaagde] naar StoneCenter EU BV, en daarmee ook over de vraag of die rechtsverhouding daadwerkelijk is overgegaan naar StoneCenter EU BV. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] stilzwijgend ingestemd met de contractsovername, wat [eiser] heeft betwist. 3.3. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat het bij het sluiten van de overeenkomst op 21 december 2023 voor [eiser] helder was dat hij een overeenkomst aanging met StoneCenter EU BV. Volgens [gedaagde] is dit toen mondeling besproken en blijkt dit ook uit de aanhef van de daarna verstrekte verkooporder. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling niet goed helder kunnen maken wat hij met deze verklaring precies heeft willen zeggen. Als de kantonrechter de verklaring beziet in samenhang met de stellingen die zijn opgenomen in de conclusie van antwoord en met de opmerking van [gedaagde] dat zij vooruit heeft willen lopen op de naderende contractsovername , dan begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde] niet heeft bedoeld te stellen dat [eiser] op 21 december 2023 rechtstreeks met StoneCenter EU BV heeft gecontracteerd. Zou [gedaagde] dit laatste wel bedoeld hebben, dan is dit niet te rijmen met haar beroep op contractsovername. [eiser] heeft betwist dat het door [gedaagde] verklaarde mondeling is besproken. Hij is niet op enige wijze geïnformeerd over de overdracht. [eiser] ging ervan uit dat StoneCenter een handelsnaam van [gedaagde] was, meer niet. Hij heeft dus een overeenkomst gesloten met [gedaagde] en geen akkoord gegeven of meegewerkt aan overdracht hiervan aan StoneCenter EU BV. 3.4. In deze zaak is sprake van een contractuele relatie tussen een handelaar ( [gedaagde] /StoneCenter) en een particulier/consument ( [eiser] ). De kantonrechter is van oordeel dat in die situatie niet snel mag worden aangenomen dat de andere partij ( [eiser] ) medewerking heeft verleend aan de overdracht van de rechtsverhouding zoals hiervoor bij 3.1 is beschreven. De kantonrechter vindt dat bij een consument pas uitgegaan mag worden van medewerking als kan worden vastgesteld dat (A) de consument voorafgaand aan het vragen (of aannemen) van medewerking voldoende is geïnformeerd over de overname van de rechtsverhouding, en (B) voldoende gelegenheid heeft gehad om zich te beraden over de overnemende partij (StoneCenter EU BV) en de (mogelijke) gevolgen van de overdracht van de rechtsverhouding aan die partij. De gedachte achter deze laatste voorwaarde is dat de consument daadwerkelijk in staat moet zijn geweest om een concreet beeld te krijgen van die overnemende partij (StoneCenter EU BV) om zo te kunnen bepalen of zij voldoende vertrouwen erin heeft dat die partij de verbintenissen kan nakomen die oorspronkelijk waren aangegaan door de overdragende partij. Of voldoende informatie is verstrekt en of de consument voldoende gelegenheid heeft gehad om zich te beraden, hangt af van de omstandigheden van het geval. 3.5. In dit geval moet naar het oordeel van de kantonrechter in voldoende mate vast staan dat aan [eiser] ten minste duidelijk informatie is verstrekt per welke datum welke rechtspersoon de overeenkomst zal overnemen. Ook mag in een situatie als deze worden verwacht dat aan [eiser] informatie wordt verschaft over de gevolgen van de afspraken die [gedaagde] en StoneCenter EU BV hebben gemaakt over zijn overeenkomst, met name over (het doen en eventueel overdragen van) de aanbetaling, per wanneer en waarnaartoe de resterende betaling moet worden overgemaakt, hoe en wanneer de overeenkomst zal worden uitgevoerd door StoneCenter EU BV. Verder mag worden verwacht dat [eiser] wordt geïnformeerd over de ervaring die StoneCenter EU BV heeft als contractant in de branche waarin ook [gedaagde] actief is. Dit alles geldt temeer omdat de overeenkomst met [eiser] zeer kort voor 1 januari 2024 is gesloten.
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:2324 text/xml public 2026-05-13T10:44:23 2026-04-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-09 11670695_E09042026 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2324 text/html public 2026-05-13T10:40:21 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2324 Rechtbank Oost-Brabant , 09-04-2026 / 11670695_E09042026 Contractsovername? Non-conform granieten aanrechtblad in keuken? Kleurverschil? RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: 11670695 CV EXPL 25-2294 Vonnis van 9 april 2026 in de zaak van: [eiser] , wonend in [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. L. van Meeteren, tegen [gedaagde] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats] , kantoorhoudend in [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: R.A. Le Loux. 1 Het verloop van de procedure 1.1. Het dossier van de kantonrechter bevat deze processtukken: - de dagvaarding van 22 april 2025 van [eiser] met 12 bijlagen, - de conclusie van antwoord van 10 juli 2025 van [gedaagde] met 4 bijlagen, - de aanvullende bijlagen 13, 14 en 15 van [eiser] , ontvangen op 13 februari 2026. 1.2. Op 25 februari 2026 heeft de kantonrechter de zaak tijdens een mondelinge behandeling met de aanwezigen besproken. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Aan het eind van de mondelinge behandeling is bepaald dat op 9 april 2026 schriftelijk uitspraak wordt gedaan. 2 De kern van deze zaak 2.1. [eiser] heeft op 21 december 2023 met [gedaagde] een overeenkomst gesloten voor de levering en plaatsing van een granieten aanrechtblad met de naam “Ghibli”. Volgens [eiser] is vervolgens op 20 februari 2024 een aanrechtblad in zijn keuken gemonteerd dat niet de juiste/afgesproken kleur heeft. Hij heeft namelijk een aanrechtblad met een duidelijk gele uitstraling besteld, terwijl het geplaatste aanrechtblad roze-/grijsachtig van kleur is. De geleverde kleur wijkt extreem af van het voorbeeld dat hij destijds in de showroom van [gedaagde] heeft gezien. Daarom vordert [eiser] in deze procedure onder meer terugbetaling van de koopsom, demontage en afvoer van het aanrechtblad, en betaling van alle (eventuele) schade die daaruit voortvloeit. [gedaagde] is het daarmee niet eens. In de eerste plaats niet omdat [eiser] de verkeerde partij heeft gedagvaard. [eiser] moet namelijk bij StoneCenter EU BV zijn, want er is met ingang van 1 januari 2024 sprake van een geldige contractsovername. In de tweede plaats verweert [gedaagde] zich op inhoudelijke gronden, vooral door aan te voeren dat het gaat om een natuursteenproduct, dat dit elk unieke producten zijn, en dat deze producten daarom vrijwel altijd afwijken in kleur. 2.2. De kantonrechter is van oordeel dat beide verweren van [gedaagde] niet kunnen slagen. [gedaagde] is nog steeds de contractspartij tot wie [eiser] zich moet wenden. Er is in dit geval sprake van een te groot kleurverschil en dat valt niet meer onder de norm wat een koper redelijkerwijs mag verwachten. Dat heeft tot gevolg dat de vordering van [eiser] wordt toegewezen. Dit wordt hierna stapsgewijs uitgelegd. 3 De beoordeling Contractsovername 3.1. Aan contractsoverneming zijn in de wet eisen gesteld. Om te beginnen is vereist dat een daartoe strekkende akte tussen de overdragende partij ( [gedaagde] ) en de overnemende partij (StoneCenter EU BV) wordt gemaakt. Daarnaast is vereist dat de andere partij ( [eiser] ) meewerkt aan de overdracht van de rechtsverhouding. Deze medewerking is vormvrij en kan daarom in elke vorm worden verleend. Zo kan de medewerking uit een geschrift blijken of besloten liggen in gedragingen van de andere partij. De medewerking kan dus ook mondeling of stilzwijgend geschieden. 3.2. Tussen [eiser] en [gedaagde] staat niet ter discussie dat [gedaagde] op 1 januari 2024 bij een daartoe strekkende akte aan StoneCenter EU BV alle activa en passiva, en dus ook haar rechtsverhoudingen met betrekking tot de lopende contracten, heeft overgedragen. [eiser] en [gedaagde] verschillen echter wel van mening over de vraag of [eiser] heeft meegewerkt aan de overdracht van de rechtsverhouding tussen hem en [gedaagde] naar StoneCenter EU BV, en daarmee ook over de vraag of die rechtsverhouding daadwerkelijk is overgegaan naar StoneCenter EU BV. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] stilzwijgend ingestemd met de contractsovername, wat [eiser] heeft betwist. 3.3. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat het bij het sluiten van de overeenkomst op 21 december 2023 voor [eiser] helder was dat hij een overeenkomst aanging met StoneCenter EU BV. Volgens [gedaagde] is dit toen mondeling besproken en blijkt dit ook uit de aanhef van de daarna verstrekte verkooporder. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling niet goed helder kunnen maken wat hij met deze verklaring precies heeft willen zeggen. Als de kantonrechter de verklaring beziet in samenhang met de stellingen die zijn opgenomen in de conclusie van antwoord en met de opmerking van [gedaagde] dat zij vooruit heeft willen lopen op de naderende contractsovername , dan begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde] niet heeft bedoeld te stellen dat [eiser] op 21 december 2023 rechtstreeks met StoneCenter EU BV heeft gecontracteerd. Zou [gedaagde] dit laatste wel bedoeld hebben, dan is dit niet te rijmen met haar beroep op contractsovername. [eiser] heeft betwist dat het door [gedaagde] verklaarde mondeling is besproken. Hij is niet op enige wijze geïnformeerd over de overdracht. [eiser] ging ervan uit dat StoneCenter een handelsnaam van [gedaagde] was, meer niet. Hij heeft dus een overeenkomst gesloten met [gedaagde] en geen akkoord gegeven of meegewerkt aan overdracht hiervan aan StoneCenter EU BV. 3.4. In deze zaak is sprake van een contractuele relatie tussen een handelaar ( [gedaagde] /StoneCenter) en een particulier/consument ( [eiser] ). De kantonrechter is van oordeel dat in die situatie niet snel mag worden aangenomen dat de andere partij ( [eiser] ) medewerking heeft verleend aan de overdracht van de rechtsverhouding zoals hiervoor bij 3.1 is beschreven. De kantonrechter vindt dat bij een consument pas uitgegaan mag worden van medewerking als kan worden vastgesteld dat (A) de consument voorafgaand aan het vragen (of aannemen) van medewerking voldoende is geïnformeerd over de overname van de rechtsverhouding, en (B) voldoende gelegenheid heeft gehad om zich te beraden over de overnemende partij (StoneCenter EU BV) en de (mogelijke) gevolgen van de overdracht van de rechtsverhouding aan die partij. De gedachte achter deze laatste voorwaarde is dat de consument daadwerkelijk in staat moet zijn geweest om een concreet beeld te krijgen van die overnemende partij (StoneCenter EU BV) om zo te kunnen bepalen of zij voldoende vertrouwen erin heeft dat die partij de verbintenissen kan nakomen die oorspronkelijk waren aangegaan door de overdragende partij. Of voldoende informatie is verstrekt en of de consument voldoende gelegenheid heeft gehad om zich te beraden, hangt af van de omstandigheden van het geval. 3.5. In dit geval moet naar het oordeel van de kantonrechter in voldoende mate vast staan dat aan [eiser] ten minste duidelijk informatie is verstrekt per welke datum welke rechtspersoon de overeenkomst zal overnemen. Ook mag in een situatie als deze worden verwacht dat aan [eiser] informatie wordt verschaft over de gevolgen van de afspraken die [gedaagde] en StoneCenter EU BV hebben gemaakt over zijn overeenkomst, met name over (het doen en eventueel overdragen van) de aanbetaling, per wanneer en waarnaartoe de resterende betaling moet worden overgemaakt, hoe en wanneer de overeenkomst zal worden uitgevoerd door StoneCenter EU BV. Verder mag worden verwacht dat [eiser] wordt geïnformeerd over de ervaring die StoneCenter EU BV heeft als contractant in de branche waarin ook [gedaagde] actief is. Dit alles geldt temeer omdat de overeenkomst met [eiser] zeer kort voor 1 januari 2024 is gesloten.
Volledig
Dan mag [eiser] als een consument al helemaal verwachten dat hem in heldere, expliciete bewoordingen tekst en uitleg wordt gegeven over de aanstaande veranderingen die zijn overeenkomst raken. 3.6. Vast staat dat er geen schriftelijke mededeling is geweest over een (aanstaande) contractsovername. Dat [gedaagde] tijdens het sluiten van de overeenkomst op 21 december 2023 mondeling met [eiser] over contractsovername heeft gesproken, is door [eiser] betwist en door [gedaagde] niet verder onderbouwd. Van de juistheid van die mededeling kan de kantonrechter dus niet uitgaan. 3.7. Dan wijst [gedaagde] nog op de verkooporder. Daarin staat, voor zover relevant: Het argument van [gedaagde] dat uit de aanhef van de verkooporder blijkt dat [gedaagde] alvast anticipeerde (vooruitliep) op de contractsovername door daar ook StoneCenter te vermelden, treft naar het oordeel van de kantonrechter geen doel. Uit deze aanhef kan hoogstens volgen dat StoneCenter een handelsnaam van [gedaagde] is. Zou dit anders zijn, dan had verwacht mogen worden dat ook de in de kop afgedrukte bedrijfsgegevens van een dergelijk vooruitlopen zouden getuigen, wat niet het geval is. Uit de aanhef van de verkooporder volgt niet dat de overeenkomst wordt overgedragen, per welke datum en onder welke voorwaarden. Dat is dus wel vereist, wil kunnen worden aangenomen dat [eiser] hiermee (stilzwijgend) heeft ingestemd. 3.8. [gedaagde] voert ten slotte nog aan dat uit het handelen van [eiser] voor dagvaarden blijkt dat hij bekend was met de contractsovername door StoneCenter, omdat hij bijvoorbeeld via e-mail contact heeft opgenomen met een e-mailadres dat hoort bij StoneCenter. Ook hier gaat de kantonrechter niet in mee. Hierbij is in aanmerking genomen dat door [gedaagde] niet is betwist dat ‘StoneCenter’ een van haar handelsnamen was, wat ook blijkt uit een door [eiser] overgelegd uittreksel. Verder staan in de hierboven afgedrukte verkooporder als e-mailadressen van [gedaagde] , adressen eindigend op [email-adres] . Uit de processtukken is op te maken dat [eiser] een aantal van die e-mailadressen heeft gebruikt. Dat hiermee niet [gedaagde] (gebruik makend van haar handelsnaam StoneCenter) werd bereikt maar de los van [gedaagde] opererende rechtspersoon StoneCenter EU BV, is (indien al juist) op geen enkele manier kenbaar. Dat [eiser] zich niet bewust was van een contractsovername had [gedaagde] daarentegen wel kunnen weten, want dat volgt onder meer uit de brief van 20 maart 2024. Daarin richt hij zich tot [gedaagde] . Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] naar aanleiding daarvan alsnog melding heeft gemaakt van een contractsovername. 3.9. Kort en goed: voor zover [gedaagde] heeft beoogd te stellen dat uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat [eiser] (alsnog) stilzwijgend heeft meegewerkt aan contractsoverneming, kan dat beroep niet slagen. 3.10. De conclusie is dat de kantonrechter van oordeel is dat in dit geval geen sprake is geweest van een rechtsgeldige contractsoverneming, omdat niet kan worden vastgesteld dat [eiser] voldoende door [gedaagde] is geïnformeerd (zie hiervoor 3.4. onder A). Al helemaal kan niet worden vastgesteld dat [eiser] daarna voldoende de gelegenheid heeft gehad om zich te beraden (zie hiervoor 3.4 onder B). Kortom, er is niet voldaan aan het vereiste dat [eiser] zijn medewerking heeft gegeven aan de contractsovername. De conclusie is dat de overeenkomst van [eiser] met [gedaagde] niet is overgedragen aan StoneCenter EU BV. [gedaagde] moet dus nog steeds als contractspartij van [eiser] worden aangemerkt. Non-conformiteit 3.11. In de wet staat dat de afgeleverde zaak (in deze situatie dus het aanrechtblad) aan de overeenkomst moet beantwoorden. Daar is niet aan voldaan als de zaak niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Het gaat daarbij om eigenschappen die voor een normaal gebruik nodig zijn. Een afgeleverde zaak beantwoordt ook niet aan de overeenkomst indien een andere zaak dan overeengekomen wordt geleverd. Hetzelfde geldt indien het afgeleverde in getal, maat of gewicht afwijkt van wat is overeengekomen. Daarnaast is in de wet vermeld dat als aan de koper een monster (voorbeeld) of model is getoond of verstrekt, de zaak daarmee zal moeten overeenstemmen, tenzij het monster/model slechts bij wijze van aanduiding werd verstrekt zonder dat de zaak daaraan behoefde beantwoorden. Het is aan de verkoper om te bewijzen dat het monster of model slechts bij wijze van aanduiding werd verstrekt. 3.12. [eiser] stelt in de kern dat het geleverde aanrechtblad gebrekkig is, en ook non-conform, omdat hij een roze-/grijsachtig aanrechtblad geleverd heeft gekregen terwijl hij een geel aanrechtblad heeft besteld. Hij realiseert zich dat het gaat om een natuursteenproduct waarbij kleine afwijkingen mogelijk zijn, maar in zijn geval gaat het om een extreme afwijking. Het geleverde blad heeft een totaal andere kleur en uitstraling dan wat [eiser] besteld heeft aan de hand van het verkoopvoorbeeld in de showroom. 3.13. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [eiser] meerdere foto’s overgelegd. Een aantal daarvan is hieronder afgebeeld. Afbeelding 1 bevat meerdere foto’s die zijn gemaakt door [eiser] , en deze worden hierna van boven naar beneden kort aangeduid. Bovenaan afbeelding 1 is het verkoopvoorbeeld van het blad Ghibli te zien dat door [gedaagde] in de showroom aan [eiser] is getoond. Daarbij is ook zichtbaar dat [eiser] kleurstaaltjes van de al bestaande keukenonderdelen (geel en crème) op het voorbeeld heeft gelegd. Daaronder (de middelste foto van afbeelding 1) is een foto opgenomen van het aanrechtblad dat in de keuken van [eiser] is geplaatst. Bij de onderste foto zijn het voorbeeld en het daadwerkelijk geleverde blad naast elkaar afgebeeld. Afbeelding 2 is een foto die [gedaagde] heeft gemaakt van het monster (voorbeeld) van het blad dat door [eiser] is gekocht. 3.14. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen samen met de kantonrechter deze foto’s bekeken. Partijen waren het er toen over eens dat er in dit geval een kleurverschil zit tussen het voorbeeld dat [eiser] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst in de showroom in [vestigingsplaats] heeft bekeken en het later aan hem geleverde aanrechtblad in zijn keuken. Ter discussie staat echter of dit kleurverschil het aanrechtblad non-conform maakt. Anders gezegd: valt dit kleurverschil binnen de marges van wat [eiser] mocht verwachten? Indien dit niet het geval is, en er dus meer (te veel) kleurverschil is dan wat [eiser] redelijkerwijs mocht voorzien, is sprake van een gebrek (tekortkoming in de nakoming). Daarna is dan de vraag relevant of dit gebrek op zichzelf voldoende is om tot ontbinding van de koopovereenkomst over te gaan. 3.15. De kantonrechter is van oordeel dat het geleverde aanrechtblad een te groot kleurverschil heeft ten opzichte van wat [eiser] op basis van de gesloten overeenkomst mocht verwachten. Het geleverde aanrechtblad is dus non-conform. Hierna wordt toegelicht waarom dat zo is. 3.16. De kleur van het blad was voor [eiser] een essentieel, zo niet het belangrijkste, onderdeel om tot aankoop van het aanrechtblad met de naam Ghibli bij [gedaagde] over te gaan. [eiser] heeft namelijk verklaard en aan de hand van verschillende foto’s/kleurstalen aangetoond dat hij op zoek was naar een aanrechtblad met een gele uitstraling gelet op de rest van zijn keuken. Een geel blad maakte dat het een mooi geheel vormde met de andere onderdelen van de al bestaande keuken. [eiser] heeft voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst met [gedaagde] dan ook tijdens zijn bezoek aan de showroom gele kleurstaaltjes meegenomen (de kleuren van de al bestaande keukenonderdelen), en vervolgens de overeenkomst met [gedaagde] gesloten. Dit alles is onvoldoende door [gedaagde] weersproken. 3.17. [gedaagde] heeft benadrukt dat het om natuursteen gaat, zoals de naam al aangeeft een natuurproduct, en dat er altijd afwijkingen zijn. Zij kan nooit precies het voorbeeld leveren dat een klant in de showroom heeft bekeken.
Volledig
Dan mag [eiser] als een consument al helemaal verwachten dat hem in heldere, expliciete bewoordingen tekst en uitleg wordt gegeven over de aanstaande veranderingen die zijn overeenkomst raken. 3.6. Vast staat dat er geen schriftelijke mededeling is geweest over een (aanstaande) contractsovername. Dat [gedaagde] tijdens het sluiten van de overeenkomst op 21 december 2023 mondeling met [eiser] over contractsovername heeft gesproken, is door [eiser] betwist en door [gedaagde] niet verder onderbouwd. Van de juistheid van die mededeling kan de kantonrechter dus niet uitgaan. 3.7. Dan wijst [gedaagde] nog op de verkooporder. Daarin staat, voor zover relevant: Het argument van [gedaagde] dat uit de aanhef van de verkooporder blijkt dat [gedaagde] alvast anticipeerde (vooruitliep) op de contractsovername door daar ook StoneCenter te vermelden, treft naar het oordeel van de kantonrechter geen doel. Uit deze aanhef kan hoogstens volgen dat StoneCenter een handelsnaam van [gedaagde] is. Zou dit anders zijn, dan had verwacht mogen worden dat ook de in de kop afgedrukte bedrijfsgegevens van een dergelijk vooruitlopen zouden getuigen, wat niet het geval is. Uit de aanhef van de verkooporder volgt niet dat de overeenkomst wordt overgedragen, per welke datum en onder welke voorwaarden. Dat is dus wel vereist, wil kunnen worden aangenomen dat [eiser] hiermee (stilzwijgend) heeft ingestemd. 3.8. [gedaagde] voert ten slotte nog aan dat uit het handelen van [eiser] voor dagvaarden blijkt dat hij bekend was met de contractsovername door StoneCenter, omdat hij bijvoorbeeld via e-mail contact heeft opgenomen met een e-mailadres dat hoort bij StoneCenter. Ook hier gaat de kantonrechter niet in mee. Hierbij is in aanmerking genomen dat door [gedaagde] niet is betwist dat ‘StoneCenter’ een van haar handelsnamen was, wat ook blijkt uit een door [eiser] overgelegd uittreksel. Verder staan in de hierboven afgedrukte verkooporder als e-mailadressen van [gedaagde] , adressen eindigend op [email-adres] . Uit de processtukken is op te maken dat [eiser] een aantal van die e-mailadressen heeft gebruikt. Dat hiermee niet [gedaagde] (gebruik makend van haar handelsnaam StoneCenter) werd bereikt maar de los van [gedaagde] opererende rechtspersoon StoneCenter EU BV, is (indien al juist) op geen enkele manier kenbaar. Dat [eiser] zich niet bewust was van een contractsovername had [gedaagde] daarentegen wel kunnen weten, want dat volgt onder meer uit de brief van 20 maart 2024. Daarin richt hij zich tot [gedaagde] . Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] naar aanleiding daarvan alsnog melding heeft gemaakt van een contractsovername. 3.9. Kort en goed: voor zover [gedaagde] heeft beoogd te stellen dat uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat [eiser] (alsnog) stilzwijgend heeft meegewerkt aan contractsoverneming, kan dat beroep niet slagen. 3.10. De conclusie is dat de kantonrechter van oordeel is dat in dit geval geen sprake is geweest van een rechtsgeldige contractsoverneming, omdat niet kan worden vastgesteld dat [eiser] voldoende door [gedaagde] is geïnformeerd (zie hiervoor 3.4. onder A). Al helemaal kan niet worden vastgesteld dat [eiser] daarna voldoende de gelegenheid heeft gehad om zich te beraden (zie hiervoor 3.4 onder B). Kortom, er is niet voldaan aan het vereiste dat [eiser] zijn medewerking heeft gegeven aan de contractsovername. De conclusie is dat de overeenkomst van [eiser] met [gedaagde] niet is overgedragen aan StoneCenter EU BV. [gedaagde] moet dus nog steeds als contractspartij van [eiser] worden aangemerkt. Non-conformiteit 3.11. In de wet staat dat de afgeleverde zaak (in deze situatie dus het aanrechtblad) aan de overeenkomst moet beantwoorden. Daar is niet aan voldaan als de zaak niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Het gaat daarbij om eigenschappen die voor een normaal gebruik nodig zijn. Een afgeleverde zaak beantwoordt ook niet aan de overeenkomst indien een andere zaak dan overeengekomen wordt geleverd. Hetzelfde geldt indien het afgeleverde in getal, maat of gewicht afwijkt van wat is overeengekomen. Daarnaast is in de wet vermeld dat als aan de koper een monster (voorbeeld) of model is getoond of verstrekt, de zaak daarmee zal moeten overeenstemmen, tenzij het monster/model slechts bij wijze van aanduiding werd verstrekt zonder dat de zaak daaraan behoefde beantwoorden. Het is aan de verkoper om te bewijzen dat het monster of model slechts bij wijze van aanduiding werd verstrekt. 3.12. [eiser] stelt in de kern dat het geleverde aanrechtblad gebrekkig is, en ook non-conform, omdat hij een roze-/grijsachtig aanrechtblad geleverd heeft gekregen terwijl hij een geel aanrechtblad heeft besteld. Hij realiseert zich dat het gaat om een natuursteenproduct waarbij kleine afwijkingen mogelijk zijn, maar in zijn geval gaat het om een extreme afwijking. Het geleverde blad heeft een totaal andere kleur en uitstraling dan wat [eiser] besteld heeft aan de hand van het verkoopvoorbeeld in de showroom. 3.13. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [eiser] meerdere foto’s overgelegd. Een aantal daarvan is hieronder afgebeeld. Afbeelding 1 bevat meerdere foto’s die zijn gemaakt door [eiser] , en deze worden hierna van boven naar beneden kort aangeduid. Bovenaan afbeelding 1 is het verkoopvoorbeeld van het blad Ghibli te zien dat door [gedaagde] in de showroom aan [eiser] is getoond. Daarbij is ook zichtbaar dat [eiser] kleurstaaltjes van de al bestaande keukenonderdelen (geel en crème) op het voorbeeld heeft gelegd. Daaronder (de middelste foto van afbeelding 1) is een foto opgenomen van het aanrechtblad dat in de keuken van [eiser] is geplaatst. Bij de onderste foto zijn het voorbeeld en het daadwerkelijk geleverde blad naast elkaar afgebeeld. Afbeelding 2 is een foto die [gedaagde] heeft gemaakt van het monster (voorbeeld) van het blad dat door [eiser] is gekocht. 3.14. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen samen met de kantonrechter deze foto’s bekeken. Partijen waren het er toen over eens dat er in dit geval een kleurverschil zit tussen het voorbeeld dat [eiser] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst in de showroom in [vestigingsplaats] heeft bekeken en het later aan hem geleverde aanrechtblad in zijn keuken. Ter discussie staat echter of dit kleurverschil het aanrechtblad non-conform maakt. Anders gezegd: valt dit kleurverschil binnen de marges van wat [eiser] mocht verwachten? Indien dit niet het geval is, en er dus meer (te veel) kleurverschil is dan wat [eiser] redelijkerwijs mocht voorzien, is sprake van een gebrek (tekortkoming in de nakoming). Daarna is dan de vraag relevant of dit gebrek op zichzelf voldoende is om tot ontbinding van de koopovereenkomst over te gaan. 3.15. De kantonrechter is van oordeel dat het geleverde aanrechtblad een te groot kleurverschil heeft ten opzichte van wat [eiser] op basis van de gesloten overeenkomst mocht verwachten. Het geleverde aanrechtblad is dus non-conform. Hierna wordt toegelicht waarom dat zo is. 3.16. De kleur van het blad was voor [eiser] een essentieel, zo niet het belangrijkste, onderdeel om tot aankoop van het aanrechtblad met de naam Ghibli bij [gedaagde] over te gaan. [eiser] heeft namelijk verklaard en aan de hand van verschillende foto’s/kleurstalen aangetoond dat hij op zoek was naar een aanrechtblad met een gele uitstraling gelet op de rest van zijn keuken. Een geel blad maakte dat het een mooi geheel vormde met de andere onderdelen van de al bestaande keuken. [eiser] heeft voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst met [gedaagde] dan ook tijdens zijn bezoek aan de showroom gele kleurstaaltjes meegenomen (de kleuren van de al bestaande keukenonderdelen), en vervolgens de overeenkomst met [gedaagde] gesloten. Dit alles is onvoldoende door [gedaagde] weersproken. 3.17. [gedaagde] heeft benadrukt dat het om natuursteen gaat, zoals de naam al aangeeft een natuurproduct, en dat er altijd afwijkingen zijn. Zij kan nooit precies het voorbeeld leveren dat een klant in de showroom heeft bekeken.
Volledig
Die uitleg van [gedaagde] kan de kantonrechter tot op bepaalde hoogte volgen, maar niet bij een dusdanige afwijking zoals in deze situatie. De kantonrechter beseft dat er een veelheid van kleuren in de tint geel is en dat allerlei nuances denkbaar zijn, zeker bij een natuursteenproduct. Van belang is wel dat als een koper aan de hand van een voorbeeld een aanrechtblad bestelt waarop duidelijk te zien is dat de hoofdkleur geel is, het dan op het eerste oog direct duidelijk moet zijn dat er ook een geel(achtig) aanrechtblad wordt geplaatst, en niet zoals in dit geval een roze-/grijsachtig blad. 3.18. Bij dit alles is ook de omstandigheid betrokken dat lichtinval een rol speelt bij de bepaling van de kleur. Maar zelfs als daarmee rekening wordt gehouden, kan het aan [eiser] geleverde aanrechtblad niet onder de kleur(scharkering) geel vallen. Ontbinding koopovereenkomst 3.19. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat hij direct bij de levering heeft geklaagd en dat daarnaast een aantekening is gemaakt op de afleverbon over de onjuiste kleur. Van deze bon heeft [eiser] geen kopie ontvangen. Vervolgens heeft [eiser] ook telefonisch en schriftelijk contact opgenomen om aan te geven dat het aanrechtblad niet de afgesproken kleur had. Dit was bijvoorbeeld het geval op 21 februari 2024 (de dag nadat het aanrechtblad is gemonteerd bij [eiser] ), 29 februari 2024 en 20 maart 2024. Op 20 maart 2024 heeft [eiser] een ingebrekestelling naar de directie van [gedaagde] gestuurd. Daarin is vermeld: “(…) Het geleverde blad heeft een kleur die volledig anders is dan de kleur die we besteld hebben. Wanneer het geleverde aanrechtblad in kleur en sfeer zou passen in onze huidige keuken zouden we het kunnen accepteren, maar omdat dit niet het geval is hebben we u in onze e-mails van 21 en 29 februari hiervan op de hoogte gesteld. Voor de volledigheid stuur ik u hierbij als bijlage opnieuw de afbeelding waarop het verschil in kleur tussen de aangeboden en de geleverde steen duidelijk te zien is. Ik heb u gevraagd uw verplichtingen na te komen. Tot nu toe heeft u dat niet gedaan. Op mijn laatste e-mail heeft u niet gereageerd. Met deze brief bied ik u de mogelijkheid om binnen 14 dagen alsnog aan uw verplichtingen uit de overeenkomst te voldoen of met een passende oplossing te komen. Wanneer u dit niet doet, bent u in verzuim. In dat geval behoud ik mij het recht voor om juridische stappen te nemen en stel ik u nu alvast aansprakelijk voor alle schade die ik heb geleden en nog zal lijden. (…)” 3.20. In reactie daarop heeft StoneCenter laten weten dat zij het juiste materiaal heeft besteld en geleverd gekregen, en bovendien dat het natuursteen blijft en daar kan ze weinig aan doen. Daarnaast kan zij niet meegaan in het voorstel om een nieuw aanrechtblad te leveren. Vervolgens heeft de gemachtigde van [eiser] op 30 april 2024 een ingebrekestelling verstuurd. Hierin staat: “(…) Cliënten stellen zich op het standpunt dat het door u geleverde blad niet het type blad is dat is overeengekomen en dat derhalve sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. (…) Namens cliënt wordt u gesommeerd om binnen één maand na heden zorg te hebben gedragen voor kosteloze en deugdelijke vervanging van het blad. (…) Bij gebreke van kosteloze en deugdelijke vervanging voor het overeengekomen blad binnen de gestelde termijn verkeert u in verzuim. Alsdan is cliënt onder meer gerechtigd om aanspraak te kunnen maken op (vervangende) schadevergoeding en/of ontbinding van de overeenkomst.” 3.21. Naar aanleiding hiervan heeft [gedaagde] geen actie ondernomen en dat had dus wel gemoeten. [gedaagde] is in ieder geval op 30 mei 2024 in verzuim geraakt door het aanrechtblad niet te vervangen en in de overeengekomen gele kleur(scharkering) te leveren. Zij heeft (voldoende) gelegenheid gehad om daartoe over te gaan en om haar verplichtingen uit de overeenkomst na te komen, maar [gedaagde] heeft daar geen gebruik van gemaakt. Ook is gelet op het voorgaande geen sprake van schending van de klachtplicht zoals [gedaagde] aanvoert in haar conclusie van antwoord. Dat [eiser] bij het uiten van de klachten [gedaagde] ’s handelsnaam StoneCenter heeft gebruikt, is niet van belang. 3.22. De conclusie is dat [gedaagde] haar verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen en dat daarmee sprake is van een tekortkoming aan de kant van [gedaagde] . [eiser] was daarom gerechtigd om de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Dat heeft [eiser] bij brief van 25 oktober 2024 ook gedaan. De door [eiser] gevorderde verklaring voor recht is dan ook toewijsbaar. Gevolgen ontbinding koopovereenkomst 3.23. De gevolgen van de ontbinding van de overeenkomst zijn onder andere dat [gedaagde] het volledige aankoopbedrag van € 3.051,58 moet terugbetalen aan [eiser] . [gedaagde] wordt daarom veroordeeld tot (terug)betaling van dit bedrag. De over dit bedrag gevorderde wettelijke rente vanaf 9 november 2024 is ook toewijsbaar. Voor de duidelijkheid tekent de kantonrechter in dit verband aan dat in het petitum van de dagvaarding StoneCenter als de te veroordelen partij is vermeld, wat een gevolg is van het feit dat [gedaagde] in de dagvaarding consequent wordt aangeduid met die (door haar gevoerde) handelsnaam. Het is voldoende duidelijk dat met die handelsnaamaanduiding [gedaagde] is bedoeld. 3.24. Naast (terug)betaling van het aankoopbedrag, vordert [eiser] demontage en afvoering van het aanrechtblad. Dit binnen een redelijke termijn en op een zodanige wijze dat geen schade wordt toegebracht aan de eigendommen en woning van [eiser] . Mocht er daarbij toch schade ontstaan, dan vordert [eiser] ook vergoeding daarvan. Verder vordert [eiser] betaling van de kosten als hij kosten moet maken om derden in te schakelen voor demontage en afvoering van het aanrechtblad, indien StoneCenter daartoe niet wenst over te gaan. Al deze vorderingen zijn, gelet op wat hiervoor is overwogen en omdat [gedaagde] daartegen geen of onvoldoende verweer heeft gevoerd, toewijsbaar. De kantonrechter acht het redelijk dat [gedaagde] binnen één maand na betekening van dit vonnis overgaat tot demontage en afvoering van het aanrechtblad. Ook zal hieraan een dwangsom worden verbonden, zoals hierna onder de beslissing is vermeld. De kantonrechter merkt verder nog op dat zij ervanuit gaat dat [gedaagde] zorgvuldig te werk gaat, zodat er geen schade ontstaat. Buitengerechtelijke incassokosten 3.25. Daarnaast vordert [eiser] betaling van € 520,49 aan buitengerechtelijke incassokosten. Dit bedrag is conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en daarom toewijsbaar. Ook wordt de hierover gevorderde wettelijke rente toegewezen. Ook tegen deze onderdelen van de vordering is door [gedaagde] geen afzonderlijk verweer gevoerd. Proceskosten 3.26. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden vastgesteld op: - kosten van de dagvaarding € 148,04 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 506,00 (2 punten × € 253,00) - nakosten € 126,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.037,54 Uitvoerbaar bij voorraad 3.27. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat vordert en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 4 De beslissing De kantonrechter: 4.1. verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] , gesloten op 21 december 2023, is ontbonden op 25 oktober 2024, 4.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 3.051,58 (aankoopbedrag aanrechtblad Ghibli), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 november 2024 tot aan de dag van betaling, 4.3. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 520,49 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 november 2024 tot aan de dag van betaling, 4.4.
Volledig
Die uitleg van [gedaagde] kan de kantonrechter tot op bepaalde hoogte volgen, maar niet bij een dusdanige afwijking zoals in deze situatie. De kantonrechter beseft dat er een veelheid van kleuren in de tint geel is en dat allerlei nuances denkbaar zijn, zeker bij een natuursteenproduct. Van belang is wel dat als een koper aan de hand van een voorbeeld een aanrechtblad bestelt waarop duidelijk te zien is dat de hoofdkleur geel is, het dan op het eerste oog direct duidelijk moet zijn dat er ook een geel(achtig) aanrechtblad wordt geplaatst, en niet zoals in dit geval een roze-/grijsachtig blad. 3.18. Bij dit alles is ook de omstandigheid betrokken dat lichtinval een rol speelt bij de bepaling van de kleur. Maar zelfs als daarmee rekening wordt gehouden, kan het aan [eiser] geleverde aanrechtblad niet onder de kleur(scharkering) geel vallen. Ontbinding koopovereenkomst 3.19. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat hij direct bij de levering heeft geklaagd en dat daarnaast een aantekening is gemaakt op de afleverbon over de onjuiste kleur. Van deze bon heeft [eiser] geen kopie ontvangen. Vervolgens heeft [eiser] ook telefonisch en schriftelijk contact opgenomen om aan te geven dat het aanrechtblad niet de afgesproken kleur had. Dit was bijvoorbeeld het geval op 21 februari 2024 (de dag nadat het aanrechtblad is gemonteerd bij [eiser] ), 29 februari 2024 en 20 maart 2024. Op 20 maart 2024 heeft [eiser] een ingebrekestelling naar de directie van [gedaagde] gestuurd. Daarin is vermeld: “(…) Het geleverde blad heeft een kleur die volledig anders is dan de kleur die we besteld hebben. Wanneer het geleverde aanrechtblad in kleur en sfeer zou passen in onze huidige keuken zouden we het kunnen accepteren, maar omdat dit niet het geval is hebben we u in onze e-mails van 21 en 29 februari hiervan op de hoogte gesteld. Voor de volledigheid stuur ik u hierbij als bijlage opnieuw de afbeelding waarop het verschil in kleur tussen de aangeboden en de geleverde steen duidelijk te zien is. Ik heb u gevraagd uw verplichtingen na te komen. Tot nu toe heeft u dat niet gedaan. Op mijn laatste e-mail heeft u niet gereageerd. Met deze brief bied ik u de mogelijkheid om binnen 14 dagen alsnog aan uw verplichtingen uit de overeenkomst te voldoen of met een passende oplossing te komen. Wanneer u dit niet doet, bent u in verzuim. In dat geval behoud ik mij het recht voor om juridische stappen te nemen en stel ik u nu alvast aansprakelijk voor alle schade die ik heb geleden en nog zal lijden. (…)” 3.20. In reactie daarop heeft StoneCenter laten weten dat zij het juiste materiaal heeft besteld en geleverd gekregen, en bovendien dat het natuursteen blijft en daar kan ze weinig aan doen. Daarnaast kan zij niet meegaan in het voorstel om een nieuw aanrechtblad te leveren. Vervolgens heeft de gemachtigde van [eiser] op 30 april 2024 een ingebrekestelling verstuurd. Hierin staat: “(…) Cliënten stellen zich op het standpunt dat het door u geleverde blad niet het type blad is dat is overeengekomen en dat derhalve sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. (…) Namens cliënt wordt u gesommeerd om binnen één maand na heden zorg te hebben gedragen voor kosteloze en deugdelijke vervanging van het blad. (…) Bij gebreke van kosteloze en deugdelijke vervanging voor het overeengekomen blad binnen de gestelde termijn verkeert u in verzuim. Alsdan is cliënt onder meer gerechtigd om aanspraak te kunnen maken op (vervangende) schadevergoeding en/of ontbinding van de overeenkomst.” 3.21. Naar aanleiding hiervan heeft [gedaagde] geen actie ondernomen en dat had dus wel gemoeten. [gedaagde] is in ieder geval op 30 mei 2024 in verzuim geraakt door het aanrechtblad niet te vervangen en in de overeengekomen gele kleur(scharkering) te leveren. Zij heeft (voldoende) gelegenheid gehad om daartoe over te gaan en om haar verplichtingen uit de overeenkomst na te komen, maar [gedaagde] heeft daar geen gebruik van gemaakt. Ook is gelet op het voorgaande geen sprake van schending van de klachtplicht zoals [gedaagde] aanvoert in haar conclusie van antwoord. Dat [eiser] bij het uiten van de klachten [gedaagde] ’s handelsnaam StoneCenter heeft gebruikt, is niet van belang. 3.22. De conclusie is dat [gedaagde] haar verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen en dat daarmee sprake is van een tekortkoming aan de kant van [gedaagde] . [eiser] was daarom gerechtigd om de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Dat heeft [eiser] bij brief van 25 oktober 2024 ook gedaan. De door [eiser] gevorderde verklaring voor recht is dan ook toewijsbaar. Gevolgen ontbinding koopovereenkomst 3.23. De gevolgen van de ontbinding van de overeenkomst zijn onder andere dat [gedaagde] het volledige aankoopbedrag van € 3.051,58 moet terugbetalen aan [eiser] . [gedaagde] wordt daarom veroordeeld tot (terug)betaling van dit bedrag. De over dit bedrag gevorderde wettelijke rente vanaf 9 november 2024 is ook toewijsbaar. Voor de duidelijkheid tekent de kantonrechter in dit verband aan dat in het petitum van de dagvaarding StoneCenter als de te veroordelen partij is vermeld, wat een gevolg is van het feit dat [gedaagde] in de dagvaarding consequent wordt aangeduid met die (door haar gevoerde) handelsnaam. Het is voldoende duidelijk dat met die handelsnaamaanduiding [gedaagde] is bedoeld. 3.24. Naast (terug)betaling van het aankoopbedrag, vordert [eiser] demontage en afvoering van het aanrechtblad. Dit binnen een redelijke termijn en op een zodanige wijze dat geen schade wordt toegebracht aan de eigendommen en woning van [eiser] . Mocht er daarbij toch schade ontstaan, dan vordert [eiser] ook vergoeding daarvan. Verder vordert [eiser] betaling van de kosten als hij kosten moet maken om derden in te schakelen voor demontage en afvoering van het aanrechtblad, indien StoneCenter daartoe niet wenst over te gaan. Al deze vorderingen zijn, gelet op wat hiervoor is overwogen en omdat [gedaagde] daartegen geen of onvoldoende verweer heeft gevoerd, toewijsbaar. De kantonrechter acht het redelijk dat [gedaagde] binnen één maand na betekening van dit vonnis overgaat tot demontage en afvoering van het aanrechtblad. Ook zal hieraan een dwangsom worden verbonden, zoals hierna onder de beslissing is vermeld. De kantonrechter merkt verder nog op dat zij ervanuit gaat dat [gedaagde] zorgvuldig te werk gaat, zodat er geen schade ontstaat. Buitengerechtelijke incassokosten 3.25. Daarnaast vordert [eiser] betaling van € 520,49 aan buitengerechtelijke incassokosten. Dit bedrag is conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en daarom toewijsbaar. Ook wordt de hierover gevorderde wettelijke rente toegewezen. Ook tegen deze onderdelen van de vordering is door [gedaagde] geen afzonderlijk verweer gevoerd. Proceskosten 3.26. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden vastgesteld op: - kosten van de dagvaarding € 148,04 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 506,00 (2 punten × € 253,00) - nakosten € 126,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.037,54 Uitvoerbaar bij voorraad 3.27. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat vordert en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 4 De beslissing De kantonrechter: 4.1. verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] , gesloten op 21 december 2023, is ontbonden op 25 oktober 2024, 4.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 3.051,58 (aankoopbedrag aanrechtblad Ghibli), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 november 2024 tot aan de dag van betaling, 4.3. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 520,49 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 november 2024 tot aan de dag van betaling, 4.4.