Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2026-03-31
ECLI:NL:RBOBR:2026:2053
Civiel recht
Kort geding
5,746 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:2053 text/xml public 2026-04-06T09:00:13 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-03-31 C/01/421437 / KG ZA 25-622 Uitspraak Kort geding NL 's-Hertogenbosch Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2053 text/html public 2026-03-31T17:16:09 2026-04-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2053 Rechtbank Oost-Brabant , 31-03-2026 / C/01/421437 / KG ZA 25-622 geschil mbt handelsnaam/domeinnaam Vorderingen strekkende tot het staken van het voeren van de handelsnaam / domeinnaam. Inbreuk op de rechten van eiseres ogv Handelsnaamwet aannemelijk omdat de handelsnaam van gedaagde (nagenoeg) identiek is aan die van eiseres zodat verwarring te duchten is. Gelet op de omstandigheden van het geval is de handelsnaam van eiseres beschermd, ook nu deze (deels ) beschrijvend is. Voor zover gedaagde de domeinnaam gebruikt in het kader van zijn onderneming zal hij worden bevolen het gebruik te staken en gestaakt te houden. De vordering de domeinnaam over te dragen aan eiseres wordt afgewezen omdat een wettelijke grondslag hiervoor ontbreekt. RECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: C/01/421437 / KG ZA 25-622 Vonnis in kort geding van 31 maart 2026 in de zaak van WOONHUB B.V. , gevestigd te Eindhoven, eisende partij, hierna te noemen: Woonhub , advocaat: mr. N.J.W.M. de Leeuw te ‘s-Hertogenbosch tegen 1. de vennootschap onder firma [gedaagde 1] , gevestigd te [plaats] , 2. [gedaagde 2] , 3. [gedaagde 3] , beiden wonende te [plaats] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden] , advocaat: mr. J.I. Jansen te Amsterdam. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 14 januari 2026 met 16 producties - de brief van 29 januari 2026 van Woonhub met vermeerdering van eis en met aanvullende producties 17 t/m 19 - de brief van 7 februari 2026 van Woonhub met een aanvullende productie 20 - de conclusie van antwoord van 6 februari 2026 met zes producties - de mondelinge behandeling van 10 februari 2026 - de pleitnota van Woonhub - de pleitnota van [gedaagden] . 1.2. Aan het eind van de mondelinge behandeling is de zaak op verzoek van partijen aangehouden om te bezien of in overleg tot een oplossing van het geschil kon worden gekomen. 1.3. Bij brief van 10 maart 2026 heeft mr. De Leeuw medegedeeld dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt en dat vonnis wordt gevraagd. 1.4. Vonnis is bepaald op heden. 2 De feiten 2.1. Woonhub is opgericht op 15 september 2020 en is gevestigd in Eindhoven en ’s-Hertogenbosch. De onderneming is een makelaarskantoor met als doel de bemiddeling in verband met de exploitatie, de handel, en beheer in onroerend goed. 2.2. Woonhub maakt gebruik van de domeinnaam www.woonhub.nl. Woonhub maakt gebruik van sociale mediakanalen als LinkedIn en Facebook, en verspreidt brochures en advertenties met haar handelsnaam. Haar handelsnaam is ook zichtbaar op borden bij door Woonhub bemiddelde panden. 2.3. [gedaagde 1] is een vennootschap onder firma die op 15 januari 2024 is opgericht. De vennoten zijn [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . De onderneming is gevestigd te [plaats] en drijft de handelsnamen [gedaagde 1] /WoonHub. Het doel van de onderneming is het verrichten (als aannemer) van bouw- en renovatiewerkzaamheden. 2.4. [gedaagden] maakt gebruik van de domeinnamen www.WoonHub.nl en www.woonhub.com . [gedaagden] maakt gebruik van sociale mediakanalen als LinkedIn. Haar handelsnaam is ook zichtbaar op het bord aan de gevel van haar kantoorpand. 2.5. Woonhub heeft het exclusieve woord-beeldmerkrecht in licentie ontvangen van haar bestuurder en enig aandeelhouder [A] B.V tegen een jaarlijkse licentievergoeding van € 50.000,-. Het merk is bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom geregistreerd. 2.6. De (eerste pagina van de) website van Woonhub ziet er zo uit: 2.7. De (eerste pagina van de) website van [gedaagden] ziet er zo uit: 2.8. Bij brief van 10 september 2025 (productie 3 bij dagvaarding) heeft Woonhub [gedaagden] gesommeerd het gebruik van de handelsnaam Woonhub te staken en gestaakt te houden. Aan deze sommatie heeft [gedaagden] geen gevolg gegeven. 2.9. Op 16 oktober 2025 heeft Woonhub bericht ontvangen van een collega-makelaar (productie 16 bij dagvaarding) met een foto van de voorgevel van het kantoor van [gedaagden] in [plaats] met de vraag of Woonhub een nieuw logo heeft. 2.10. Op de LinkedIn-pagina van Woonhub staat tussen de eigenaren en medewerkers van Woonhub, [gedaagde 2] met foto en met de vermelding dat hij eigenaar is bij WoonHub (productie 6 bij dagvaarding). 2.11. Op zijn LinkedIn-pagina (productie 7 bij dagvaarding) stelt [gedaagde 2] zich voor als eigenaar van Woonhub en verwijst hij naar Tiktok, Instagram en Facebook pagina - @woonhub.nl, zijnde de domeinnaam van Woonhub. 2.12. Op 2 december 2025 heeft Woonhub aangifte gedaan (productie 11 bij dagvaarding) tegen [gedaagden] van identiteitsfraude/(poging tot) oplichting/valsheid in geschrifte/misbruik van handelsnaam, merk en zakelijke identiteit. 3 Het geschil 3.1. Woonhub vordert – na vermeerdering van eis – om [gedaagden] te veroordelen om: 1. Met onmiddellijke ingang na betekening van het vonnis ieder gebruik van de handelsnaam van Woonhub en van iedere andere handelsnaam die identiek is aan of slechts in geringe mate afwijkt van de handelsnaam van Woonhub te staken en gestaakt te houden, en met onmiddellijke ingang te stoppen met het (fysiek en online, via social media en andere online platforms) aanhaken bij de handelsnaam van Woonhub, en aanhaken door middel van het gebruik van het unieke webadres (URL) van Woonhub en middels (door)linken; 2. Met onmiddellijke ingang na betekening van het vonnis ieder gebruik van het woord/beeldmerk van Woonhub te staken, in die zin dat het [gedaagden] wordt verboden het logo bestaande uit een huisje, met het schuine dak en de raampjes, zoals thans afgebeeld te handhaven, [gedaagden] te veroordelen die hiervoor genoemde elementen uit het logo te verwijderen en het [gedaagden] te verbieden nog meer of andere elementen uit woord/beeldmerk van Woonhub over te nemen; 3. Te bepalen dat bovenstaande vorderingen worden toegewezen op straffe van een dwangsom van € 5.000,- indien hieraan niet wordt voldaan, en € 500,- per dag of deel daarvan dat [gedaagden] met de gehele of gedeeltelijke nakoming van de veroordelingen in gebreke blijft; 4. Mee te werken aan het onverwijld overdragen van de domeinnaam www.woonhub.com aan Woonhub, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte van een dag dat hier niet of niet volledig aan wordt voldaan nadat het vonnis aan [gedaagden] is betekend, onverminderd het recht van Woonhub om daarnaast nakoming c.q. de overdracht te vorderen en/of volledig schadevergoeding te vorderen. 5. Op basis van art. 1019i Rv de termijn waarbinnen een bodemprocedure aanhangig moet worden gemaakt te bepalen op zes maanden, te rekenen vanaf de datum van het vonnis; 6. [gedaagden] te veroordelen in de kosten van deze procedure conform artikel 1019h Rv, ter hoogte van € 6.875,- te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente. 7. [gedaagden] te veroordelen tot betaling van € 5.000,- als voorschot op schadevergoeding. 3.2. Woonhub legt aan de vorderingen – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag. Het gebruik door [gedaagden] van de handelsnaam WoonHub voor haar onderneming, leidt tot verwarring bij het publiek aangezien beide ondernemingen in dezelfde regio opereren en zich richten op dezelfde (woning-) markt, en aangezien de door [gedaagden] gebruikte handelsnaam identiek is aan die van (eiseres) Woonhub. Woonhub voert haar handelsnaam eerder dan [gedaagden] . Daarnaast heeft Woonhub de licentie op het gebruik van het exclusieve woord-/beeldmerkrecht Woonhub dat is geregistreerd bij het Benelux Bureau voor de Intellectuele Eigendom. Het woord-/beeldmerk dat [gedaagden] gebruikt toont veel gelijkenis met dat van Woonhub.
Volledig
Het gebruik door [gedaagden] van de handelsnaam Woonhub en het registreren van een domeinnaam die identiek is aan de handelsnaam levert jegens Woonhub een onrechtmatige daad op waardoor Woonhub schade lijdt. 3.3. [gedaagden] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Woonhub. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling Spoedeisend belang 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat Woonhub daarbij een spoedeisend belang heeft. Het spoedeisend belang volgt genoegzaam uit de aard van het gevorderde en uit hetgeen Woonhub daaraan ten grondslag heeft gelegd. Inhoudelijk 4.2. Nu het spoedeisend wordt aangenomen gaat de voorzieningenrechter over tot de inhoudelijke beoordeling van de vordering. De voorzieningenrechter vormt zich hierbij een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. Maatstaf inbreuk handelsnaam 4.3. Op grond van artikel 5 Hnw is het verboden een handelsnaam te voeren die, voordat de onderneming onder die naam werd gedreven, reeds door een ander rechtmatig werd gevoerd, of die van diens handelsnaam slechts in geringe mate afwijkt, als daardoor, gelet op de aard en plaats van beide ondernemingen, bij het publiek verwarring tussen die ondernemingen te duchten is. Wanneer de ingeroepen oudere handelsnaam (in meer of mindere mate) beschrijvend is of onderscheidend vermogen mist, geldt het volgende. Bij de beoordeling van de vraag of en, zo ja, in hoeverre, bij het relevante publiek (directe of indirecte) verwarring te duchten is, dient het algemene belang betrokken te worden. Dat ziet op het belang dat aanduidingen die beschrijvend zijn voor de aard van een onderneming of van de door haar geleverde waren of diensten, door een ieder vrij moeten kunnen worden gebruikt. Bij die beoordeling moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, waaronder de mate van – intrinsiek aan de naam verbonden of door bekendheid bij het publiek verworven – onderscheidend vermogen van de oudere handelsnaam. Voor zover deze wet de gebruiker van een handelsnaam geen bescherming geeft, met name doordat deze hem slechts beschermt tegen het gebruik van dezelfde of van een overeenstemmende naam als handelsnaam (art. 5 Hnw), biedt art. 6:162 BW aanvullende bescherming tegen het latere gebruik van dezelfde of een overeenstemmende naam dat verwarring wekt, bijvoorbeeld in een domeinnaam. 4.4. Vast staat dat Woonhub haar handelsnaam eerder voerde dan [gedaagden] . De naam ‘Woonhub’ is voor wat betreft het woord ‘woon’, gelet op de aard van de onderneming en haar activiteiten (makelaars in vastgoed) beschrijvend. Door de toevoeging van het woord Engelse woord ‘hub’ heeft de handelsnaam Woonhub naar het oordeel van de voorzieningenrechter in beperkte mate onderscheidend vermogen. Voor het aannemen van een handelsnaaminbreuk is het voldoende dat verwarring te duchten is. Het is dus niet nodig dat aannemelijk wordt gemaakt dat verwarring daadwerkelijk optreedt. 4.5. [gedaagden] maakt gebruik van een handelsnaam (WoonHub) die zowel auditief als visueel (vrijwel) identiek is aan de handelsnaam van (eiseres) Woonhub. Alhoewel [gedaagden] en Woonhub verschillende bedrijven zijn (een aannemersbedrijf, respectievelijk een makelaarskantoor), en hun website en logo visueel van elkaar verschillen, opereren zij in dezelfde (onroerend goed) markt. Daarbij is mede van belang dat Woonhub tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij klanten voor het verbouwen/verduurzamen van hun woning regelmatig doorverwijst naar aannemers met wie zij contact heeft zodat het gevaar bestaat dat haar klanten denken dat de onderneming van [gedaagden] gelieerd is aan de onderneming van Woonhub. Woonhub en [gedaagden] opereren in dezelfde regio en bereiken via internet een landelijk publiek. Onder deze omstandigheden is het aannemelijk dat, ondanks dat de handelsnaam van Woonhub (deels) een beschrijvend karakter heeft, Woonhub bescherming geniet omdat verwarringsgevaar tussen de ondernemingen van partijen te duchten is. Tijdens de behandeling van de zaak is gebleken dat de mogelijke verwarring zich vooral voordoet in het digitale verkeer (het gebruik van een (nagenoeg) identieke handelsnaam in de domeinnaam). Alhoewel voor het aannemen van een Handelsnaamwetinbreuk het gevaar voor verwarring bij het publiek voldoende is, heeft Woonhub diverse gevallen genoemd waarin zich die verwarring ook daadwerkelijk heeft voorgedaan. Zo noemt zij in de aangifte bij de politie het bericht van de voormalig (mede-)eigenaar van Woonhub dat zij begin september 2025 ontving, naar aanleiding van een advertentie van [gedaagden] onder de naam ‘WoonHub.nl’ met de vraag of Woonhub een nieuwe vestiging had in [plaats] . Verder noemt zij het bericht van de collega-makelaar met de foto van de voorgevel van het kantoor van [gedaagden] met de vraag of Woonhub een ander logo had. 4.6. Nu de voorzieningenrechter van oordeel is dat door het gebruik van de handelsnaam “WoonHub” of “Woonhub” zonder onderscheidende toevoeging tussen de ondernemingen van partijen verwarring is te duchten, kan Woonhub zich tegen het gebruik van die handelsnaam verzetten. Dit brengt mee dat de vordering onder 1 wordt toegewezen, in die zin dat [gedaagden] zal worden bevolen het gebruik van de handelsnaam “WoonHub” of “Woonhub” zonder onderscheidende toevoeging te staken en gestaakt te houden. De voorzieningenrechter ziet voorshands geen aanleiding een verdergaand bevel toe te wijzen. Woonhub wordt geacht voldoende belang te hebben bij de door haar gevorderde dwangsom, welke uit oogpunt van proportionaliteit zal worden gematigd. De termijn waarbinnen [gedaagden] aan de uit te spreken veroordeling dient te voldoen zal de voorzieningenrechter redelijkheidshalve stellen op 30 dagen na betekening van dit vonnis. 4.7. De (vermeerderde) vordering voor zover die strekt tot het opleggen van een verbod ‘aan te haken’ bij de handelsnaam van eiseres is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende bepaald. Eiseres heeft niet duidelijk gesteld op welke handelingen zij doelt, zodat het opleggen van een verbod op straffe van een dwangsom tot executiegeschillen zal leiden. Daarbij ontbreekt aan de vordering een (wettelijke) grondslag. Dit gedeelte van de vordering zal dan ook worden afgewezen. Woord-/beeldmerk Woonhub 4.8. In de dagvaarding heeft Woonhub, met betrekking tot de vordering die ertoe strekt [gedaagden] te veroordelen het gebruik van het woord-/beeldmerk te staken, gesteld dat Woonhub via een licentieovereenkomst gebruik maakt van het exclusieve woord-/beeldmerkrecht dat is geregistreerd bij het Benelux Bureau voor de intellectuele eigendom. Deze stelling lijkt een beroep op artikel 2.20 van het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (BVIE) in te houden. In haar pleitnotitie is Woonhub op deze grondslag (echter) niet nader ingegaan en desgevraagd heeft zij verklaard dat zij zich voor wat betreft de grondslagen van haar vorderingen thans beperkt tot artikel 5 Hnw en artikel 6:162 BW. Woonhub is verder ook niet ingegaan op haar stelling die betrekking heeft op de vordering het gebruik van het woord-/beeldmerk van Woonhub te staken maar heeft deze niet ingetrokken. Gelet op de website van Woonhub en de website van [gedaagden] (waarvan de eerste pagina hierboven in het feitenoverzicht is weergegeven), waarop ook het beeldmerk van Woonhub en [gedaagden] te zien is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de merken qua kleur en teken dermate van elkaar afwijken dat er – zonder nadere onderbouwing van de vordering door Woonhub, die ontbreekt – geen aanleiding is om het door Woonhub gevraagde verbod het woord-/beeldmerk te gebruiken op te leggen naast het hierna uit te spreken verbod op het gebruik van de handelsnaam. Domeinnaam 4.9. De bescherming van het recht op een domeinnaam is niet wettelijk geregeld.
Volledig
Als uitgangspunt geldt dat degene die zich als domeinnaamhouder heeft laten registreren, alleen gedwongen kan worden de domeinnaam aan een ander over te dragen, als hij daartoe rechtens verplicht is, bijvoorbeeld uit hoofde van een overeenkomst of wanneer de registratie of het gebruik van de domeinnaam jegens de ander onrechtmatig is . De Hoge Raad heeft zich niet uitgesproken over de vraag of “het recht op een domeinnaam” een sui generis recht is of een vorderingsrecht op de instantie die de domeinnaam uitgeeft. 4.10. In de literatuur is discussie ontstaan over de juridische grondslag van de overdraagbaarheid van een domeinnaam, gezien voornoemde kwalificaties van “het recht op een domeinnaam”. Een recht sui generis is immers alleen overdraagbaar indien dat bij de wet is voorzien. Zoals hiervoor is overwogen, is het recht op een domeinnaam niet bij wet geregeld. Overdracht van een vorderingsrecht op de uitgevende instantie bevelen, verhoudt zich mogelijk niet met de contractuele structuur waar deze instantie zich van bedient, nu daar wordt gewerkt met contractvernieuwing. Daarnaast, als er veronderstellenderwijs vanuit gegaan wordt dat een domeinnaam overdraagbaar is, is het de vraag of [gedaagden] verplicht kan worden haar domeinnaam aan Woonhub over te dragen op grond van het feit dat zij door het gebruik van haar domeinnaam onrechtmatig handelt jegens Woonhub (door inbreuk te maken op het handelsnaamrecht van Woonhub). De juridische ‘sancties’ voor onrechtmatig handelen volgen uit artikel 3:296 BW en artikel 6:162 BW. Dat [gedaagden] rechtens verplicht wordt om haar domeinnaam aan Woonhub over te dragen volgt uit de artikelen 3:296 BW en 6:162 BW in ieder geval niet. Ook artikel 5 Hnw kent een dergelijke sanctie niet. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat er geen grondslag bestaat voor de overdracht van de domeinnaam van www.woonhub.com aan Woonhub zoals Woonhub onder 4 heeft gevorderd. 4.11. In de dagvaarding en in haar pleitnotitie heeft Woonhub aangevoerd dat [gedaagden] door het gebruik van haar handelsnaam online onrechtmatig handelt jegens Woonhub. In dit kader wijst Woonhub op haar LinkedIn-pagina waar de eigenaar van [gedaagden] zich presenteert als één van de eigenaren van WoonHub (vgl. bovenstaand overweging 2.8) en op de verwijzing naar de website van Woonhub op de LinkedInpagina van [gedaagden] (vgl. bovenstaand overweging 2.9). Het gebruik van de handelsnaam in een domeinnaam kan onder omstandigheden onrechtmatig zijn. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Woonhub, mede door te wijzen op omstandigheden zoals die hierboven zijn aangehaald, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [gedaagden] met het gebruik van de handelsnaam WoonHub/woonhub (in haar domeinnaam) onrechtmatig handelt jegens Woonhub. [gedaagden] zal dan ook worden bevolen het gebruik van haar domeinnaam “woonhub.com” te staken en gestaakt te houden, voor zover deze domeinnaam wordt gebruikt in het kader van de onderneming van [gedaagden] . Evenals de veroordeling met betrekking tot het gebruik van de handelsnaam zal de voorzieningenrechter de termijn voor [gedaagden] om te voldoen aan de veroordeling bepalen op een maand na betekening van dit vonnis. Als extra prikkel om het bevel tijdig na te komen zal de door Woonhub gevorderde dwangsom op de hierna te vermelden wijze worden toegewezen . Voorschot op schadevergoeding 4.12. Het onder 7. gevorderde voorschot op schadevergoeding wordt afgewezen. Hiertoe wordt het volgende overwogen. Volgens vaste jurisprudentie is ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden. Zo zal niet alleen moeten worden onderzocht of het bestaan van de vordering in kwestie voldoende aannemelijk is – hetgeen betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter haar zal toewijzen – maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken dient te worden. Woonhub heeft (de hoogte van) de schade onvoldoende onderbouwd en daardoor is de vordering onvoldoende aannemelijk. Evenmin heeft Woonhub aannemelijk gemaakt dat sprake is van onverwijlde spoed die maakt dat het aanvaarden van het restitutierisico gerechtvaardigd is. Proceskostenveroordeling 4.13. Aangezien de vorderingen van Woonhub die zien op de kern van het geschil, te weten het gebruik van de handelsnaam en de domeinnaam, worden toegewezen, zal [gedaagden] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Woonhub heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van haar proceskosten overeenkomstig artikel 1019h Rv. Volgens de laatstelijk geïndexeerde liquidatietarieven geldt bij een (eenvoudig) geschil (als het onderhavige) in een IE-zaak een tarief van maximaal € 7.200,-. Het door Woonhub gevorderde advocaatsalaris blijft onder dit bedrag en zal (als onderdeel van de hierna te begroten proceskosten) dan ook worden toegewezen. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van Woonhub als volgt vastgesteld: - salaris advocaat € 6.875,00 - kosten van de dagvaarding € 125,57 - griffierecht € 735,00 Totaal € 7.735,57 4.14. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. gebiedt [gedaagden] om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis het gebruik van de handelsnaam “WoonHub” of “Woonhub” (zonder onderscheidende toevoeging) en het gebruik van de domeinnaam “woonhub.com”, voor zover die wordt gebruikt in het kader van de huidige onderneming van [gedaagden] , te staken en gestaakt te houden; 5.2. veroordeelt [gedaagden] tot het betalen van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken veroordeling voldoet met een maximum van € 50.000,00; 5.3. bepaalt de termijn bedoeld in artikel 1019i Rv waarbinnen de eis in de hoofdzaak dient te worden ingesteld op zes maanden na betekening van dit vonnis; 5.4. veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van Woonhub tot heden vastgesteld op € 7.735,57, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot aan de dag van volledige betaling, 5.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. T. Zuidema en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026. Vgl. HR 10-02-2021, ECLI:NL:HR:2021:269 (Dairy Partners) Hoge Raad 11 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3554 en Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2221 . Vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237 en HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853