Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-03-12
ECLI:NL:RBOBR:2026:1592
RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 25/1152 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. C.E.P. van Wissen), en Dienst Toeslagen (gemachtigde: mr. M. Akka en mr. H. Nieuwendijk). Samenvatting 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek van eiser om kinderopvangtoeslag met terugwerkende kracht over de periode januari 2024 tot en met augustus 2024 toe te kennen. 1.1. De rechtbank verklaart het beroep van eiser ongegrond, omdat eiser de kinderopvangtoeslag te laat heeft aangevraagd. De wet staat slechts toe dat kinderopvangtoeslag wordt toegekend over een periode van drie maanden vóór de indiening van een aanvraag. Dat betekent dat eiser geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over de periode januari 2024 tot en met augustus 2024. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 24 april 2025 op het bezwaar van eiser is de Dienst Toeslagen bij zijn primaire besluit van 13 maart 2025 gebleven. In dat besluit heeft de Dienst Toeslagen beslist dat eisers aanvraag van 4 december 2024 te laat is ingediend en eiser daarom geen recht heeft op kinderopvangtoeslag vóór 1 september 2024. 2.1. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen. Totstandkoming van het besluit 3. Eiser heeft op 4 december 2024 kinderopvangtoeslag aangevraagd. Op 7 december 2024 heeft eiser een herzieningsverzoek ingediend. Hierin heeft eiser verzocht om ook kinderopvangtoeslag met terugwerkende kracht per januari 2024 tot en met augustus 2024 aan hem toe te kennen. 3.1. Met dagtekening 31 januari 2025 heeft de Dienst Toeslagen aan eiser voor het jaar 2024 een voorschot kinderopvangtoeslag verleend van € 1.366. Dit voorschot heeft betrekking op de maanden september tot en met december 2024. 3.2. Met het besluit van 13 maart 2025 heeft de Dienst Toeslagen beslist dat eisers aanvraag voor kinderopvangtoeslag per januari 2024 te laat is ingediend. Eiser heeft daarom geen recht op kinderopvangtoeslag in de maanden januari 2024 tot en met augustus 2024. 3.3. Met het besluit van 24 april 2025 op het bezwaar van eiser heeft de Dienst Toeslagen het besluit van 13 maart 2025 gehandhaafd. Dit is het besluit waartegen eiser beroep heeft ingesteld. Beoordeling door de rechtbank 4. De rechtbank beoordeelt of Dienst Toeslagen terecht geen kinderopvangtoeslag heeft toegekend aan eiser over de maanden januari 2024 tot en met augustus 2024. 5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Standpunten van partijen 6. Eiser doet een beroep op de menselijke maat. Eiser stelt dat de Dienst Toeslagen in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Hij verwijst daarbij allereerst naar het evenredigheidsbeginsel. Eiser was namelijk niet in staat om de kinderopvangtoeslag op een eerder moment aan te vragen in verband met een ziekenhuisopname door een bedrijfsongeval in de periode januari 2024 tot en met juni 2024. Daarnaast wijst hij erop dat zowel hij als zijn partner lager beroepsonderwijs heeft genoten en dat hij over een dyslexieverklaring beschikt. De beperkte terugwerkende kracht van drie maanden voor het aanvragen van kinderopvangtoeslag is daarom onevenredig, zeker in vergelijking met de veel langere termijnen die voor belastingen gelden. Eiser bepleit dat daarnaast ook het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden, omdat de Dienst Toeslagen ouders niet expliciet aanschrijft dat zij recht hebben op kinderopvangtoeslag. Ook bepleit eiser dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, omdat ouders niet worden behandeld als fatsoenlijke burgers, maar als mogelijk frauderende subjecten. Ter onderbouwing van zijn s