Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-10
ECLI:NL:RBOBR:2026:2284
RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 24/2586 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser en de deken van de Orde van Advocaten Midden-Nederland, de deken (gemachtigde: mr. H.W.M. van den Heiligenberg). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de deken tot afwijzing van het verzoek om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de deken het Woo-verzoek van eiser had moeten doorzenden aan het dekenberaad, omdat het dekenberaad een bestuursorgaan is en daar volgens de deken de gevraagde informatie berust. Eiser krijgt in zoverre gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 9 februari 2024 een verzoek op grond van de Woo ingediend bij de algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA). Hij heeft zijn verzoek als volgt geformuleerd: “ Verzoek “Wet open overheid”: gezien de uitgebreide conclusie ECLI:NL:PHR:2024:103 d.d. 26 januari 2024 “beproeving minnelijk/ADR” met daarbij m.n. overweging 41 in arrest Hof van Justitie C-667/18, wordt verzocht om openbaarmaking van alle “document(en)” -middels verstrekking van kopie althans publicatie op uw website – inzake het in zgn. “Dekenberaad” in “Leidraad” komen tot de terzijdestelling van de wettelijke verplichting art. 46d lid 1 Advocatenwet tot beproeving van minnelijk op tuchtklacht. (…) ” 2.1. De e-mail waarmee eiser het Woo-verzoek heeft ingediend bij de algemene raad van de NOvA is door eiser op 9 februari 2024 doorgestuurd naar het dekenberaad. Het dekenberaad heeft de e-mail met het Woo-verzoek van eiser vervolgens - onder meer - aan de deken doorgezonden, omdat het dekenberaad zich geen bestuursorgaan acht. 2.2. In het besluit van 2 april 2024 wijst de deken het Woo-verzoek van eiser af. Zij stelt zich op het standpunt dat de gevraagde informatie niet onder haar als deken aanwezig is. Zij licht toe dat artikel 46d van de Advocatenwet een discretionaire bevoegdheid betreft en wijst op de beslissing van de raad van discipline van 22 februari 2012 . Omdat de deken niet verplicht is in iedere klachtzaak een bemiddelingsgesprek te voeren, terwijl eiser deze uitleg wel geeft aan artikel 46d van de Advocatenwet, zijn er geen documenten die betrekking hebben op het Woo-verzoek. 2.3. Met het bestreden besluit van 24 juni 2024 op het bezwaar van eiser is de deken bij de afwijzing van het Woo-verzoek gebleven. Zij herroept het besluit van 2 april 2024 en wijst Woo-verzoek af op de grond dat de documenten, waarvan eiser openbaarmaking verzoekt, berusten bij het dekenberaad en daarom niet vallen onder de reikwijdte van de Woo. Het dekenberaad is volgens de deken geen bestuursorgaan en ook niet daarmee voor de toepassing van de Woo gelijkgesteld. 2.4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en dit beroep daarna meerdere malen aangevuld. 2.5. De deken heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.6. De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de deken. Beoordeling door de rechtbank Standpunt eiser 3. Eiser voert aan dat dat deken zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het dekenberaad geen bestuursorgaan. De door eiser gevraagde informatie en documenten zijn opgesteld door de commissie klacht- en tuchtrecht van het dekenberaad en berusten onder het dekenberaad. De deken had het Woo-verzoek volgens eiser moeten doorsturen naar het dekenberaad. Standpunt deken 4. De deken heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde informatie niet onder haar als individuele deken berust, maar bij de commissie klacht- en tuchtrecht van het dekenberaad. Het Woo-verzoek van eiser is niet doorgezonden aan het dekenberaad, omdat dat geen bestuursorgaan is maar een verzameling van alle lokale dekens. Beoordeling 5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de deken zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het dekenberaad geen bestuursorgaan is en dient het dekenberaad te worden aangemerkt als een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, een zogeheten a-orgaan . De rechtbank ziet voor haar oordeel steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 maart 2003 . 5.1. In artikel 17, derde lid, van de Advocatenwet is bepaald dat de Nederlandse orde van advocaten en de orden in de arrondissementen rechtspersonen zijn. In artikel 17a, eerste lid, van de Advocatenwet worden vervolgens de organen van de Nederlands orde van advocaten opgesomd, waaronder het college van afgevaardigden. Voor de vraag of het dekenberaad kan worden beschouwd als een orgaan van de Nederlandse orde van advocaten, is blijkens de memorie van antwoord op artikel 1:1, aanhef en onder a, van de Awb de aanwezigheid van een publiekrechtelijke grondslag bepalend. 5.1.1. In artikel 28, tweede lid, aanhef en onder e, van de Advocatenwet is het college van afgevaardigden de bevoegdheid toegekend om bij of krachtens verordening regels betreffende de huishouding en de organisatie van de Nederlandse orde van advocaten te stellen. 5.1.2. In Verordening op de advocatuur (Voda), waarvan de grondslag onder meer is gelegen in artikel 28, tweede lid, van de Advocatenwet, zijn in hoofdstuk 2 bepalingen opgenomen over de organisatie van de Nederlandse orde van advocaten. In dit hoofdstuk worden raden en commissies ingesteld, waaronder in artikel 2.5. van de Voda het dekenberaad. Het dekenberaad is bestaat uit de dekens van de orden in de arrondissementen en de deken en secretaris van de algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten nemen deel van het overleg van het dekenberaad, tenzij het dekenberaad anders beslist. 5.2. Het dekenberaad is met de vaststelling van de Voda ingesteld. In artikel 2.6. van de Voda zijn de werkzaamheden van het dekenberaad opgenomen. Uit de hiervoor genoemde memorie van antwoord op artikel 1:1 van de Awb volgt dat ook een orgaan dat uitsluitend tot taak heeft feitelijke handelingen te verrichten maar wel een publiekrechtelijke grondslag heeft, een bestuursorgaan is en met bevoegdheden omkleed. Het dekenberaad is onderdeel van de huishouding van de Nederlandse orde van advocaten met een eigen ondersteuning, zoals de commissie klacht- en tuchtrecht. De rechtbank wijst er ook op dat het dekenberaad zichzelf ook duidt als een collegiaal bestuur waarbij het beleid, de taken en besluiten de verantwoordelijkheid van het dekenberaad als geheel zijn. Het dekenberaad heeft ook een eigen bestuursreglement . 5.3. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het dekenberaad een orgaan is van de Nederlandse orde van advocaten en een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb en daarmee een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 2.2., eerste lid, aanhef en onder b, van de Woo. Aangezien de deken zich op het standpunt stelt dat de gevraagde informatie niet onder haar maar onder het dekenberaad berust, heeft zij ten onrechte geen toepassing gegeven aan de op haar rustende doorzendplicht als neergelegd in artikel 4.2., tweede lid, van de Woo. Het betoog van eiser slaagt. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 4.2., eerste lid, van de Woo waarin is bepaald dat een schriftelijk Woo-verzoek wordt doorgezonden naar het bestuursorgaan, voor zover dat verzoek betrekking heeft op informatie die bij dat bestuursorgaan berust. Nu de deken dit niet heeft gedaan, betekent dat dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. 6.1. Omdat het beroep gegrond is moet de deken het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten, bestaande uit reiskosten voor het bijwonen van de zitting.