Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-03-26
ECLI:NL:RBOBR:2026:2151
RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch Beschikking van 26 maart 2026 In de zaak met zaaknummer / rekestnummer: 11976275 \ EJ VERZ 25-523 [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] , te [plaats] , verzoekende partij, verwerende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] , gemachtigde: mr. S.J.M. Peters, tegen [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] B.V. , te [plaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] , gemachtigde: mr. T. van Liempd. In de zaak met zaaknummer / rekestnummer: 11976274 \ EJ VERZ 25-522 [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] B.V. , te [plaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] , gemachtigde: mr. T. van Liempd, tegen [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] , te [plaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] , gemachtigde: mr. S.J.M. Peters. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure inzake 11976275 \ EJ VERZ 25-523 blijkt uit: - het verzoekschrift van [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] met 24 bijlagen,- het verweerschrift van [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] met 19 producties, - de brief met bijlagen 26 tot en met 41 van [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] , 1.2. Het verloop van de procedure inzake11976273 \ EJ VERZ 25-522 blijkt uit: - het verzoekschrift van [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] met 7 producties, - het verweerschrift van [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] met 25 bijlagen, - de brief met bijlagen 26 tot en met 41 van [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] , 1.3. De hiervoor onder 1.1. en 1.2. genoemde stukken worden geacht onderdeel uit te maken van beide procedures. 1.4. Op 2 maart 2026 heeft in beide procedures tezamen de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De gemachtigden van partijen hebben pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt. 1.5. Na het sluiten van de mondelinge behandeling is beschikking in beide procedures bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] , geboren [geboortedatum] 1967, was tot 17 februari 2023 via zijn vennootschap [A] B.V. enig aandeelhouder van de besloten vennootschap [B] B.V. (en haar rechtsvoorganger [C] N.V.), een tandartspraktijk in [plaats] . 2.2. Per 17 februari 2023 hebben [D] (hierna: [D] ), enig aandeelhouder van de besloten vennootschap Mue Dent B.V., en [E] (hierna: [E] ) enig aandeelhouder van de besloten vennootschap Degrodent B.V., respectievelijk 74% en 24% van de aandelen van de tandartspraktijk overgekocht. [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] heeft 2% van de aandelen behouden. [D] en [E] waren beiden voorheen werkzaam bij [B] , respectievelijk in de functie van tandarts en preventie-assistente. Vanaf 17 februari 2023 vormen [D] en [E] gezamenlijk het bestuur van de tandartspraktijk die ‘ [F] B.V.’ (hierna ook: [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] ) is gaan heten. 2.3. Ten behoeve van de praktijkovername is een aantal overeenkomsten gesloten: een aandelenovereenkomst tussen enerzijds [A] B.V. en anderzijds Mue Dent B.V. en Degrodent B.V. een overeenkomst van geldlening tussen [A] B.V. en Degrodent B.V. een aandeelhoudersovereenkomst die is gesloten door zowel [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] , [D] en [E] in persoon, als in hoedanigheid van bestuurder van hun persoonlijke holdings en in hoedanigheid van bestuurders van [F] B.V. een arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] en [F] B.V. een huurovereenkomst tussen enerzijds [A] B.V. als verhuurder en anderzijds [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] B.V. en Degrodent B.V. als huurder. 2.4. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] met ingang van 1 januari 2023 voor onbepaalde tij Op 28 augustus 2025 is [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief, die per e-mail aan de gemachtigde van [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] is verstuurd, staat het volgende: “ (…) [D] heelt vastgesteld dat uw cliënt buiten openingstijden de praktijk heeft betreden. Dit handelen is expliciet als niet toegestaan aangemerkt en is aan uw cliënt medegedeeld. Voorts is na terugkeer van [D] gebleken dat uw cliënt behandelingen heeft uitgevoerd bij patiënten, althans de behandelruimte heeft betreden en slangen heeft meegenomen of uit de ruimte heeft gehaald, en dat uw cliënt de camera in de behandelruimte heeft uitgezet. Dit gebeurde terwijl uw cliënt eerder per e-mail was verboden om de gehuurde ruimte zonder toestemming te betreden en om met de camera’s te manipuleren en hiervoor reeds een officiële waarschuwing heeft ontvangen. Daar komt bij dat uw cliënt de compressor heeft aangezet en aangelaten waardoor het afzuigsysteem in werking trad. Volgens [D] kan de compressor voor geen andere legitieme handeling worden gebruikt, zodat dit een duidelijke indicatie vormt dat uw cliënt de behandelstoel buiten openingstijden heeft gebruikt waartoe geen toestemming bestond. Deze omstandigheid verzwaart de ernst van het handelen van uw cliënt. In uw e-mail van 28 augustus 2025 geeft u namens uw cliënt uitleg. Kort samengevat komt het op het volgende neer: 1. Uw cliënt zou het recht hebben om de ruimte te betreden zonder toestemming van [D] , omdat uw cliënt verhuurder is; 2. Uw cliënt zou zijn broer hebben behandeld; 3. De camera vindt uw cliënt onwenselijk en in strijd met privacy. De hiervoor beschreven gedragingen, afzonderlijk en in onderlinge samenhang beschouwd, leveren een dringende reden op om de arbeidsovereenkomst van uw cliënt met onmiddellijke ingang op 28 augustus 2025 te beëindigen. De eerdere schriftelijke waarschuwing van 3 december 2024, waarin onder meer Is aangegeven dat het betreden van de praktijk builen openingstijden en het manipuleren van camera's verboden is, maakt dit ontslag gerechtvaardigd. Uw cliënt lijkt het verschil tussen zijn rol als verhuurder en zijn rol als werknemer te verwarren. Het Is [D] toegestaan, zeker gezien de ernstig en duurzaam verstoorde verhouding die niet is opgelost door mediation, uw cliënt te instrueren dat hij de ruimte niet betreedt. Daarnaast is uw cliënt geïnstrueerd en gewaarschuwd dat hij geen behandelingen mag uitvoeren, als [D] niet aanwezig Is. Ook aan die instructie heeft uw cliënt lak gehad. Last but not least, het is [D] toegestaan in het kader van veiligheid en controle om een camera op te hangen. Dat uw cliënt lak heeft aan de redelijke instructie, maakt het ontslag op slaande voel des te gerechtvaardigder. De opmerking dat het ontslag is ingegeven door de aankondiging dat uw cliënt zich beter wil melden, kan [D] niet plaatsen. In dat geval had [D] namelijk een ontbindingsverzoek ingediend, vanwege de ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, alsmede (ernstig) verwijtbaar handelen aan de zijde van uw cliënt. Bij het nemen van deze beslissing heeft [D] rekening gehouden met alle omstandigheden en de verstrekkende gevolgen voor uw cliënt, waaronder de financiële gevolgen. De voorgeschiedenis van uitschelden en intimideren heeft uiteraard ook een rol gespeeld. Doordat uw cliënt [D] in een positie heeft gebracht waarin beëindiging op staande voet onvermijdelijk is, is uw cliënt aan [D] de gefixeerde schadevergoeding verschuldigd. Met de eindafrekening zal deze schadevergoeding worden verrekend voor-zover toereikend en zo nodig separaat worden nagefactureerd. Voorts kwalificeren de dringende redenen als ernstig verwijtbaar, zodat geen aanspraak bestaat op de transitlevergoeding.(…)” 3 Het verzoek en het verweer inzake 11976275 \ EJ VERZ 25-523 3.1. [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] verzoekt de kantonrechter om een billijke vergoeding van € 1.171.158,91 bruto toe te kennen en verzoekt om [verweerder in 2 De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werkgever moet de dringende reden bewijzen. 5.5. In de ontslagbrief van 28 augustus 2025 wordt [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] verweten dat hij behandelingen heeft uitgevoerd bij patiënten, althans de behandelruimte heeft betreden en slangen heeft meegenomen of uit de ruimte heeft gehaald, en dat hij de camera in de behandelruimte heeft uitgezet. Deze verwijten hebben betrekking op dat wat zich medio augustus 2025 heeft afgespeeld. Tussen partijen staat niet ter discussie dat in de vakantieperiode waarin de tandartspraktijk gesloten was, [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] zijn broer heeft behandeld en daarvoor de behandelruimte heeft betreden en de daarin aanwezige camera heeft uitgeschakeld. [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] stelt dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] daarmee in strijd met eerdere mondelinge en schriftelijke waarschuwingen en duidelijke instructies heeft gehandeld. [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] heeft daar tegen ingebracht dat aan de eerdere waarschuwing van 3 december 2024 geen gewicht toekomt omdat hij woonachtig is boven de praktijk en op basis van de huurovereenkomst het recht heeft om buiten openingstijden de behandelruimte te betreden om te komen en gaan naar de tuin en deze waarschuwing daarom is gepareerd bij schrijven van 22 april 2025. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] niet in dat betoog kan worden gevolgd. Vast staat immers dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] de behandelruimte niet heeft betreden om te komen en gaan naar de tuin maar om een behandeling uit te voeren en vast staat ook dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] een gewaarschuwd man was, ook als hij zich niet met de inhoud van de waarschuwing in de brief van 3 december 2024 kon verenigen. Bovendien heeft [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] ter zitting erkend dat hij zich ervan bewust was dat hij fout handelde, maar dat hij de behandeling toch heeft uitgevoerd omdat hij wilde dat er “schot in de zaak kwam”, waarmee [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] doelt op de ernstig verstoorde arbeidsrelatie die tussen partijen was ontstaan. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [F] terecht verwijt dat hij ondanks de eerdere waarschuwing in strijd heeft gehandeld met de instructie van [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] . De kantonrechter is evenwel van oordeel dat bij de beoordeling van de vraag of het verwijtbare handelen van [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert, niet kan worden voorbijgegaan aan de bijzondere (arbeids)relatie tussen partijen en de bijzondere omstandigheden van het geval. [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] is ruim 30 jaar eigenaar geweest van de tandartspraktijk, die hij via een aandelenoverdracht (als beschreven in r.ov. 2.2. en 2.3) aan [D] en [E] heeft verkocht. [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] heeft onweersproken gesteld dat hij de praktijk wilde verkopen omdat hij minder wilde werken en het de bedoeling van partijen was dat hij nog enkele jaren aan de praktijk verbonden bleef om aan hem verknochte patiënten te behandelen. Door [E] is erkend dat het [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] was toegestaan om maandelijks in Spanje te verblijven en dat aan die afspraak ook uitvoering is gegeven. Daarnaast is [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] , via zijn ho Ook heeft [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] de jaaropgaaf 2008 van [C] N.V. overgelegd waarop 01-01-1995 als ‘datum in dienst’ is vermeld. [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] heeft hier gemotiveerd verweer tegen gevoerd. Volgens [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] was [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] (slechts) directeur-groot aandeelhouder van de vennootschappen en was hij niet in loondienst. [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] voert aan dat er geen sprake is van overgang van onderneming althans opvolgend werkgeverschap en dat de transitievergoeding daarom dient te worden berekend op basis van een indiensttreding per 1 januari 2023, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 8.843,38 bruto. 5.8. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] zal [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] worden toegelaten te bewijzen dat hij vanaf 1 januari 1994, althans 1 januari 1995, onafgebroken in dienst is geweest bij (de rechtsvoorganger) van [F] B.V. Aan [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] wordt een billijke vergoeding van € 60.000,- toegekend 5.9. Het verzoek van [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] tot toekenning van een billijke vergoeding zal eveneens worden toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt. 5.10. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen. 5.11. Bij het vaststellen van de hoogte van de billijke vergoeding neemt de kantonrechter het volgende in aanmerking. Ter zitting hebben partijen erkend dat hun arbeidsrelatie ernstig en duurzaam is verstoord. Gelet daarop acht de kantonrechter het redelijk om als uitgangspunt te nemen dat, als het ontslag op staande voet zou worden weggedacht, de arbeidsovereenkomst op korte termijn zou zijn geëindigd. Uitgaande van een ontbindingsprocedure, zou de arbeidsovereenkomst hooguit zes maanden hebben voortgeduurd. Bij het bepalen van de billijke vergoeding neemt de kantonrechter ook mee dat [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] weliswaar ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] op staande voet te ontslaan, maar dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] ook verwijtbaar heeft gehandeld door zich niet te houden aan de instructie van [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] met betrekking tot het betreden van de behandelruimte. Ook weegt de kantonrechter mee dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] zijn werkzaamheden aan het afbouwen was door enkel nog te werken ‘voor de lol’ en voor verknochte patiënten. [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] heeft erop gewezen dat de arbeidsmarkt voor tandartsen gunstig is en [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] heeft dat niet weersproken. Verwacht wordt dan ook dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] op korte termijn elders een functie zal kunnen vervullen. Al met al vindt de kantonrechter een billijke vergoeding van € 60.000,- billijk. [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] is niet ontvankelijk in zijn overige verzoeken 5. Volgens [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] is op advies van de boekhouder in zowel de arbeidsovereenkomst van [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] als in de arbeidsovereenkomst van [D] een arbeidsomvang van 36 uur overeengekomen, maar werkten zij beiden minder uren terwijl het bruto maandloon ongewijzigd bleef en werkte [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] voor de overname ook al minder dan 36 uur. [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] stelt dat hij alleen in dienst was om verknochte patiënten te blijven behandelen en het de bedoeling van partijen was dat na overname van de praktijk [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] twee weken op, twee weken af, zou werken. [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] weerspreekt dat niet, maar voert aan dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] ondanks deze afspraak maandelijks wel gemiddeld 36 uur per week moest werken. Daarnaast stelt [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] dat vanwege de verstoorde arbeidsrelatie partijen begin augustus 2024 zijn overeengekomen dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] iedere twee weken anderhalve dag (van 07.30 tot 17.00) zou werken, zodat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] en [D] elkaar niet tegen zouden komen, eveneens tegen een ongewijzigd bruto maandloon. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] gewezen op de handgeschreven notitie op de arbeidsovereenkomst, die volgens hem door [E] zou zijn geaccordeerd in opdracht althans met volmacht van [D] . [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] weerspreekt dat er afwijkende afspraken zijn gemaakt en houdt vast aan de in artikel 3 van de arbeidsovereenkomst vermelde arbeidsomvang. 5.20. Aangezien [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] zich beroept op de rechtsgevolgen van zijn stelling dat er in afwijking van de in artikel 3 opgenomen arbeidsomvang, andere afspraken zijn gemaakt, en [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] dit gemotiveerd heeft weersproken, zal de kantonrechter [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] toelaten tot het leveren van bewijs van zijn stelling. [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] is niet ontvankelijk in haar overige verzoeken 5.21. [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] heeft verzocht [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] te verbieden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming de bedrijfslocatie te betreden – uitgezonderd de uitzonderingen op basis van de huurovereenkomst – en hem te verbieden om op enigerlei wijze contact op te nemen met [D] en [E] , met uitzondering van contact dat uitsluitend plaatsvindt via advocaat of gemachtigde of andere professioneel adviseur voor zover dit noodzakelijk is in het kader van de juridische en financiële afwikkeling van de tussen [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] en [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] bestaande rechtsverhoudingen. De kantonrechter is van oordeel dat ook deze vorderingen geen verband houden met het einde van de arbeidsovereenkomst, als bedoeld in artikel 7:686a lid 3 BW. [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoeken. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden 5.22. In afwachting van de bewijslevering door [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] houdt de kantonrechter iedere verdere beslissing aan. 6 De beslissing De kantonrechter in de zaak met zaaknummer 11976275 \ EJ VERZ 25-523 6.1. draagt [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] op te bewijzen dat hij sinds 1 januari 1994 onafgebroken in loondienst is geweest bij (de rechtsvoorganger van) [F] B.V. 6.2. bepaalt dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] zich uiterlijk 23 april 2026 kan uitlaten of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel, 6.3. bepaalt dat, als [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] geen bew