Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2026-03-31
ECLI:NL:RBOBR:2026:2007
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,039 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBOBR:2026:2007 text/xml public 2026-03-31T14:13:22 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-03-31 01/332431/22 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2007 text/html public 2026-03-30T10:30:44 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2007 Rechtbank Oost-Brabant , 31-03-2026 / 01/332431/22 Verdachte verweten dat het slachtoffer tegen haar wil in seksuele handelingen met verdachte heeft moeten plegen, De rechtbank spreekt verdachte van dit feit vrij omdat de verklaring van het slachtoffer niet door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund.. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van het slachtoffer authentiek en op hoofdlijnen consistent is. Voor deze verklaring van het slachtoffer ontbreekt echter het steunbewijs. De getuigen die de verklaring van het slachtoffer bevestigen, hebben hun wetenschap enkel en alleen van het slachtoffer verkregen. De emoties die het slachtoffer bij het doen van haar verhaal aan de getuigen heeft geuit, daarvan kan de rechtbank niet uitsluiten dat die een andere oorzaak hebben dan het gedrag van verdachte. vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Team Strafrecht Parketnummer: 01.332431.22 Datum uitspraak: 31 maart 2026 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1964] , wonende te [adres] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 maart 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 februari 2026. Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2021 tot en met 31 december 2021 te Oost West en Middelbeers en/of Driebergen-Rijsenburg, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] , van wie hij wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening en/of verstandelijke handicap leed dat deze niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten - het brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] en/of - het (meermalen) brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] en/of het (vervolgens) zich laten pijpen door die [slachtoffer] en/of - het betasten van de vagina, althans het lichaam, van die [slachtoffer] en/of brengen van een of meer van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer] . Ter terechtzitting heeft de officier van justitie erop gewezen dat er een kennelijke verschrijving in de tenlastelegging is opgenomen. In plaats van Driebergen-Rijsenburg is opgenomen Driebergen-Rijsbergen. De rechtbank constateert daarnaast dat het slachtoffer [slachtoffer] heet, en niet [slachtoffer] . De rechtbank heeft deze verschrijvingen verbeterd in de tenlastelegging. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad. De formele voorvragen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. De beoordeling van het tenlastegelegde feit. Het standpunt van de officier van justitie. Op de in het schriftelijke requisitoir genoemde gronden heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het standpunt van de verdediging. Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging vrijspraak van verdachte bepleit. Het oordeel van de rechtbank. Het juridische kader De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat in de regel slechts de betrokken personen aanwezig zijn geweest bij de veronderstelde seksuele handelingen te weten het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Wanneer dan een veronderstelde dader ontkent dat de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, zoals in dit geval, dan leidt dat er in veel gevallen toe dat alleen de verklaring van het veronderstelde slachtoffer als wettig bewijs beschikbaar is. Op grond van het bepaalde in artikel 342, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is de enkele verklaring van een getuige (het veronderstelde slachtoffer) onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Het is voor een bewezenverklaring noodzakelijk dat er ook ander bewijs is, waaruit kan worden opgemaakt dat het tenlastegelegde feit is gepleegd. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat het niet nodig is dat in dit type zaken de seksuele of ontuchtige handelingen als zodanig bevestiging vinden in het andere bewijs. Het is voldoende dat de verklaring van het veronderstelde slachtoffer op onderdelen voldoende steun vindt in de andere bewijsmiddelen. Die andere bewijsmiddelen moeten wel afkomstig zijn van een andere bron dan het veronderstelde slachtoffer. Van steunbewijs kan sprake zijn als een getuigenverklaring een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de handelingen waar de verdachte van wordt beschuldigd of ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van het veronderstelde slachtoffer op het moment dat het strafbare feit plaatsvindt, of (vlak) daarna. Dit zogenaamde wettelijke bewijsminimum mag niet worden verward met een oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaring van het veronderstelde slachtoffer. Dat staat hier los van. Het oordeel over de betrouwbaarheid zegt alleen iets over het waarheidsgehalte van die verklaring zelf, terwijl er daarnaast dus ook steunbewijs moet zijn om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. De betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer [slachtoffer] . Uit de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting van 18 maart 2026 is de rechtbank gebleken dat het slachtoffer, [slachtoffer] , lijdt aan autisme en aan een verstandelijke beperking. De mentor en bewindvoerder van het slachtoffer is de heer [bewindvoerder] . Op 18 januari 2022 heeft [bewindvoerder] aangifte gedaan nadat hij van anderen had gehoord dat het slachtoffer door verdachte zou zijn verkracht. Op 11 maart 2022 is het slachtoffer gehoord. Van dat verhoor is het “verbatimverslag studioverhoor” opgemaakt. Voorafgaande aan dat verhoor heeft op 10 maart 2026 een voorbereidend gesprek op dit studioverhoor plaatsgevonden. Het slachtoffer heeft – kort en zakelijk weergegeven – verklaard door verdachte te zijn verkracht. De rechtbank moet beoordelen of de verklaringen van het slachtoffer als voldoende betrouwbaar kunnen worden aangemerkt om als uitgangspunt te dienen bij de beoordeling van deze zaak. Bij de beoordeling daarvan wordt gekeken of de verklaringen van het slachtoffer onder meer concreet, gedetailleerd, authentiek en consistent zijn. Kijkend naar de inhoud van het proces-verbaal opgemaakt van het informatief gesprek zeden en de daarna afgelegde verklaring van het slachtoffer, is de rechtbank van oordeel dat het slachtoffer authentiek en op hoofdlijnen consistent heeft verklaard. De rechtbank heeft onder ogen gezien dat de verklaringen van het slachtoffer niet uitblinken in helderheid over de volgorde en de momenten van de verweten gedragingen, maar dat doet geen afbreuk aan wat het slachtoffer over de inhoud van de gedragingen heeft verklaard. De rechtbank komt tot de conclusie dat de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar zijn en tot uitgangspunt kunnen dienen bij de beoordeling van deze zaak. Het steunbewijs.