Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2026-04-09
ECLI:NL:RBOBR:2026:2251
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
4,034 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:2251 text/xml public 2026-04-16T09:51:20 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-09 26/829 Uitspraak Voorlopige voorziening NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2251 text/html public 2026-04-16T09:43:07 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2251 Rechtbank Oost-Brabant , 09-04-2026 / 26/829 Sluiting woning op grond van artikel 13b Opiumwet; verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar toegewezen; onvoldoende gemotiveerd dat sluiting van de woning een passende maatregel is. RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 26/829 uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2026 in de zaak tussen [verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster, (gemachtigde: mr. G.H. Fijma), en de burgemeester van de gemeente Land van Cuijk, de burgemeester, (gemachtigde: mr. Z.A.G. Piroe). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de burgemeester om de woning van verzoekster drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoekster is het daar niet mee eens. Zij verzoekt de voorzieningenrechter om dit besluit te schorsen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter. De rechtbank mag daarom in een eventuele beroepszaak anders oordelen. 2. De voorzieningenrechter schorst besluit van de burgemeester. Dat betekent dat de woning voorlopig niet gesloten mag worden. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 3. Met het bestreden besluit van 10 maart 2026 heeft de burgemeester besloten om de woning van verzoekster aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning) op grond van artikel 13b, eerste lid van de Opiumwet en de Beleidsregel (hierna: beleidsregel) tijdelijk te sluiten voor de duur van drie maanden met ingang van 25 maart 2026 om 09:00 uur. 4. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 5. De burgemeester heeft laten weten te wachten met de sluiting van de woning tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. 6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de burgemeester deelgenomen. Wat ging er vooraf aan het verzoek om een voorlopige voorziening? 7. Verzoekster is huurder en bewoner van de woning. Haar zoon, die is geboren op [geboortedatum] 2007, woont bij haar in. 8. Naar aanleiding van een MMA -melding op 29 december 2025 heeft de politie een doorzoeking uitgevoerd in de woning. De bevindingen van het onderzoek heeft de politie neergelegd in een op ambtseed opgemaakte bestuurlijke rapportage van 9 januari 2026. In de bestuurlijke rapportage is vermeld dat in de woning 157 kilo vuurwerk, 343 gram hennep en 113,4 gram hasj (een totale hoeveelheid van 456,4 gram softdrugs) is aangetroffen. 9. De burgemeester heeft verzoekster op 4 februari 2026 laten weten dat zij het voornemen heeft om de woning voor de duur van drie maanden te sluiten. Op 17 februari 2026 is een zienswijzengesprek met verzoekster gehouden. 10. De burgemeester heeft vervolgens het bestreden besluit genomen, waartegen verzoekster bezwaar heeft gemaakt. Volgens de burgemeester is zij bevoegd om de woning te sluiten en is de sluiting geschikt, noodzakelijk en evenwichtig. Beoordeling door de voorzieningenrechter 11. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze zaak aan de hand verzoeksters gronden of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Als het bestreden besluit wordt geschorst, mag de burgemeester de woning in elk geval niet sluiten voordat zij een besluit op het bezwaar heeft genomen. Bij zijn beoordeling houdt de voorzieningenrechter rekening met de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 28 augustus 2019 (de zogenoemde overzichtsuitspraak), 2 februari 2022 en 6 juli 2022 . In de twee uitspraken uit 2022 heeft de Afdeling de uitspraak uit 2019 genuanceerd. Op 16 juli 2025 heeft de Afdeling een nieuwe overzichtsuitspraak gedaan waar de voorzieningenrechter ook rekening mee houdt. 12. Tijdens de zitting is vastgesteld dat verzoekster niet betwist dat de burgemeester, gelet op de in de woning aangetroffen hoeveelheid softdrugs, bevoegd is om de woning te sluiten. De voorzieningenrechter zal daarom alleen beoordelen of de burgemeester ook gebruik mocht maken van die bevoegdheid. In dat verband zal de voorzieningenrechter bezien of sluiting van de woning voor drie maanden evenredig is. De vraag die dan moet worden beantwoord is of sluiting van de woning voor drie maanden op dit moment nog een passende maatregel is om het daarmee beoogde doel van de burgemeester te bereiken, óf dat dat doel ook kan worden bereikt met een minder zware maatregel. Uit het bestreden besluit en de daarop op de zitting door de burgemeester gegeven toelichting blijkt dat het doel van de sluiting is om herhaling van de overtreding te voorkomen. 13. In de door de burgemeester gehanteerde beleidsregel is bepaald dat als voor een eerste keer een handelshoeveelheid softdrugs in een woning wordt gevonden, een waarschuwing kan worden gegeven, een last onder dwangsom kan worden opgelegd óf de woning voor maximaal zes maanden kan worden gesloten. Uit het beleid blijkt echter niet in welke situatie de burgemeester voor welke maatregel kiest. Daarom zal de burgemeester in besluiten waarin dit beleid een rol speelt duidelijk moeten motiveren waarom zij in een bepaalde situatie voor een bepaalde maatregel kiest. 14. De burgemeester heeft in dit geval niet gekozen voor de mogelijkheid om een waarschuwing te geven of een last onder dwangsom op te leggen, maar heeft besloten de woning voor drie maanden te sluiten om herhaling van de overtreding te voorkomen. De stelling van verzoekster dat haar zoon de woning op 25 maart 2026 heeft verlaten en bij een vriend verblijft brengt de burgemeester niet tot een ander standpunt. Op de zitting is namens de burgemeester opgemerkt dat de zoon nog steeds toegang kan hebben tot de woning en dat de woning hoe dan ook zal worden gesloten. 15. De voorzieningenrechter stelt voorop dat sluiting van een woning in het algemeen een geschikte maatregel is om herhaling van een overtreding als hier aan de orde te voorkomen. Als de burgemeester zich op het standpunt stelt dat sluiting van de woning noodzakelijk is, dient zij zich er ook van te vergewissen dat de sluiting en de duur ervan evenwichtig is, ook als deze in overeenstemming is met de beleidsregel. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met de woning en de mogelijkheid om weer in de woning terug te keren. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. 16. Verzoekster heeft gesteld dat haar zoon de woning heeft verlaten, dat zij medische en psychische klachten heeft, dat zij een afspraak voor een intake heeft bij Novadic in verband met haar alcoholproblemen en dat zij wordt begeleid door een bewindvoerder. 17. De voorzieningenrechter begrijpt de zorgen van de burgemeester over het risico op herhaling van de overtreding en de gedragingen en intenties van verzoekster en haar zoon. De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bij het bestreden besluit echter onvoldoende heeft gemotiveerd dat sluiting van de woning op dit moment een passende maatregel is om het daarmee beoogde doel (het voorkomen van herhaling) te bereiken. De opmerking op de zitting dat de woning hoe dan ook zal worden gesloten draagt evenmin bij aan een inzichtelijke motivering.
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:2251 text/xml public 2026-04-16T09:51:20 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-09 26/829 Uitspraak Voorlopige voorziening NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2251 text/html public 2026-04-16T09:43:07 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2251 Rechtbank Oost-Brabant , 09-04-2026 / 26/829 Sluiting woning op grond van artikel 13b Opiumwet; verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar toegewezen; onvoldoende gemotiveerd dat sluiting van de woning een passende maatregel is. RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 26/829 uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2026 in de zaak tussen [verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster, (gemachtigde: mr. G.H. Fijma), en de burgemeester van de gemeente Land van Cuijk, de burgemeester, (gemachtigde: mr. Z.A.G. Piroe). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de burgemeester om de woning van verzoekster drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoekster is het daar niet mee eens. Zij verzoekt de voorzieningenrechter om dit besluit te schorsen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter. De rechtbank mag daarom in een eventuele beroepszaak anders oordelen. 2. De voorzieningenrechter schorst besluit van de burgemeester. Dat betekent dat de woning voorlopig niet gesloten mag worden. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 3. Met het bestreden besluit van 10 maart 2026 heeft de burgemeester besloten om de woning van verzoekster aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning) op grond van artikel 13b, eerste lid van de Opiumwet en de Beleidsregel (hierna: beleidsregel) tijdelijk te sluiten voor de duur van drie maanden met ingang van 25 maart 2026 om 09:00 uur. 4. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 5. De burgemeester heeft laten weten te wachten met de sluiting van de woning tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. 6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de burgemeester deelgenomen. Wat ging er vooraf aan het verzoek om een voorlopige voorziening? 7. Verzoekster is huurder en bewoner van de woning. Haar zoon, die is geboren op [geboortedatum] 2007, woont bij haar in. 8. Naar aanleiding van een MMA -melding op 29 december 2025 heeft de politie een doorzoeking uitgevoerd in de woning. De bevindingen van het onderzoek heeft de politie neergelegd in een op ambtseed opgemaakte bestuurlijke rapportage van 9 januari 2026. In de bestuurlijke rapportage is vermeld dat in de woning 157 kilo vuurwerk, 343 gram hennep en 113,4 gram hasj (een totale hoeveelheid van 456,4 gram softdrugs) is aangetroffen. 9. De burgemeester heeft verzoekster op 4 februari 2026 laten weten dat zij het voornemen heeft om de woning voor de duur van drie maanden te sluiten. Op 17 februari 2026 is een zienswijzengesprek met verzoekster gehouden. 10. De burgemeester heeft vervolgens het bestreden besluit genomen, waartegen verzoekster bezwaar heeft gemaakt. Volgens de burgemeester is zij bevoegd om de woning te sluiten en is de sluiting geschikt, noodzakelijk en evenwichtig. Beoordeling door de voorzieningenrechter 11. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze zaak aan de hand verzoeksters gronden of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Als het bestreden besluit wordt geschorst, mag de burgemeester de woning in elk geval niet sluiten voordat zij een besluit op het bezwaar heeft genomen. Bij zijn beoordeling houdt de voorzieningenrechter rekening met de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 28 augustus 2019 (de zogenoemde overzichtsuitspraak), 2 februari 2022 en 6 juli 2022 . In de twee uitspraken uit 2022 heeft de Afdeling de uitspraak uit 2019 genuanceerd. Op 16 juli 2025 heeft de Afdeling een nieuwe overzichtsuitspraak gedaan waar de voorzieningenrechter ook rekening mee houdt. 12. Tijdens de zitting is vastgesteld dat verzoekster niet betwist dat de burgemeester, gelet op de in de woning aangetroffen hoeveelheid softdrugs, bevoegd is om de woning te sluiten. De voorzieningenrechter zal daarom alleen beoordelen of de burgemeester ook gebruik mocht maken van die bevoegdheid. In dat verband zal de voorzieningenrechter bezien of sluiting van de woning voor drie maanden evenredig is. De vraag die dan moet worden beantwoord is of sluiting van de woning voor drie maanden op dit moment nog een passende maatregel is om het daarmee beoogde doel van de burgemeester te bereiken, óf dat dat doel ook kan worden bereikt met een minder zware maatregel. Uit het bestreden besluit en de daarop op de zitting door de burgemeester gegeven toelichting blijkt dat het doel van de sluiting is om herhaling van de overtreding te voorkomen. 13. In de door de burgemeester gehanteerde beleidsregel is bepaald dat als voor een eerste keer een handelshoeveelheid softdrugs in een woning wordt gevonden, een waarschuwing kan worden gegeven, een last onder dwangsom kan worden opgelegd óf de woning voor maximaal zes maanden kan worden gesloten. Uit het beleid blijkt echter niet in welke situatie de burgemeester voor welke maatregel kiest. Daarom zal de burgemeester in besluiten waarin dit beleid een rol speelt duidelijk moeten motiveren waarom zij in een bepaalde situatie voor een bepaalde maatregel kiest. 14. De burgemeester heeft in dit geval niet gekozen voor de mogelijkheid om een waarschuwing te geven of een last onder dwangsom op te leggen, maar heeft besloten de woning voor drie maanden te sluiten om herhaling van de overtreding te voorkomen. De stelling van verzoekster dat haar zoon de woning op 25 maart 2026 heeft verlaten en bij een vriend verblijft brengt de burgemeester niet tot een ander standpunt. Op de zitting is namens de burgemeester opgemerkt dat de zoon nog steeds toegang kan hebben tot de woning en dat de woning hoe dan ook zal worden gesloten. 15. De voorzieningenrechter stelt voorop dat sluiting van een woning in het algemeen een geschikte maatregel is om herhaling van een overtreding als hier aan de orde te voorkomen. Als de burgemeester zich op het standpunt stelt dat sluiting van de woning noodzakelijk is, dient zij zich er ook van te vergewissen dat de sluiting en de duur ervan evenwichtig is, ook als deze in overeenstemming is met de beleidsregel. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met de woning en de mogelijkheid om weer in de woning terug te keren. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. 16. Verzoekster heeft gesteld dat haar zoon de woning heeft verlaten, dat zij medische en psychische klachten heeft, dat zij een afspraak voor een intake heeft bij Novadic in verband met haar alcoholproblemen en dat zij wordt begeleid door een bewindvoerder. 17. De voorzieningenrechter begrijpt de zorgen van de burgemeester over het risico op herhaling van de overtreding en de gedragingen en intenties van verzoekster en haar zoon. De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bij het bestreden besluit echter onvoldoende heeft gemotiveerd dat sluiting van de woning op dit moment een passende maatregel is om het daarmee beoogde doel (het voorkomen van herhaling) te bereiken. De opmerking op de zitting dat de woning hoe dan ook zal worden gesloten draagt evenmin bij aan een inzichtelijke motivering.