Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2026-02-26
ECLI:NL:RBOBR:2026:1953
Civiel recht
Bodemzaak
2,034 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBOBR:2026:1953 text/xml public 2026-03-30T14:19:33 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-02-26 11495171 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:1953 text/html public 2026-03-30T14:19:03 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:1953 Rechtbank Oost-Brabant , 26-02-2026 / 11495171 Er wordt een beroep op verjaring gedaan. En dit beroep slaagt. RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: 11495171 \ CV EXPL 25-240 Vonnis van 26 februari 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , 2. [eiser 2] , beiden wonende in [woonplaats] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] , gemachtigde: mr. P. Bouman namens ARAG SE Rechtsbijstand, tegen [gedaagde] B.V. , statutair gevestigd in [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. M.F.J.M. van Rooy. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties (genummerd 1 tot en met 17), - de conclusie van antwoord met producties (genummerd 1 tot en met 22), - de mondelinge behandeling van 19 januari 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser 1] en [eiser 2] hebben op 25 augustus 2020 een overeenkomst met [gedaagde] gesloten voor de realisatie van het casco van hun woning. 2.2. Op 9 juli 2021 is een proces-verbaal van oplevering gemaakt. 2.3. Op 20 mei 2021, 21 juni 2021 en 10 juli 2021 zijn er lekkages in de kelder van de woning geweest. 2.4. [eiser 1] en [eiser 2] hebben Top Expertise ingeschakeld om een deskundigenrapport op te stellen. Top Expertise heeft op 3 september 2021 het werk geïnspecteerd. En op 22 september 2021 is een vervolgonderzoek verricht door AB Lekdetectie. Top Expertise heeft op 7 oktober 2021 een definitief rapport uitgebracht. 2.5. Naar aanleiding van de bevindingen uit dit rapport heeft [gedaagde] in het najaar van 2021 werkzaamheden uitgevoerd rondom de kelder. 2.6. Na het uitvoeren van de werkzaamheden stuurt [gedaagde] het volgende e-mailbericht aan (de gemachtigde van) [eiser 1] en [eiser 2] : Van: Administratie [gedaagde] BV < [e-mailadres 3] > Datum: 2 december 2021 om 10:24:44 GET Aan: [e-mailadres 1] , [e-mailadres 2] Onderwerp: Afronden en betaling “Beste heer Bouman en [eiser 1] , Inmiddels zijn de afgesproken werkzaamheden afgerond op 1-12-2021 in overeenstemming en met mondelinge goedkeuring van de heer [eiser 1] . Wij gaan er dan ook vanuit dat de laatste termijnbedrag per ommegaande zal worden betaald. Met vriendelijke groet, [A] [gedaagde] ” 2.7. Het resterende termijnbedrag is vervolgens aan [gedaagde] betaald. 2.8. Op 26 december 2023 heeft een lekkage in de kelder plaatsgevonden. 2.9. Op 15 januari 2024 hebben [eiser 1] en [eiser 2] een ingebrekestelling aan [gedaagde] verzonden. In dit e-mailbericht wordt [gedaagde] van de lekkage in december 2023 in kennis gesteld. 2.10. [gedaagde] is niet tot herstel overgegaan. 2.11. [eiser 1] en [eiser 2] hebben CMG Vochtinspecties ingeschakeld om een deskundigenrapport op te stellen. CMG Vochtinspecties heeft op 13 mei 2024 het werk geïnspecteerd. Op 14 mei 2024 is een advies rapportage door CMG Vochtinspecties uitgebracht. 3 Het geschil 3.1. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen - kortgezegd – volledige en correcte nakoming van de aanneemovereenkomst en [gedaagde] te bevelen binnen vier weken na betekening van het vonnis over te gaan tot (herstel)werkzaamheden conform de rapportage van CMG Vochtinspecties betreffende oorzaak 1 en oorzaak 3 uit de rapportage inclusief herstel van alle gevolgschade op straffe van een dwangsom. Een en ander in een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de expertisekosten en de kosten van deze procedure. 3.2. [gedaagde] voert verweer. Verkort en zakelijk weergegeven voert zij het volgende aan. De vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] zijn verjaard. [gedaagde] heeft op 1 december 2021 werkzaamheden uitgevoerd welke door [eiser 1] en [eiser 2] zijn goed bevonden. Vervolgens is er geen contact geweest tussen partijen, tot ontvangst van de ingebrekestelling op 15 januari 2024. De geldende verjaringstermijn van twee jaar was op dat moment al lang verstreken, aldus [gedaagde] . In het geval het beroep op verjaring niet slaagt, voert [gedaagde] kortgezegd aan dat de werkzaamheden conform rapportage van Top Expertise zijn uitgevoerd. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Er is sprake van verjaring 4.1. Als meest verstrekkende verweer heeft [gedaagde] aangevoerd dat de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] op grond van artikel 7:761 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zijn verjaard. Dat verweer slaagt. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot haar oordeel komt. 4.2. De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:761 lid 1 BW volgt dat een vordering wegens een gebrek in een opgeleverde zaak verjaart na verloop van twee jaren nadat de opdrachtgevers – in dit geval [eiser 1] en [eiser 2] – hierover hebben geklaagd. De verjaring van een vordering kan op grond van de wet worden gestuit door middel van een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser - [eiser 1] en [eiser 2] – zich ondubbelzinnig het recht voorbehouden tot nakoming. 4.3. Volgens [gedaagde] zijn de vorderingen verjaard. Zij legt hieraan ten grondslag dat op 1 december 2021 werkzaamheden zijn uitgevoerd conform de rapportage van Top Expertise. Na het uitvoeren van deze werkzaamheden hebben [eiser 1] en [eiser 2] het werk goed bevonden en ook het restant van de aanneemsom betaald. Tussen dit moment in december 2021 en het moment waarop [gedaagde] werd aangesproken op 15 januari 2024 tot herstel en aansprakelijkheid voor de schade door de lekkage in december 2023, hebben [eiser 1] en [eiser 2] en [gedaagde] geen contact gehad. Dit betekent dat er voor een periode van meer dan twee jaar geen contact is geweest tussen partijen en de vorderingen zijn verjaard, aldus [gedaagde] . 4.4. Tijdens de mondelinge behandeling zijn [eiser 1] en [eiser 2] in de gelegenheid gesteld om te reageren op het beroep op verjaring door [gedaagde] . [eiser 1] en [eiser 2] hebben ter zitting naar voren gebracht dat de vorderingen niet zijn verjaard. Zij hebben toegelicht dat eind december 2021 herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd en dat binnen twee jaar, namelijk eind december 2023, een nieuwe lekkage heeft plaatsgevonden. Doordat er een nieuwe lekkage heeft plaatsgevonden, kan er geen succesvol beroep op verjaring worden gedaan. 4.5. De kantonrechter begrijpt uit de door beide partijen overgelegde stukken dat de (herstel)werkzaamheden hebben plaatsgevonden in december 2021. [gedaagde] heeft toegelicht dat de werkzaamheden op 2 december 2021 zijn goed bevonden, hetgeen ook blijkt uit het overgelegde e-mailbericht (zie rechtsoverweging 2.6). [eiser 1] en [eiser 2] hebben tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat de (herstel)werkzaamheden eind december 2021 hebben plaatsgevonden, maar zij hebben deze stelling niet nader onderbouwd. Zij hebben het overgelegde e-mailbericht niet weersproken. Partijen zijn het er wel over eens dat op 15 januari 2024 voor de eerste keer contact is geweest tussen partijen en [gedaagde] met de lekkage die op 23 december 2024 heeft plaatsgevonden bekend is geraakt. Voor de kantonrechter staat vast dat partijen in de periode vanaf 2 december 2021 en 15 januari 2024 geen contact meer hebben gehad. Dit betekent dat de verjaringstermijn is gaan lopen vanaf het moment dat de herstelwerkzaamheden zijn afgerond en goed bevonden, te weten 2 december 2021. Op 15 januari 2024 is meer dan twee jaar na het voltooien van de werkzaamheden (2 december 2021) verstreken. De kantonrechter stelt dan ook vast dat de verjaringstermijn, zoals omschreven in artikel 7:761 lid 1 BW, is verstreken. De vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] zijn daarmee verjaard. De vorderingen zullen worden afgewezen. [eiser 1] en [eiser 2] moeten de proceskosten betalen 4.6.