Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-03
ECLI:NL:RBOBR:2026:2192
vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Locatie 's-Hertogenbosch Strafrecht Parketnummers: 96-237433-24 (en TUL: 01-118503-23), 01-140882-25, 01-167054-24, 01-241331-24, 01-293277-24, 01-137795-23, 01-322431-24 en 96-282173-24 (ter terechtzitting gevoegd) Datum uitspraak: 3 april 2026 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1988] , wonende te [woonplaats] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 maart 2026. Op deze zitting heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 18 februari 2026 (parketnummer 01-167054-24, 19 februari 2026 (de parketnummers 01-137795-23, 01-241331-24, 01-322431-24 en 01-293277-24), 27 februari 2026 (parketnummer 01-140882-25) en 16 maart 2026 (96-282173-24 en 96-237433-24). Omwille van de leesbaarheid zijn de tegen verdachte aanhangig gemaakte zaken hierna in chronologische volgorde (gerangschikt op pleegdatum) weergegeven (zo ook in de bewijsbijlage). Aan verdachte is ten laste gelegd dat: T.a.v. 01-137795-23: 1. hij, op of omstreeks 14 februari 2023 te Helmond een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk Arminius, type hw-38, kaliber .38 zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad; 2. hij, op of omstreeks 14 februari 2023 te Helmond munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 6 stuks Gfl 38 special, van het kaliber .38 voorhanden heeft gehad; 3. hij, op of omstreeks 14 februari 2023 te Helmond opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 54 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende Amfetamine, zijnde Amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; T.a.v. 01-241331-24: hij op of omstreeks 28 februari 2024 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad - ongeveer 2,06 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet - ongeveer 4,31 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of - ongeveer 4,87 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet - ongeveer 1,87 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of cocaïne, zijnde amfetamine en/of cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; T.a.v. 01-322431-24: 1. hij op of omstreeks 8 april 2024 te Helmond een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een of meer in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine en/of cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 460 microgram amfetamine per liter bloed en/of 5.7 microgram cannabis per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 va Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen. De ontvankelijkheid van de officier van justitie . T.a.v. 01-241331-24 heeft de verdediging onder verwijzing naar het uittreksel justitiële documentatie van 3 februari 2026, betreffende de verdachte, betoogd dat het parket OVJ ten aanzien van onderhavige feit (met pv nr. 2024044240) eerder op 10 december 2024 heeft besloten tot een sepot. De officier van justitie dient volgens de verdediging gelet daarop niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging. De rechtbank heeft acht geslagen op genoemd Uittreksel Justitiële Documentatie. Anders dan de verdediging heeft betoogd, stelt de rechtbank vast dat het parket OVJ heeft besloten om over te gaan tot dagvaarden ten aanzien van feit 1 (artikel 10 lid 3 Opiumwet jo. artikel 2 aanhef/onder C Opiumwet). Ten aanzien van de feiten 2 en 3 (respectievelijk eveneens een Opiumwetdelict en een diefstal) is wèl besloten tot een sepot. Het is de rechtbank dan ook niet gebleken dat ten aanzien van onderhavige feit een sepot is opgelegd. Het verweer wordt verworpen. De officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. Vrijspraak t.a.v. 01-167054-24 feit 2. De verdachte wordt verweten dat hij zich op 21 mei 2024 te Helmond schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – aan schuldheling (artikel 417bis lid 1 aanhef/onder a van het Wetboek van Strafrecht). De rechtbank overweegt als volgt. Op 21 mei 2024 zagen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de verdachte (vermoedelijk) door een rood verkeerslicht fietsen. De verdachte zat op een herenfiets en hij voerde een andere fiets los met zich mee. Het identiteitsbewijs van de verdachte wordt gevorderd. De verbalisanten zagen vervolgens dat van beide fietsen het slot was losgeslepen en de verdachte had van beide fietsen geen sleutel in zijn bezit. Bij het raadplegen van de politiesystemen bleek dat de fietsen niet als gestolen gesignaleerd stonden. Naar het oordeel van de rechtbank kan het feit onder deze omstandigheden niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. De rechtbank kan niet vaststellen dat de fietsen door misdrijf verkregen waren. De verdachte heeft direct verklaard dat hij de fietsen op moest halen voor een vriend, ene ‘ [naam 1] ’, die ergens in de buurt van de Heistraat (mogelijk bij het Leger des Heils) zou wonen. Het is de rechtbank niet gebleken dat de politie nader onderzoek heeft verricht naar de (on)juistheid van deze verklaring. De verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken zoals ook door de verdediging is bepleit. Bewijswaardering. Het standpunt van de officier van justitie . De officier van justitie heeft aangevoerd dat alle feiten onder de hiervoor genoemde parketnummers wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Het standpunt van de verdediging . T.a.v. 01-137795-23, de feiten 1 en 2 heeft de verdediging bepleit dat niet is gebleken dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de het wapen en de munitie. Hij heeft ook niet de beschikkingsmacht gehad over deze voorwerpen. T.a.v. 01-241331-24 heeft de verdediging zich – bij verwerping van het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie – gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. T.a.v. 01-322431-24, 96-282173-24 en 96-237433-24 (kort gezegd: rijden onder invloed) heeft de verdediging geen verweer gevoerd. T.a.v. 01-293277-24 heeft de verdediging betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat de verdachte niet het oogmerk heeft gehad de elektrische fiets zich wederechtelijk toe te eigenen. Het oordeel van de rechtbank . A. De bewijsmiddelen . In bijlage I heeft de rechtbank de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. B. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs . T.a.v. 01- De feiten onder genoemde parketnummer kunnen wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. T.a.v. 01-167054-24, feit 1: Op 21 mei 2024 omstreeks 01:45 uur bevond de verdachte zich in Helmond, op de weg, kruising Zuidende en de Kasteel-Traverse. De verdachte had verschillende gereedschappen bij zich, te weten moersleutels, inbussleutels en een multitool. Dit zijn voorwerpen die ertoe kunnen dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. Op basis van artikel 2.4.4. van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Helmond 2008 was het op genoemde tijdstip verboden om dergelijke voorwerpen te vervoeren of bij zich te hebben. Het feit kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. T.a.v. 01-293277-24: Aangeefster [aangever] verklaart dat haar elektrische fiets van het merk Stella Vincenza (met framenummer SCN450372SPFS01910) op 12 september 2024 is gestolen aan de Geysendorfferstraat te Helmond. Diezelfde dag heeft de politie gezien dat de verdachte en de voor de politie ambtshalve bekende [naam 3] zich bij een elektrische zwarte fiets aan de Geysendorfferstraat ophielden. Gezien werd dat de verdachte de fiets aan de achterzijde optilde en daarmee wegliep in de richting van de Van Meelstraat. De verdachte en [naam 3] liepen vervolgens met de fiets naar een grijze personenauto en zij stalden de fiets tussen de personenauto’s en de daar aanwezige bossages. Vervolgens liepen ze weg, waarna de mannen zijn aangehouden. Aan de hand van het framenummer kan worden vastgesteld dat dit de fiets van [aangever] betrof. Naar het oordeel van de rechtbank kan het feit wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. De verdachte heeft dit feit tezamen en in vereniging gepleegd met voornoemde [naam 3] . Sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking die is gericht op het voltooien (gezamenlijk uitvoeren) van het delict. De andersluidende verklaring van verdachte dat hij deze fiets op verzoek van een vriend had verplaatst is, gelet op de bewijsmiddelen, niet geloofwaardig. T.a.v. 01-140882-25: Op 6 maart 2025 vond een kamercontrole plaats van de woning van de verdachte aan [woonplaats] (een locatie van het bedrijf ‘ [bedrijf] ’, waar bewoners onder toezicht wonen). Bij die kamercontrole is in de woning van de verdachte een hoeveelheid plastic boterhamzakjes aangetroffen, met daarin (vermoedelijk) drugs. De inhoud van die boterhamzakjes is getest en het bleek in totaal om 137,8 gram amfetamine te gaan. Amfetamine staat vermeld op lijst I van de Opiumwet. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat deze drugs daar door een ander zijn neergelegd om verdachte te belasten. Het feit kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. De bewezenverklaring. Op grond van de inhoud van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en op grond van de inhoud van het vorenoverwogene, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: T.a.v. 01-137795-23: 1. hij op 14 februari 2023 te Helmond een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk Arminius, type hw-38, kaliber .38 zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver voorhanden heeft gehad; 2. hij op 14 februari 2023 te Helmond munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 6 stuks Gfl 38 special, van het kaliber .38 voorhanden heeft gehad; 3. hij op 14 februari 2023 te Helmond opzettelijk aanwezig heeft gehad 54 gram Amfetamine, zijnde Amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; T.a.v. 01-241331-24: hij op 28 februari 2024 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad - 2,06 gram heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, - 4,31 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 10 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar geëist. Daarbij heeft de officier van justitie de oplegging van bijzonder voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 7 november 2025 gevraagd, met uitzondering van de bijzondere voorwaarden betreffende ‘begeleid wonen’. De officier van justitie heeft voorts een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaar geëist. Betreffende de overtreding van de APV Helmond ( 01-167054-24, feit 1) heeft de officier van justitie gevraagd om de verdachte schuldig zonder oplegging van straf of maatregel (artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht). Het standpunt van de verdediging. De verdediging heeft verzocht om – bij een strafoplegging – rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Een gevangenisstraf zou de positieve ontwikkelingen in zijn leven doorkruisen. Een forse voorwaardelijke gevangenisstraf met daarnaast een taakstraf verdient de voorkeur. De verdediging heeft voorts verzocht om er in de strafmaat rekening mee te houden dat een technisch hulpmiddel is ingezet op basis waarvan bijgehouden kon worden op welk moment de verdachte in zijn auto is gaan rijden een inbreuk op het privéleven van de verdachte oplevert. Het oordeel van de rechtbank . Algemene overweging. Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Feiten waarop de straf is gebaseerd. De verdachte heeft zich in een tijdsbestek van enkele jaren schuldig gemaakt aan tal van strafbare feiten. De verdachte heeft op meerdere momenten hoeveelheden harddrugs in zijn bezit gehad. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers, maar ook overlast veroorzaken in de maatschappij als geheel. Daarnaast heeft de verdachte ook een vuurwapen en munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid met zich mee. De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het medeplegen van de diefstal van een elektrische fiets. Diefstallen zijn feiten, die naast materiële schade ook overlast veroorzaken voor de slachtoffers. Daarnaast heeft de verdachte er geen blijk van gegeven waarde te hechten aan de eigendommen van anderen. De verdachte heeft in een kort tijdsbestek van enkele dagen meerdere malen onder invloed gereden van stoffen (drugs) die de rijvaardigheid negatief beïnvloeden. Het is een feit van algemene bekendheid dat drugs het rijgedrag negatief beïnvloeden en daarmee de verkeersveiligheid in gevaar brengt. Tot slot heeft de verdachte zich nog schuldig gemaakt overtreding van de APV Helmond 2008 door om 01:45 uur in Helmond rond te fietsen met gereedschap, dat aan te merken is als ‘inbrekerswerktuigen’. De rechtbank rekent deze feiten de verdachte aan. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 februari 2026, waaruit blijkt dat verdachte in de afgelopen 5 jaar voorafgaand aan de onderhavige feiten meerdere malen is veroordeeld voor soortgelijke feiten (Opiumwetdelicten en handelen in strijd met de Wet wapens en munitie). Er is dus sprake van recidive. De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringrapport van [naam 4] van 7 november 2025, betr Feit 2: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Feit 3: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. T.a.v. 01-241331-24: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. T.a.v. 01-322431-24 : Feit 1: Overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Feit 2: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. T.a.v. 96-282173-24 Overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. T.a.v. 96-237433-24 Overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. T.a.v. 01-167054-24, feit 1: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.4.4. van de Algemene Plaatselijke verordening Helmond 2008. T.a.v. 01-293277-24 Diefstal door twee of meer verenigde personen. T.a.v. 01-140882-25 Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. verklaart de verdachte hiervoor strafbaar. T.a.v. 01-167054-24 feit 1: verklaart de verdachte schuldig zonder oplegging van straf of maatregel . Oplegging van straf en maatregel: T.a.v. 96-237433-24 feit 1, 01-137795-23 feit 1, feit 2, feit 3, 01-140882-25 feit 1, 01-241331-24, 01-293277-24, 01-322431-24 feit 1, feit 2, 96-282173-24 feit 1: Een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 10 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit. En stelt als bijzondere voorwaarden: De betrokkene meldt zich op binnen 3 dagen na het ingaan van de proeftijd bij de reclassering van [naam 4] op het adres [adres 2] . Betrokkene blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; De betrokkene laat zich behandelen door [naam 4] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling is reeds gestart. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor [crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek]. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal betrokkene zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt; De betrokkene spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. Hij werkt mee aan de begeleiding welke op dit gebied wordt ingezet; De betrokkene werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Betrokkene geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden. Geen andere huisvesting zonder toestemming; De betrokkene werkt mee aan controle van het gebruik van drugs/alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (bla