Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-02-18
ECLI:NL:RBOBR:2026:1483
ECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Vonnis van 18 februari 2026 in de zaak met zaaknummer: C/01/413506 / HA ZA 25-176 (zaak 1) van [eiser in HA ZA 25-176] , te [plaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser in HA ZA 25-176] , advocaat: mr. J.G.J. van Groenendaal, tegen [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] , te [plaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] , advocaat: mr. D. Verhulst. en in de zaak met zaaknummer: C/01/415139 / HA ZA 25-297 (zaak 2) van [eiser in HA ZA 25-297] , te [plaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser in HA ZA 25-297] , advocaat: mr. A.J.F. de Jager, tegen [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] , advocaat: mr. D. Verhulst. 1 De procedure in zaak 1 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie - de conclusie van antwoord in reconventie - de akte houdende overlegging producties van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297]- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de mondelinge behandeling van 25 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De procedure in zaak 2 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - het anticipatie-exploot ex artikel 126 Rv van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] - de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de mondelinge behandeling van 25 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten (vooral) van belang in zaak 1 3.1. [eiser in HA ZA 25-176] en [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] zijn bekende Nederlandse ondernemers. Zij hebben zakelijk samengewerkt en zijn ook vrienden geweest. 3.2. In 2020 hebben partijen besloten om hun zakelijke samenwerking te beëindigen. Dit heeft geleid tot verschillende afspraken, waaronder een aandelenruil, tussen Tajiri B.V. (bestuurder [eiser in HA ZA 25-176] ) en BL Capital B.V. (bestuurder [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] ). Deze afspraken zijn vastgelegd in de overeenkomst van 9 april 2020 (hierna: de ruilovereenkomst). Artikel 46 van de ruilovereenkomst (Vertrouwelijkheid) luidt als volgt: “Ieder van de Partijen zal geheimhouding betrachten omtrent de voorwaarden van de transacties zoals opgenomen in deze overeenkomst, behoudens voor zover op grond van dwingend wettelijk voorschrift een verplichting tot het doen van een mededeling bestaat. Partijen zullen gezamenlijk een persbericht uitbrengen over de transacties zoals opgenomen in deze overeenkomsten en het staat ieder der Partijen vrij om mededelingen te doen aan derden voor zover deze qua inhoud en strekking overeenkomen met dit persbericht.” 3.3. Tussen Tajiri B.V. en BL Capital B.V. is nadien een geschil ontstaan over de afwikkeling van de ruilovereenkomst en over mondeling gemaakte afspraken. Dit heeft geleid tot het sluiten van een vaststellingsovereenkomst op 26 augustus 2021 (hierna: de vso). Uitsluitend in verband met het bepaalde onder I sub 3 vso en het bepaalde onder II vso hebben [eiser in HA ZA 25-176] en [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] de vso voor zichzelf ondertekend. Lid 3 van artikel II (Geheimhouding) van de vso luidt: “ [eiser in HA ZA 25-176] en [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] zullen zich ten opzichte van de ander gedragen overeenkomstig de eisen van het normale maatschappelijke verkeer en hebben de bedoeling hun oude vriendschap te herstellen. Ze zullen zich derhalve onthouden van negatieve berichtgeving over de ander. Indien een van hen na afwikkeling van onderhavige overeenkomst van mening is dat de ander niet overeen Waarop [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] diezelfde dag nog heeft gereageerd met dit bericht: “ [eiser in HA ZA 25-176] , bespreken heeft zin als je per omgaande en meteen bevestigd dat er geen negatieve passage over mij in het boek komt zoals overeengekomen. Gr [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] " 3.12. Partijen hebben vervolgens een kort gedingprocedure gevoerd (hierna: het kort geding). In het kort gedingvonnis van 9 december 2024 heeft de voorzieningenrechter van rechtbank Amsterdam onder meer overwogen: “5.8. Tijdens de zitting heeft [eiser in HA ZA 25-176] bij monde van zijn advocaat toegezegd dat als de psychobiografie ooit zal worden gepubliceerd de uiteindelijke tekst met [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] zal worden gedeeld, ten minste drie weken voor publicatie, zodat ruimte is voor overleg en eventueel een kort geding kan worden gestart. 5.9. Deze toezegging, vastgelegd in dit vonnis, biedt voldoende waarborg voor de gerechtvaardigde belangen van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] . (…)” 3.13. Bij e-mail van 16 december 2024 heeft [eiser in HA ZA 25-176] [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] (via hun advocaten) uitgenodigd voor een goed persoonlijk gesprek. 3.14. In zijn e-mail van 20 januari 2025 heeft de advocaat van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] als volgt geantwoord: “Cliënt gaat graag met uw cliënt in gesprek zoals al bericht einde jaar (zie hieronder). Op de vorm zou ik gezien onderstaande e-mailwisseling na de vakanties terugkomen. Terzake de vorm wordt dezerzijds voorgesteld het gesprek in bijzijn van advocaten te laten plaatsvinden. Uiteraard is het daarbij de bedoeling om beider cliënten zelf het gesprek te laten voeren, de advocaten zullen hooguit als gespreksmoderator hun rol hebben en zich terughoudend opstellen. Ook kan gekozen worden daarbij een onafhankelijk mediator als gespreksmoderator in te zetten, zodat zaken als gelijke spreektijd zijn geborgd voor beide partijen.” 3.15. De advocaat van [eiser in HA ZA 25-176] heeft vervolgens op 23 januari 2025 aan de advocaat van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] geschreven: “Namens [eiser in HA ZA 25-176] breng ik de teleurstelling over omtrent het feit dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] niet het persoonlijke gesprek aan wil gaan, terwijl partijen dat wel overeen zijn gekomen. Zij spraken immers af om rechtstreeks contact met elkaar op te nemen. Dat past ook bij de aard van het gesprek, waarbij zeer persoonlijke en gevoelige kwesties aan de orde kunnen komen. Daarbij is geen plek en geen meerwaarde voor advocaten. Aangezien ook de laatste tussenoplossing - het opnemen van het gesprek - wordt afgewezen, kan [eiser in HA ZA 25-176] uit uw laatste bericht niet anders dan concluderen dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] de afspraak om persoonlijk in gesprek te gaan niet van plan is na te komen.” 3.16. Op 30 januari 2025 heeft de advocaat van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] aan de advocaat van [eiser in HA ZA 25-176] meegedeeld: “Het spijt cliënt dat uw cliënt nu voor de tweede keer het persoonlijke gesprek uit de weg gaat. Dat deed uw cliënt al toen cliënt rechtstreeks contact opnam in een eerder stadium en nu helaas weer. Het argument dat uw cliënt daarvoor aanvoert bevreemdt te meer, nu het kennelijk persoonlijke zaken zijn die wel in het openbaar in een boek kunnen komen, ook aangaande cliënt, maar niet in de vertrouwelijkheid van een persoonlijk gesprek willen worden gedeeld, slechts in bijzijn van een meeluisterende advocaat die niet inhoudelijk deelneemt aan het gesprek. Ook het mediator aanbod gaat uw cliënt uit de weg begrijp ik uit uw bericht. Met deze vaststellingen staak ik voor nu de herhaalde pogingen van cliënt om in persoonlijk gesprek te komen met uw cliënt. Mocht uw cliënt alsnog in persoonlijk gesprek willen komen met cliënt, weet me te vinden,” 3.17. Partijen hebben het hiervoor bedoelde ‘persoonlijk gesprek’ niet gehouden. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: II [eiser in HA ZA 25-176] te veroordelen om bij een eventuele publicatie of verspreiding van de psychobiografie, of een daarmee vergelijkbaar manuscript, waarin [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] (al dan niet bij naam genoemd) voorkomt of wordt besproken, in boek- of andere (online of audiovisuele) vorm, de tekst c.q. inhoud daarvan tijdig vooraf met [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] te delen, op een moment en wijze dat daarover gedurende een periode van tenminste 8 weken kan worden overlegd en/of een kort geding kan worden gevoerd (waarvan de uitkomst door partijen zal worden afgewacht); op zo'n manier dat daarna eventuele inhoudelijke wijzigingen nog vóór publicatie kunnen worden verwerkt; III [eiser in HA ZA 25-176] te gebieden om artikel II lid 2 en lid 3 vso en artikel 46 van de ruilovereenkomst na te komen; IV de veroordelingen sub II en III ieder te versterken met een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 15 miljoen ineens, alsmede € 150.000,00 voor iedere dag dat een eventuele publicatie beschikbaar is of een overtreding overigens voortduurt; en V [eiser in HA ZA 25-176] te veroordelen in de proceskosten. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] legt hieraan ten grondslag dat hij een gegronde vrees heeft dat [eiser in HA ZA 25-176] binnenkort tot publicatie van zijn psychobiografie zal overgaan, met daarin diffamerende uitlatingen over [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] . [eiser in HA ZA 25-176] heeft in kort geding weliswaar toegezegd om in dat geval 3 weken voor publicatie voorafgaande inzage te verlenen, maar zijn opstelling is sindsdien gewijzigd. Hij kondigt in de media aan dat zijn boek af is, dat rechtszaken hem niet van publicatie kunnen afhouden en valt in deze procedure artikel II lid 3 vso aan. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] heeft in het licht van deze recente ontwikkelingen een gerechtvaardigd belang bij een verduidelijking en aanscherping van de procesafspraak tussen partijen en een veroordeling van [eiser in HA ZA 25-176] om zich intussen te houden aan artikel II lid 3 vso. Daarnaast is een veroordeling van [eiser in HA ZA 25-176] nodig tot nakoming van de geheimhoudingsbepalingen in artikel II lid 2 vso en artikel 46 ruilovereenkomst. Beide bepalingen verbieden het communiceren van details en voorwaarden van de overeenkomsten en de daaraan gerelateerde transacties. Deze bepalingen heeft [eiser in HA ZA 25-176] al geschonden, want zijn werkdocument bevat ook details over de ontvlechting, die onder deze geheimhoudingsbepalingen valt. 4.5. [eiser in HA ZA 25-176] voert verweer. Aangezien partijen op de zitting bij de voorzieningenrechter al een afspraak hebben gemaakt over de voorinzage, moet de vordering onder II worden afgewezen. [eiser in HA ZA 25-176] heeft deze afspraak op 19 maart 2025 ook nog aan [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] bevestigd. Onder alinea 5.8. en 5.9. van het kort gedingvonnis is 3 weken opgenomen en dit vonden rechter én partijen voldoende. Dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] acht weken nodig zou hebben om enkele bladzijden te lezen is onbegrijpelijk. De toezegging van [eiser in HA ZA 25-176] in kort geding is vrijwillig. De huidige feiten en omstandigheden zijn niet anders dan ten tijde van het maken van deze afspraak. Met een voorinzage van drie weken, zijn de belangen van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] voldoende gediend. Vanzelfsprekend zal [eiser in HA ZA 25-176] een eventueel vonnis van de voorzieningenrechter afwachten, indien [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] ervoor kiest een kort geding aanhangig te maken. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] eist onder III van het petitum een preventief publicatieverbod. De vorderingen van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] zijn te vroeg, omdat hij niets weet van de inhoud van het eventueel te publiceren boek. Wat wél vaststaat De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] in deze omstandigheden aan artikel III lid 2 vso redelijkerwijs de betekenis heeft mogen toekennen dat partijen afstand deden van het recht op zowel gehele als gedeeltelijke ontbinding van de vso en dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] mocht verwachten dat [eiser in HA ZA 25-176] begreep dat hij, [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] , redelijkerwijs aan artikel III lid 2 vso deze betekenis toekende. [eiser in HA ZA 25-176] heeft ook geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd voor zijn stelling dat een beroep van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] op deze bepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat het doel van deze bepaling het herstellen van vriendschap is en dat dit niet meer haalbaar zou zijn, zoals [eiser in HA ZA 25-297] betoogt, volstaat niet, omdat artikel III lid 2 hier niets mee te maken heeft. 5.6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] op artikel III lid 2 vso slaagt en dat de buitengerechtelijke ontbinding van artikel II lid 3 vso door [eiser in HA ZA 25-176] daarom geen werking heeft. 5.7. Hoewel ten overvloede zal de rechtbank hierna ook nog ingaan op het inhoudelijke verweer van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] . Tekortkoming van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] ? 5.8. [eiser in HA ZA 25-176] verwijt [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] dat hij weigert om rechtstreeks met [eiser in HA ZA 25-176] in gesprek te gaan, terwijl artikel II lid 3 vso verplicht tot een rechtstreeks (en dus persoonlijk) gesprek, wat precies past bij de bedoeling van de gehele bepaling: het herstellen van de vriendschap tussen partijen. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] stelt eisen die niet volgen uit de vso en daarmee zelfs in strijd zijn. Enkel via het rechtstreekse gesprek, kunnen partijen eventueel hun vriendschap herstellen. Dat gebeurt uiteraard niet in een juridische setting in aanwezigheid van advocaten, aldus [eiser in HA ZA 25-176] . 5.9. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] betwist dat hij zou hebben geweigerd om in gesprek te gaan met [eiser in HA ZA 25-176] , of eisen zou hebben gesteld die haaks staan op de vso. De wederzijdse verplichtingen in artikel II lid 3 vso komen in feite neer op het betrachten van normale omgangsvormen jegens elkaar en expliciteren wat partijen daaronder over en weer verstaan. Dat de woorden ‘rechtstreeks contact’ zouden betekenen ‘een persoonlijk gesprek, zonder advocaten of andere derden, dat niet in een juridische setting plaatsvindt’ vindt geen steun in de tekst, strekking of doelstelling van de bepaling. Artikel II lid 3 vso staat in de sleutel van de geheimhouding die partijen in de eerste twee leden van dat artikel overeengekomen zijn. Tegen die achtergrond hebben [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] en [eiser in HA ZA 25-176] in het derde lid ook de communicatie over elkaar (naar buiten toe) geregeld. In dat kader betekent ‘rechtstreeks contact’ dat [eiser in HA ZA 25-176] en [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] bij niet-waargemaakte verwachtingen contact leggen met elkaar in plaats van (op negatieve wijze) naar buiten te treden over elkaar. Artikel II lid 3 vso stelt geen nadere voorwaarden aan het rechtstreeks contact. ‘Rechtstreeks contact’ betekent niet meer of minder dan dat [eiser in HA ZA 25-176] en [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] zelf aan het gesprek deel moeten nemen (en bijvoorbeeld niet slechts een vertegenwoordiger kunnen sturen). Die bewoordingen verhinderen niet dat bij dat gesprek ook derden aanwezig kunnen zijn. Partijen stelden ieder eigen voorwaarden aan het beoogde gesprek en zijn het niet eens geworden over de vorm. Bij die stand van zaken is het overleg over de randvoorwaarden bij e-mail van 30 januari 2025 gestaakt. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] heeft daarbij, via [eiser in HA ZA 25-176] heeft niet bij antwoord in reconventie al een beroep gedaan op de relatieve onbevoegdheid van rechtbank Oost-Brabant, zo is namens hem ook bevestigd op de zitting, en hij is daarmee dus te laat. Afgezien daarvan, wordt de zaak in reconventie behandeld en beslist door rechtbank Oost-Brabant, omdat die de zaak in conventie behandelt en beslist en de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet (artikel 97 Rv). Voorinzage (vordering II) 5.16. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] heeft gesteld dat er gegronde vrees is voor negatieve berichten over zijn persoon in een eventueel door [eiser in HA ZA 25-176] te publiceren boek. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de inhoud van het werkdocument (productie 6 bij dagvaarding) dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] van [eiser in HA ZA 25-176] heeft ontvangen, die vrees inderdaad gegrond is. Dat het te publiceren boek, volgens [eiser in HA ZA 25-176] , heel anders is dan het werkdocument dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] heeft gezien, sluit niet uit dat in het boek ook (dergelijke) negatieve berichten over [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] staan; en [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] kan dit niet beoordelen omdat [eiser in HA ZA 25-176] er niets concreets over heeft verteld. In dat verband oordeelt de rechtbank van belang dat [eiser in HA ZA 25-176] in een podcast heeft gezegd, dat men denkt dat hij, door hem in de rechtbank boetes op te leggen, niet “de waarheid en de eerlijkheid” naar buiten zal brengen (Dutch Dragon van 27 februari 2025, productie 9 van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] ). Daarbij komt dat [eiser in HA ZA 25-176] op de zitting heeft gezegd dat hij gaat nadenken of hij [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] in zijn boek gaat zetten of niet. De rechtbank leidt uit dergelijke uitingen af dat er mogelijk negatieve berichten over [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] in het boek van [eiser in HA ZA 25-176] staan. [eiser in HA ZA 25-176] heeft niet – althans niet gemotiveerd – betwist dat het boek er komt en dat de vrees van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] dat daarin negatieve berichten over hem zullen staan, gegrond is. Gelet op artikel II lid 3 vso dat, zoals hiervoor in conventie is geoordeeld, nog steeds tussen partijen geldt, moeten zij zich onthouden van negatieve berichtgeving over elkaar. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] er een gerechtvaardigd belang bij heeft om de uiteindelijke tekst van de psychobiografie vóór publicatie te krijgen om te beoordelen of deze al dan niet strijdig is met artikel II lid 3 vso. Aanscherping en verduidelijking 5.17. [eiser in HA ZA 25-176] stelt zich op het standpunt dat partijen zich moeten houden aan de afspraak over voorinzage zoals vermeld onder 5.8. en 5.9 van het kort gedingvonnis. 5.18. Volgens [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] is die afspraak te algemeen geformuleerd. Zo staat daarin niet wat precies de ‘publicatie’ is die leidt tot (de aanvang van) de daaraan voorafgaande inzagetermijn. Ook is niet afgesproken hoe [eiser in HA ZA 25-176] inzage moet geven, partijen hebben verder niet vastgelegd dat de op handen zijnde publicatie wordt opgeschort terwijl zij overleggen over de inhoud van het manuscript. Een termijn van drie weken is feitelijk te kort om het boek te lezen, daarover te overleggen én een kort geding voor te bereiden en te voeren. Ingeval van een daadwerkelijke publicatie van een boek zal de tekst daarvan, om productie-logistieke redenen, namelijk al aanzienlijk meer dan drie weken vóór publicatie definitief (moeten) zijn, aldus [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] . 5.19. De rechtbank is van oordeel dat de afspraken tussen partijen over negatieve berichtgeving en geheimhouding niet alleen gelden bij berichtgeving in boekvorm, maar ook in het geval van bijvoorbeeld een documentaire of podcast (online De proceskosten van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] worden begroot op: - salaris advocaat € 653,00 (2 punten × factor 0,5 × € 653,00) - nakosten € 148,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 801,00 6 Het geschil in zaak 2 6.1. [eiser in HA ZA 25-297] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] te veroordelen om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis, gedurende een aaneengesloten periode van zeven dagen voor rekening en risico van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] aan [eiser in HA ZA 25-297] gebruiksklaar ter beschikking te stellen, en gedurende voornoemde periode beschikbaar te houden, (i) het Jacht B en de Bombardier, en (ii) de op Jacht B en de Bombardier gebruikelijk aanwezige bemanning en personeelsleden en alle faciliteiten, noodzakelijkheden en voorraden die gebruikelijk aanwezig zijn voor het accommoderen van een zevendaagse luxe pleziervaart en -vlucht(en), en; II aan overtreding van (enig onderdeel van) het sub I gevorderde te verbinden een (direct opeisbare) dwangsom van € 50.000,00 per dag voor iedere dag waarop die overtreding door [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] voortduurt met een maximum van € 5.000.000,00, en III [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. [eiser in HA ZA 25-297] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. Toen partijen zakelijk uit elkaar gingen verwierf [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] de [E] en werd [eiser in HA ZA 25-297] 100% eigenaar van het ALC project. Op 11 mei 2023 werd een rondleiding georganiseerd door het ALC complex en een en ander werd afgesloten met een gezamenlijk diner ter plekke. Tijdens het diner hield [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] een speech, waarin hij spijt betuigde over het feit dat de persoonlijke relatie tussen hem en [eiser in HA ZA 25-297] was verstoord. In een poging om die relatie te herstellen en [eiser in HA ZA 25-297] voor het emotionele leed te compenseren deed [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] een aanbod dat door [eiser in HA ZA 25-297] ter plekke en onder luid applaus van de overige aanwezigen werd geaccepteerd. Dit aanbod behelsde het volgende. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] bezit een zogenaamd superjacht (hierna: Jacht B). [eiser in HA ZA 25-297] kreeg het recht van gebruik op een door [eiser in HA ZA 25-297] aangegeven moment en gedurende een week onbeperkt en kosteloos met bemanning en met een door hem uit te nodigen groep mensen met Jacht B te varen. Daarnaast bezit [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] een privévliegtuig (hierna: de Bombardier). [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] verstrekte [eiser in HA ZA 25-297] tevens het gebruiksrecht om kosteloos met de Bombardier naar en van Jacht B te vliegen, eveneens met bemanning en met een groep mensen naar keuze van [eiser in HA ZA 25-297] en op het moment dat het [eiser in HA ZA 25-297] past. [eiser in HA ZA 25-297] heeft [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] meermalen verzocht om de tussen hen tot stand gekomen overeenkomst na te komen. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] is daarover door [eiser in HA ZA 25-297] ook formeel gesommeerd bij appbericht van 28 maart 2025, maar [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] heeft daaraan geen gehoor gegeven. De overeenkomst tussen [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] en [eiser in HA ZA 25-297] inzake het gebruik van Jacht B en de Bombardier kwalificeert als een (mondelinge) gebruiksovereenkomst, die de duidelijke en ondubbelzinnig strekking had dat [eiser in HA ZA 25-297] daarvan op een door hem gewenst moment en gedurende een vaste periode van zeven dagen gebruik mocht maken en dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] de daarbij gemoeide kosten op zich zou nemen. Het aanbod van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] was niet aan enige voorw Of een bruikleenovereenkomst tot stand is gekomen, in die zin dat er rechtens afdwingbare afspraken zijn gemaakt, dan wel of sprake is geweest van een niet afdwingbare uitnodiging als gebaar van vriendschap is afhankelijk van de bedoeling van partijen en van wat partijen over en weer jegens elkaar hebben verklaard en redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat sprake is van een overeenkomst rusten dus op degene die zich op het bestaan van deze overeenkomst beroept en daaraan rechtsgevolgen verbindt, in dit geval is dat [eiser in HA ZA 25-297] . 7.2. De rechtbank oordeelt de volgende omstandigheden van belang, die als onweersproken vast staan. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] en [eiser in HA ZA 25-297] hadden allebei een jacht. Het diner vond plaats in of aan het einde van een periode waarin tussen partijen veel is gebeurd. [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] blikte daarop terug bij het uitbrengen van een toast en nodigde [eiser in HA ZA 25-297] vervolgens uit voor een verblijf op zijn jacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser in HA ZA 25-297] in deze omstandigheden uit de uitnodiging van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] redelijkerwijs niet mogen afleiden dat hem een aanbod werd gedaan tot het sluiten van een bruikleenovereenkomst en mocht [eiser in HA ZA 25-297] redelijkerwijs niet verwachten dat [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] zijn uitnodiging zo bedoelde. [eiser in HA ZA 25-297] heeft ook geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat hij de uitnodiging van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] daadwerkelijk als een aanbod beschouwde en redelijkerwijs heeft mogen beschouwen. Uit de WhatsAppberichten die [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] in de conclusie van antwoord (rnrs 28 tot en met 32) heeft aangehaald, volgt juist het tegendeel. In die berichten leeft [eiser in HA ZA 25-297] mee met de bouw van het jacht van [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] en schrijft hij enkel dat hij graag een keer mee zou gaan. Op 13 oktober 2023 heeft [eiser in HA ZA 25-297] bijvoorbeeld geschreven: “Wordt echt gaaf [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] als je een keer gaat laat mij weten als je leuk vindt ga ik graag mee!” Daaruit leidt de rechtbank niet af dat [eiser in HA ZA 25-297] meent aanspraak te hebben op een week op Jacht B uit hoofde van een bruikleenovereenkomst. De rechtbank vergelijkt de situatie met een uitnodiging van de buren om een keer te komen eten: als het schikt ga je een keer eten bij de buren. Als dat er nooit van komt, ga je de buren niet in gebreke stellen en nakoming vorderen bij de rechtbank, en is er geen grond om schadevergoeding te vorderen. De buren hebben in zo’n geval nooit de intentie gehad daadwerkelijk juridische verhoudingen aan te gaan. Ingevolge artikel 3:33 BW vereist een rechtshandeling (zoals een aanbod) een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde in HA ZA 25-176 en in HA ZA 25-297] met de uitnodiging aan [eiser in HA ZA 25-297] geen juridische verhouding aan willen gaan en heeft [eiser in HA ZA 25-297] dit redelijkerwijs moeten begrijpen. Dat heeft tot gevolg dat geen sprake is van een aanbod in juridische zin. Een aanvaarding van de uitnodiging, zoals [eiser in HA ZA 25-297] stelt te hebben gedaan, heeft dan ook geen overeenkomst tot stand gebracht. Er is slechts sprake van een informeel gebaar of een informele afspraak tussen partijen die niet bij de rechtbank afdwingbaar is. Dat betekent dat de vordering tot nakoming van [eiser in HA ZA 25-297] zal worden afgewezen. De vordering tot het opleggen van een dwangsom deelt het lot van de hoofdvordering en wordt eveneens afgewezen. Proceskosten 7.3. [eiser in HA ZA 25-297] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusie