Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2026-03-03
ECLI:NL:RBOBR:2026:1295
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
12,083 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:1295 text/xml public 2026-03-06T09:03:07 2026-03-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-03-03 25/1951 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:1295 text/html public 2026-03-06T08:54:43 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:1295 Rechtbank Oost-Brabant , 03-03-2026 / 25/1951 Lasten onder dwangsom - overtrederschap – asbest – betekenis van ‘laten betreden’– invordering. RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 25/1951 OWHAND uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres 1] , eiseres 1, en [eiseres 2] , eiseres 2, beiden gevestigd te [vestigingsplaats] , tezamen eiseressen, (gemachtigde: mr. P.J.G. Poels), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk , het college, namens deze de Omgevingsdienst Brabant Noord, (gemachtigden: mr. B.M.E. Mallens en mr. S.J.S van Gils). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de aan eiseressen afzonderlijk opgelegde lasten onder dwangsom, die aan eiseressen zijn opgelegd naar aanleiding van het in oktober 2024 in en rondom het kadastrale perceel [naam] , plaatselijk bekend als [adres] te [plaats] (perceel 1), en het kadastrale perceel [naam] (perceel 2), aantreffen van asbesthoudend sloopafval. Ook gaat deze uitspraak over de invordering van de als gevolg van voormelde lasten onder dwangsom verbeurde dwangsommen van € 20.000,-. 1.1. Eiseressen zijn het niet eens met de oplegging van de lasten en invordering van de dwangsommen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank het beroep. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseressen beiden als overtreders kunnen worden aangemerkt en de aan hen opgelegde dwangsommen niet disproportioneel zijn. Voorts komt de rechtbank tot het oordeel dat de lasten onder dwangsom meerdere malen niet zijn nageleefd, de dwangsommen daarmee van rechtswege zijn verbeurd en het college die dwangsommen op goede gronden heeft ingevorderd. Eiseressen krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. 1.3. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met de afzonderlijke besluiten van 10 oktober 2024 heeft het college aan eiseressen lasten onder dwangsom opgelegd, welke bij afzonderlijke besluiten van 18 oktober 2024 zijn gewijzigd. 2.1. Vervolgens heeft het college bij invorderingsbesluiten van 30 januari 2025 aangegeven bij eiseressen afzonderlijk tot invordering van de verbeurde dwangsommen ter hoogte van € 20.000,- te zullen overgaan. 2.2. Eiseressen hebben zowel tegen de lasten onder dwangsom als tegen de invorderingsbesluiten bezwaar gemaakt. 2.3. Met het bestreden besluit van 26 juni 2025 heeft het college zowel op eiseressen bezwaren tegen de lasten onder dwangsom, als op eiseressen bezwaren tegen de invorderingsbesluiten beslist. Het college heeft eiseressen bezwaren ongegrond verklaard en heeft de lasten onder dwangsom en invorderingsbesluiten in stand gelaten. 2.4. Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en nadien de gronden van hun beroep aangevuld. 2.5. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.6. De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens eiseressen, de gemachtigde van eiseressen en de gemachtigden van het college. Tevens is verschenen toezichthouder [naam] . Feiten en omstandigheden 3. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende relevante feiten en omstandigheden. 3.1. Op 2 oktober 2024 heeft de toezichthouder van de Omgevingsdienst Brabant Noord (omgevingsdienst) op het kadastrale perceel [naam] , plaatselijk bekend als [adres] te [plaats] (perceel 1), een controle verricht naar aanleiding van een vrije veldinspectie. Daarbij heeft hij op dat perceel sloopafval in de vorm van asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen. Uit een materiaalmonster bleek dat het zeer veel asbest bevat. De volgende dag heeft de Omgevingsdienst een nieuwe controle verricht. Na zwaar beschadigd plaatmateriaal te hebben aangetroffen op en voor de trapopgang , hebben zij alle buitendeuren van het pand op perceel 1 verzegeld en met bouwhekken en linten het verontreinigde gebied afgezet. 3.2. Op 3 oktober 2024 is aan de heer [naam] , eigenaar en bestuurder van beide eiseressen, vooruitlopend op de schriftelijke lasten onder dwangsom van 10 oktober 2024, alvast mondeling medegedeeld dat er geen verdere sloop en/of bouwwerkzaamheden meer mogen worden uitgevoerd op perceel 1 en dat het pand op dat perceel is verzegeld. 3.3. Op 7, 9 en 10 oktober 2024 heeft de omgevingsdienst bij controles geconstateerd dat er zegels van het pand op perceel 1 verbroken waren en op 10 oktober 2024 is geconstateerd dat een rode kruiwagen in het pand is verplaatst. Zij hebben op voormelde data het pand opnieuw verzegeld. Op 10 oktober 2024 heeft tevens een volledige asbestinventarisatie van het gehele pand plaatsgevonden door HMB B.V. en zijn foto’s van onder meer de trapopgang genomen. 3.4. Met de afzonderlijke besluiten van 10 oktober 2024 heeft het college aan eiseressen lasten onder dwangsom opgelegd waarin het, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per week met een maximum van € 30.000,-, heeft gelast om per direct voortduring of herhaling van de overtreding van artikel 7.4, eerste lid, artikel 7.10, eerste lid, artikel 7.15, eerste lid, onder a, b en c, en artikel 7.25, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, artikel 10.1 van de Wet milieubeheer en artikelen 22.18 en 22.20 van tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Land van Cuijk te voorkomen. Hiertoe dienen eiseressen de met voormelde regels strijdige sloop en/of bouwwerkzaamheden in het afgezette gedeelte van perceel 1, per direct te staken en gestaakt te houden en het afgezette gebied op perceel 1 niet te (laten) betreden, totdat het college toestemming geeft om de werkzaamheden te hervatten. Daarbij heeft het college aangegeven dat pas toestemming kan worden gegeven voor hervatting van de werkzaamheden na een asbestinventarisatie van perceel 1 en nadat de restanten asbest zowel inpandig als buiten zijn gesaneerd door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf (waarvoor het verbod van betreden niet geldt). 3.5. Bij de omgevingsdienst is op 14 oktober 2024 de melding binnengekomen dat mos afkomstig van een (asbesthoudend) golfplatendak op perceel 1 is gestort aan de overzijde van de weg, door personen die werkzaamheden verrichtten op perceel 1. Uit een materiaalmonster van het mos bleek dat het verontreinigd is met asbest. Daarmee bevindt zich ook asbest op het perceel kadastraal bekend als [naam] (perceel 2). Diezelfde dag bleek bij een controle door de omgevingsdienst dat de zegel ter plaatse van de nooddeur gelegen aan de rechterzijgevel verbroken was en de rode kruiwagen wederom was verplaatst. Diezelfde dag is die deur opnieuw verzegeld. 3.6. Op 15 oktober 2024 heeft asbestsaneerder Perfect Finish Milieutechniek B.V. (PFM) de asbestverontreinigingen op de bestrating van perceel 1 en in de afvalcontainer gesaneerd. De volgende dag is geconstateerd dat de poort op perceel 1 die openstond ten behoeve van die gedeeltelijke sanering, niet meer is afgesloten. 3.7. Op 16 oktober 2024 heeft de omgevingsdienst (ook) perceel 2 met hekwerken en signaleringslint afgezet. Diezelfde dag is, vooruitlopend op het wijzigingsbesluit van 18 oktober 2024, per e-mail aan de heer [naam] de stillegging ten aanzien van perceel 2 medegedeeld. 3.8. Bij een controle van de omgevingsdienst op 17 oktober 2024 bleek dat de rode kruiwagen wederom was verplaatst, een poort nog steeds open stond, en de zegel ter plaatse van de nooddeur gelegen aan de rechterzijgevel wederom verbroken was. Diezelfde dag is de nooddeur opnieuw verzegeld. 3.9.
Volledig
In afzonderlijke wijzigingsbesluiten van 18 oktober 2024 heeft het college eiseressen medegedeeld dat de lasten onder dwangsom van 10 oktober 2024 zijn gewijzigd in die zin dat voormelde lasten niet alleen gelden voor het afgezette deel van perceel 1, maar tevens gelden voor het afgezette deel van perceel 2.. 3.10. Op 18, 19, 21, 22, 23 en 24 oktober 2024 heeft de omgevingsdienst geconstateerd dat een poort op perceel 1 nog steeds open stond. Op 25, 28, 29, 30 en 31 oktober 2024 en 1 en 4 november 2024 heeft de omgevingsdienst geconstateerd dat deze poort op perceel 1 weliswaar dicht is, maar dat het hangslot, wat geknoopt zit, niet is afgesloten. 3.11. Op 4 november 2024 om 08:15 uur heeft de omgevingsdienst bij een controle geconstateerd dat de zegels van twee nooddeuren gelegen aan de zijde [locatie] van het pand op perceel 1 zijn verbroken en dat het aanwezige matras op perceel 1 is verplaatst. De rode kruiwagen was niet meer zichtbaar. De omgevingsdienst heeft diezelfde dag nieuwe zegels geplaatst. 3.12. Op 12 november 2024 heeft de omgevingsdienst wederom een controle uitgevoerd. Diezelfde dag heeft PFM voorbereidende werkzaamheden getroffen en op 13 tot en met 15 november 2024 heeft PFM alle asbest op perceel 1 en perceel 2 verwijderd. 3.13. In de nacht van 14 op 15 november 2024 is er ingebroken op perceel 1 en zijn diverse kabelhaspels, steigers, lampen en een voorraad diesel van PFM van perceel 1 weggehaald, waar PFM aangifte van heeft gedaan. 3.14. Op 15 november 2024 zijn perceel 1 en perceel 2 gecontroleerd door Roba Inspecties B.V. en Lab-10. Zij hebben vrijgavedocumenten opgesteld. Na accordering daarvan door de omgevingsdienst, heeft het college op 28 november 2024 de stillegging van de sloop en/of bouwwerkzaamheden opgeheven en mochten eiseressen de percelen weer betreden. 3.15. Op 8 december 2024 heeft de heer [naam] namens eiseressen aangifte gedaan van diefstal van alle bekabeling en van koper. Daarbij heeft hij aangegeven dat de diefstal tussen 3 oktober 2024 en 5 december 2024 is gepleegd. 3.16. Met het invorderingsbesluit van 30 januari 2025 heeft het college de verbeurde dwangsommen van € 20.000,- ingevorderd wegens het blijkens de controles van 14 en 17 oktober 2024 en van 4 en 12 november 2024 niet naleven van de lasten onder dwangsom van 10 oktober 2024. Het college heeft daarbij aangegeven dat op die dat het afgezette gebied in ieder geval is betreden. Het voornemen om tot invordering te gaan heeft het college reeds eerder op respectievelijk 16 oktober 2024, 4 november 2024 en 9 januari 2025 schriftelijk aan eiseressen bekendgemaakt. 3.17. Bij besluit van 26 juni 2025 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van eiseressen ongegrond verklaard en zowel de (gewijzigde) lasten onder dwangsom van 10 en 18 oktober 2024 als het invorderingsbesluit van 30 januari 2025 gehandhaafd. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 4. In deze zaak is een ambtshalve sanctiebesluit genomen op 10 oktober 2024 en is niet al voor 1 januari 2024 toepassing gegeven aan artikel 4:8 van de Awb, zodat in dit geval de Omgevingswet zoals die geldt vanaf 1 januari 2024 van toepassing is. 4.1. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Bespreking beroepsgronden Omvang van het geding 5. Eiseressen hebben in hun beroepschrift aangegeven dat hetgeen namens hen in hun bezwaarschrift is opgenomen woordelijk als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. De rechtbank overweegt dat deze algemene stelling van eiseressen in beroep, onvoldoende is om te kunnen aanmerken als een beroepsgrond waar de rechtbank op in dient te gaan. Het college is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de bezwaren van eiseressen. Datgene waarover eiseressen in beroep niet concreet hebben aangegeven waarom de reactie van het college op hun bezwaren volgens hen niet juist of niet toereikend is, zal de rechtbank daarom buiten beschouwing laten. 6. De rechtbank stelt vast dat door eiseressen niet betwist wordt dat sprake was van een overtreding ten tijde van het opleggen van de lasten onder dwangsom en het college dus in beginsel bevoegd was om handhavend op te treden. Door eiseressen is evenmin betwist dat eiseres 1 overtreder is. Is eiseres 2 ook overtreder? 7. Eiseressen stellen dat eiseres 2 ten onrechte als overtreder is aangeschreven. Daartoe voeren zij aan dat, uitgaande van de criteria van functioneel daderschap als neergelegd in het Drijfmeerarrest , de verboden gedraging niet aan haar kan worden toegerekend. In het bestreden besluit wordt volgens eiseressen ten onrechte niet aan voormelde criteria getoetst, dan wel onvoldoende gemotiveerd waarom het feit dat slechts aan twee van de vier criteria uit dat arrest wordt voldaan, voldoende is voor de aanname dat ook eiseres 2 overtreder is. 7.1. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat terecht ook aan eiseres 2 een last onder dwangsom is opgelegd, omdat degene die de feitelijke macht uitoefent over een terrein of bouwwerk in beginsel verantwoordelijk is voor hetgeen zich daarop voordoet, ook als derden handelingen verrichten zonder haar instemming. Eiseressen blijven als gebruiker/huurder van het terrein verantwoordelijk voor de naleving van de opgelegde maatregelen, waaronder het niet betreden van het terrein/pand en het in stand houden van de verzegelingen. Daarbij wijst het college ook op de op eiseressen rustende zorgplicht. In het verweerschrift voegt het college hieraan toe dat niet behoeft te worden getoetst aan functioneel daderschap, omdat eiseressen feitelijk plegers zijn. Ter zitting stelt het college zich primair op het standpunt dat eiseressen feitelijk plegers zijn en subsidiair dat zij als functioneel daders kunnen worden aangemerkt. 7.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in het bestreden besluit eiseres 2 terecht als overtreder aangemerkt en is terecht mede aan haar een last onder dwangsom opgelegd. De rechtbank wijst er daartoe allereerst op dat eiseres 2 een rechtspersoon is. Het daderschap van een rechtspersoon is uit zijn aard een vorm van functioneel daderschap. De rechtspersoon kan immers slechts handelen en/of nalaten door middel van natuurlijke personen. Het is hun handelen of nalaten dat wordt toegerekend aan de rechtspersoon, als ware het handelingen van die rechtspersoon zelf. Dit betekent dat de criteria van functioneel daderschap als neergelegd in het Drijfmeerarrest hier van toepassing zijn. 7.3. De in het Drijfmeerarrest geformuleerde criteria luiden als volgt: het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf, de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging . 7.4. Op grond van het Drijfmeerarrest zal van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon sprake kunnen zijn indien één of meer van voormelde criteria zich voordoen. Niet vereist is dat, zoals eiseres 2 lijkt te veronderstellen, aan alle vier de criteria moet worden voldaan. Tussen partijen is niet in geschil dat in ieder geval aan het derde criterium wordt voldaan. 7.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in het bestreden besluit afdoende gemotiveerd waarom de overtreding aan eiseres 2 kan worden toegerekend, waarbij ook is ingegaan op de vraag of (tevens) is voldaan aan het vierde criterium.
Volledig
Het college heeft met juistheid overwogen dat ook als juist zou zijn dat derden de overtreding begaan zonder instemming of medeweten van eiseressen, dit onverlet laat dat eiseres 2 als huurder van het terrein verantwoordelijk blijft voor de naleving van de opgelegde maatregelen, waaronder het niet (laten) betreden van het terrein/pand en het in stand houden van de verzegelingen. 7.6. De beroepsgrond slaagt niet. Is de hoogte van de dwangsom disproportioneel? 8. Eiseressen voeren aan dat de hoogte van de aan hen opgelegde dwangsom(men) onevenredig hoog is, nu, vanwege de nauwe verwevenheid tussen hen, met het opleggen van de dwangsom(men) feitelijk hetzelfde vermogen wordt geraakt. De facto is de enig bestuurder van beide eiseressen bij iedere geconstateerde overtreding € 10.000,- (2x € 5.000,-) verschuldigd en is het maximum daarmee feitelijk geen € 30.000,-, maar € 60.000,- (namelijk 2x € 30.000,-). Volgens eiseres 2 is daarmee ten onrechte geen rekening gehouden. 8.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de dwangsom(men) niet onevenredig hoog zijn en wijst daartoe op rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waarin nauwe verwevenheid tussen rechtspersonen geen bijzondere omstandigheid oplevert om dwangsommen te matigen. 8.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de opgelegde dwangsommen in dit geval niet onevenredig hoog zijn. Eiseressen zijn twee juridisch te onderscheiden rechtspersonen die beiden een eigen verantwoordelijkheid hebben om voortduring of herhaling van de geconstateerde overtredingen te voorkomen. Het is daarom aanvaardbaar dat ze allebei aangeschreven worden met een last onder dwangsom voor dezelfde overtredingen. Het feit dat eiseressen als verschillende overtreders nauw met elkaar verweven zijn, is blijkens de door het college aangehaalde Afdelingsuitspraak in een dergelijk geval dan niet van belang. Daarbij merkt de rechtbank op dat vanwege het karakter van de dwangsom, zijnde een herstelsanctie en geen bestraffende sanctie, de draagkracht van de overtreder(s) bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom(men) geen rol speelt. Vereist is slechts dat de gekozen dwangsombedragen in redelijke verhouding staan tot (1) de zwaarte van het geschonden belang en tot (2) de beoogde werking van de dwangsom. Dat dit niet het geval zou zijn hebben eiseressen in beroep niet onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet. Tussenconclusie 9. Het voorgaande betekent dat het beroep van eiseressen voorzover dat ziet op de aan hen opgelegde lasten onder dwangsom niet slaagt. De rechtbank zal hierna ingaan op de vraag of eiseressen dwangsommen hebben verbeurd. Dwangsommen verbeurd? 10. Eiseressen betogen dat zij niet in strijd met de lasten onder dwangsom hebben gehandeld, daarom geen dwangsommen hebben verbeurd en het college dus ten onrechte tot invordering is overgegaan. 10.1. Zij voeren daartoe allereerst aan dat de woorden “laten betreden” in de lasten onder dwangsom een uitdrukkelijke toestemming van eiseressen aan derden om de afgezette gedeelten te betreden behelzen, en dat zij geen dergelijke toestemming aan derden hebben gegeven. Daarbij vragen zij nadrukkelijk aandacht voor een uitspraak van de Afdeling van 6 november 2024. In het bestreden besluit in de lasten onder dwangsom inlezen dat onder “niet laten betreden” ook het zich houden aan de zorgplicht valt is gelet op de rechtszekerheid niet mogelijk. De lasten strekken volgens hen niet zo ver dat eiseressen, naast de aanwezige afzettingen – waaronder de door eiseressen met een hangslot afgesloten hekwerken bij de toegang tot perceel 1 – en het informeren van alle betrokkenen, aanvullende maatregelen hadden moeten treffen. 10.2. Het college stelt dat eiseressen zich niet aan de last hebben gehouden en dat daarom dwangsommen zijn verbeurd. Het college geeft daarbij, voor zover van belang, aan dat het bestreden besluit niet verder strekt dan de aan eiseressen opgelegde lasten. Ook als derden zonder instemming of medeweten van eiseressen perceel 1 zouden hebben betreden, laat dit onverlet dat eiseressen als gebruiker/huurder van het terrein verantwoordelijk blijven voor de naleving van de opgelegde maatregelen, waaronder het niet betreden van het terrein/pand en het in stand houden van de verzegelingen. Het toezicht op de toegang tot het terrein en de beveiliging daarvan is een belangrijke, ook om te voorkomen dat mogelijke onrechtmatige toegang een direct effect heeft op de veiligheid van het terrein, het beschermingsniveau voor gevaarlijke stoffen (zoals asbest), en de naleving van de regelgeving. Dit volgt tevens uit de zorgplicht neergelegd in het Bbl. Het beroep van eiseressen op de Afdelingsuitspraak van 6 november 2024 gaat volgens het college niet op omdat het daar niet om naleving van een zorgplicht ging. 10.3. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiseressen dwangsommen hebben verbeurd. Daartoe zal de rechtbank eerst ingaan op de vraag wat de omvang van de lasten is en daarna of eiseressen al dan niet aan de lasten hebben voldaan. 10.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in de lasten onder dwangsom met het verbod om de percelen 1 en 2 te “laten betreden” voldoende duidelijk en concreet geformuleerd dat het om meer dan alleen de uitdrukkelijke toestemming van eiseressen aan derden om de met asbest besmette percelen te betreden gaat. Het omvat ook dat eiseressen de met asbest besmette percelen niet laten betreden, dus dat eiseressen redelijkerwijs te nemen maatregelen treffen, om te voorkomen dat de percelen ongeoorloofd fysiek betreden worden. Daaronder valt in dit geval – waarbij het gaat om niet hecht gebonden, gevaarlijk, asbest waar een ieder van weg moet blijven – naar het oordeel van de rechtbank minstens dat de beveiligingsmogelijkheden van het terrein, namelijk het (correct) sluiten van de hangsloten op de aanwezige hekwerken, daadwerkelijk door eiseressen benut worden. Gezien het voorgaande behelst het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank geen wijziging of verzwaring van de lasten onder dwangsom. De vraag of het vorenstaande niet alleen uit het in de last geformuleerde “niet laten betreden”, maar tevens uit de zorgplicht van het Bbl voortvloeit, behoeft naar het oordeel van de rechtbank geen bespreking. 11. Eiseressen voeren aan dat zij ook om andere reden geen dwangsommen hebben verbeurd en het college ten onrechte tot invordering is overgegaan. Zij stellen zelf op perceel 1 na het opleggen van de last geen sloopactiviteiten en/of werkzaamheden te hebben verricht, het perceel niet te hebben betreden en ook derden daar geen toestemming voor te hebben gegeven, althans door het college is dit niet aannemelijk gemaakt. Eiseressen hebben de nodige maatregelen getroffen om het (laten) betreden te voorkomen door de toegangen tot perceel 1 met hekwerken en hangsloten af te sluiten en weten niet wat zij nog meer hadden kunnen doen. Zij gaan er vanuit dat derden zonder toestemming perceel 1 hebben betreden wat tot verbreking van de zegels heeft geleid, en wijzen op de overgelegde aangifte van diefstal. Ter zitting van de rechtbank hebben eiseressen gesteld dat [naam] regelmatig langs perceel 1 is gereden en toen hij zag dat de hangsloten bij perceel 1 waren doorgeknipt, hij deze heeft vervangen. Ook stellen eiseressen ter zitting dat het inbrekers moeten zijn geweest die de kruiwagen hebben verplaatst en die het plaatmateriaal dat zich op en voor de trap bevond hebben verwijderd. In aanvulling hierop voeren eiseressen met betrekking tot de gestelde verbeurte van 12 november 2024 aan dat uit de rapporten van bevindingen onvoldoende blijkt welke deur van perceel 1 die dag gecontroleerd is, waardoor onduidelijk is dat het verbreken van de zegel van 10 oktober 2024 betrekking heeft op de verbeurte van 12 november 2024. Tevens is volgens hen, anders dan het college stelt, dienaangaande geen (nieuwe) breuksticker beschikbaar. Daarbij wijzen eiseressen op een e-mail van 3 april 2025 van de gemachtigde van het college aan de commissie bezwaarschriften. 11.1.
Volledig
Het college handhaaft in het bestreden besluit het in het invorderingsbesluit neergelegde standpunt, dat de omgevingsdienst op 14 oktober 2024, 17 oktober 2024, 4 november 2024 en 12 november 2024 heeft geconstateerd dat eiseressen de lasten onder dwangsom van 10 oktober 2024 niet hebben nageleefd en daarom op voormelde data van rechtswege dwangsommen zijn verbeurd. In het invorderingsbesluit heeft het college specifiek op de volgende feiten en omstandigheden afkomstig uit de rapportages gewezen. Op 14 oktober 2024 was de zegel ter plaatse van de nooddeur verbroken en was de kruiwagen aan de binnenzijde van de deur verplaatst. De nooddeur is op 14 oktober 2024 opnieuw verzegeld. Op 17 oktober 2024 was de zegel ter plaatse van de nooddeur gelegen aan de rechterzijgevel weer verbroken. Ook was de kruiwagen aan de binnenzijde van deze deur weer verplaatst; hij stond nu rechts aan de binnenzijde van de nooddeur. De nooddeur is op 17 oktober 2024 voorzien van nieuwe verzegeling. Op 4 november 2024 waren de zegels opnieuw verbroken ter plaatse van de twee nooddeuren gelegen aan de zijde van de Eikenlaan en de kruiwagen die eerst bij de nooddeur stond, was niet langer zichtbaar. Ook was het in de ruimte aanwezige matras verplaatst. De twee nooddeuren zijn op 4 november 2024 opnieuw verzegeld. Op 12 november 2024 heeft de omgevingsdienst de locatie bezocht om de verzegeling te controleren en te verbreken ten behoeve van de asbestverwijderingswerkzaamheden van PFM. Daarbij heeft de omgevingsdienst geconstateerd dat de verzegeling reeds was verbroken. Het college concludeert hieruit dat het afgezette gebied op voormelde data in ieder geval is betreden en er (gelet op het verplaatsen van de aanwezige kruiwagen) mogelijk ook werkzaamheden zijn uitgevoerd, hetgeen tot verbeurte van dwangsommen leidt. 11.2. In reactie op de beroepsgronden heeft het college hier ter zitting het volgende aan toegevoegd. Dat er in strijd met de lasten onder dwangsom van 10 oktober 2024 werkzaamheden op perceel 1 zijn verricht volgt in ieder geval uit de melding van 14 oktober 2024 dat mos is gestort op perceel 2, afkomstig van werkzaamheden die zijn verricht op het dak van perceel 1. Dat die werkzaamheden niet in opdracht van eiseressen zouden zijn uitgevoerd, is ongeloofwaardig. De stelling van eiseressen dat inbrekers de trap hebben opgeschoond en de kruiwagen hebben verplaatst is eveneens ongeloofwaardig. Op 12 november 2024 heeft de omgevingsdienst vastgesteld dat reeds op twee deuren zegels waren verbroken, waaronder die van 10 oktober 2024. Op iedere zegel bevindt zich de datum waarop de zegel geplaatst wordt en de eerste drie verbeurtes zien niet op de zegel van 10 oktober 2024. Er is daarom op 12 november 2024 sprake van een nieuwe verbeurte. De omgevingsdienst heeft op 12 november 2024 geen nieuwe zegels aangebracht, vanwege de later die dag te verrichten voorbereidende werkzaamheden door PFM. Ten aanzien van de vraag of eiseressen meer hadden kunnen doen, geeft het college aan dat eiseressen ter voorkoming van het laten betreden de toegangen van houten beplatingen hadden kunnen voorzien. 11.3. De rechtbank zal hierna per constatering nagaan of eiseressen al dan niet de opgelegde lasten onder dwangsom van 10 oktober 2024 hebben overtreden en dus op dat moment een dwangsom hebben verbeurd. Zij zal dus alle vier de data van de gestelde verbeurtes, te weten 14 en 17 oktober 2024 en 4 en 12 november 2024, afzonderlijk bezien. 14 oktober 2024 11.4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college in het bestreden besluit terecht het in het invorderingsbesluit neergelegde standpunt handhaaft dat op 14 oktober 2024 het afgezette gebied in ieder geval is betreden en er (mogelijk) ook werkzaamheden zijn uitgevoerd. Uit het hiervoor weergegeven feitencomplex volgt dat op 14 oktober 2024 bij de omgevingsdienst de melding van buurtbewoners is binnengekomen dat mos afkomstig van het dak op perceel 1 is gestort op perceel 2 door personen die werkzaamheden verrichtten op perceel 1. De rechtbank is van oordeel dat uit het feit dat er werklui bezig zijn met werkzaamheden op perceel 1, mag worden afgeleid dat dat op verzoek van of in opdracht van eiseressen was. Dat er, zoals eiseressen stellen, werkzaamheden op perceel 1 zouden hebben plaatsgevonden zonder dat zij daarvan wisten en zonder dat zij daartoe opdracht zouden hebben gegeven, is naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van deze verbeurte daarom ongeloofwaardig. Het voorgaande betekent dat eiseressen op 14 oktober 2024 niet hebben voldaan aan de last, want zij hebben perceel 1 laten betreden. De rechtbank merkt daarbij op dat de lasten onder dwangsom op het gehele perceel 1 zien, dus ook op het dak van het pand op perceel 1. Daarnaast heeft het college terecht gewezen op de vaststelling van de omgevingsdienst op 14 oktober 2024 dat de zegel ter plaatse van de nooddeur gelegen aan de rechterzijgevel van het pand op perceel 1 verbroken was, wat eveneens duidt op het niet naleven van het “niet laten betreden” van perceel 1. Het voorgaande betekent dat voldoende aannemelijk is dat eiseressen op 14 oktober 2024 de last hebben overtreden en daarmee van rechtswege een dwangsom hebben verbeurd. 17 oktober 2024 11.5. Naar het oordeel van de rechtbank is tevens voldoende aannemelijk dat eiseressen ook op 17 oktober 2024 de lasten hebben overtreden en dus van rechtswege op die datum een dwangsom hebben verbeurd. Uit het rapport van bevindingen van 4 november 2024, met de foto’s 23 en 24, blijkt dat de omgevingsdienst op 17 oktober 2024 heeft vastgesteld dat de poort links van de hoofdingang van perceel 1 open stond. Gelet hierop hebben eiseressen naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de last, omdat zij het perceel hebben laten betreden. Daarbij wijst de rechtbank op de uitleg die zij aan het “niet laten betreden” heeft gegeven onder rechtsoverweging 10.4. Als redelijkerwijs te nemen maatregel om te voorkomen dat de percelen ongeoorloofd betreden zouden worden, valt naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval het deugdelijk afsluiten van de poorten van de percelen. Daaraan hebben eiseressen op 17 oktober 2024 niet voldaan aangezien voormelde poort openstond. Het gegeven dat op diezelfde datum door de omgevingsdienst is geconstateerd dat de zegel ter plaatse van de nooddeur gelegen aan de rechterzijgevel van perceel 1 is verbroken, komt daarom naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van eiseressen. 4 november 2024 11.6. De rechtbank is van oordeel dat eveneens voldoende aannemelijk is dat eiseressen op 4 november 2024 de lasten hebben overtreden en dus van rechtswege op die datum een dwangsom hebben verbeurd. De omgevingsdienst heeft op 29 oktober 2024 vastgesteld dat de poort links van de hoofdingang van perceel 1 weliswaar dicht is, maar dat het hangslot geknoopt zit en niet was afgesloten. Op 30 oktober 2024, 31 oktober 2024, 1 november 2024 en 4 november 2024 heeft de omgevingsdienst vastgesteld dat de situatie ten aanzien van deze poort onveranderd was. Zoals in de alinea hiervoor overwogen, valt als redelijkerwijs te nemen maatregel om te voorkomen dat de percelen ongeoorloofd betreden zouden worden in ieder geval het deugdelijk afsluiten van de poorten naar de percelen. Daaraan hebben eiseressen niet voldaan. Het gegeven dat op 4 november 2024 door de omgevingsdienst is geconstateerd dat de zegels opnieuw verbroken waren op perceel 1 ter plaatse van de twee nooddeuren gelegen aan de zijde van de Eikenlaan , komt daarom naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van eiseressen. 12 november 2024 11.7. Ten aanzien van de vraag of voldoende aannemelijk is dat eiseressen ook op 12 november 2024 de lasten hebben overtreden, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier blijkt dat twee medewerkers van de omgevingsdienst op 12 november 2024 om 07:30 uur een controle hebben uitgevoerd. Direct bij aankomst zijn op twee locaties verbroken breukstickers geconstateerd, onder meer aan de zijkant van het gebouw van perceel 1, waarbij een toegang is voorzien van twee deuren.
Volledig
Uit de rapportage van 13 november 2024 in combinatie met fotobijlage 1, blijkt, anders dan eiseressen stellen, naar het oordeel van de rechtbank afdoende welke deur die dag gecontroleerd is en dat de breukstickers om 07:30 uur reeds verbroken waren. Nu uit de rapportage ook blijkt dat na eerdere controles steeds opnieuw de deuren verzegeld zijn met nieuwe zogenoemde breukstickers, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat op 12 november 2024 sprake is van een nieuwe verbeurte. Eiseressen stellen weliswaar terecht dat op de dag van 12 november 2024 zelf, geen nieuwe breuksticker is geplaatst , maar dat maakt niet dat geen sprake is van een overtreding. 11.8. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseressen stelling dat de reden dat op 12 november 2024 een verbroken zegel is geconstateerd, diefstal moet zijn geweest, onvoldoende aannemelijk. Eiseressen hebben ter zitting gesteld dat het inbrekers moeten zijn geweest die het plaatmateriaal dat zich op en voor de trap bevond, hebben verwijderd en de kruiwagen hebben verplaatst. Uit het feitencomplex volgt echter dat het plaatmateriaal dat op 3 oktober 2024 is aangetroffen op en voor de trap, al ten tijde van de asbestinventarisatie van 10 oktober 2024 was weggehaald en de trapopgang toen al volledig schoon was. Ook blijkt uit het feitencomplex dat de kruiwagen reeds lang vóór 12 november 2024 was verplaatst, namelijk op 10, 14 en 17 oktober 2024. Als het relaas van eiseressen zoals ter zitting naar voren is gebracht gevolgd zou worden, zou dit betekenen dat de inbraak, waarbij de trap door dieven is geschoond, al veel eerder dan 12 november 2024 plaats heeft gevonden. Dat, nadat al eerder eventuele waardevolle spullen uit het slooppand waren gestolen, de geconstateerde verbreking van de zegel op 12 november 2024 om 07:30 uur nog steeds het gevolg zou zijn geweest van diezelfde inbraak of inbraken, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk. Dat [naam] – nadat hij meermaals langs perceel 1 was gereden en al had gezien dat er hangsloten waren doorgeknipt – nog tot 8 december 2024 heeft gewacht met het aangifte doen van diefstal, terwijl reeds op 28 november 2024 de stillegging was opgeheven, maakt het betoog van eiseressen eveneens onaannemelijk. Het verbreken van de zegel op 12 november 2024 mocht het college naar het oordeel van de rechtbank daarom aan eiseressen toerekenen. 11.9. Voorts merkt de rechtbank nog het volgende op. Later op de dag op 12 november 2024 heeft PFM voorbereidende werkzaamheden getroffen en op 13 tot en met 15 november 2024 heeft PFM alle asbest op perceel 1 en perceel 2 verwijderd. In de nacht van 14 op 15 november 2024 is er ingebroken op perceel 1 en zijn diverse kabelhaspels, steigers, lampen en een voorraad diesel van PFM van perceel 1 weggehaald, waar PFM aangifte van heeft gedaan. Deze spullen van PFM waren op 12 november 2024 om 07:30 uur, nog niet aanwezig in het pand, zodat de diefstal van de spullen van PFM niet in verband kan worden gebracht met het verbreken van de zegels op een van de dagen waarop de constateringen betrekking hebben. Deze diefstal brengt de rechtbank dan ook niet tot een ander oordeel. 12. De beroepsgronden slagen niet. Conclusie en gevolgen 13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseressen geen gelijk krijgen. Het bestreden besluit, de opgelegde lasten onder dwangsom en het invorderingsbesluit blijven daarom in stand. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht aan eiseressen moet vergoeden. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kleijn Hesselink, rechter, in aanwezigheid van mr. S.H. Snoeij, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht (Awb) artikel 5:1 Awb 1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. 2 Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt. 3 Overtredingen kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. Artikel 51, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing. artikel 5:31d Awb Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende: een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. artikel 5:32 Awb 1 Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. artikel 5:32a Awb 1. De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen. 2 Bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. artikel 5:32b Awb 1. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. 2 Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. 3 De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. artikel 5:37 Awb 1 Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom artikel 5:39 Awb 1 Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. artikel 8:69 Awb 1. De bestuursrechter doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. 2 De bestuursrechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan. 3 De bestuursrechter kan ambtshalve de feiten aanvullen. Wet milieubeheer (Wm) artikel 10.1 Wm 1. Een ieder die handelingen met betrekking tot afvalstoffen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. 2 Het is een ieder bij wie afvalstoffen ontstaan, verboden handelingen met betrekking tot die afvalstoffen te verrichten of na te laten, waarvan hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan. 3 Het is een ieder verboden bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen te verrichten, indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan. 4 Onder handelingen als bedoeld in het derde lid wordt in ieder geval verstaan: inzamelen of anderszins in ontvangst nemen, bewaren, nuttig toepassen, verwijderen, vervoeren of verhandelen van afvalstoffen of bemiddelen bij het beheer van afvalstoffen.
Volledig
Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) Artikel 3.5 Bbl (specifieke zorgplicht: bestaande bouwwerken) Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het bouwwerk tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. artikel 7.4 Bbl (specifieke zorgplicht) 1. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de werkzaamheden tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid in de directe omgeving kunnen leiden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. 2 Onder gevaar voor de gezondheid of veiligheid in de directe omgeving als bedoeld in het eerste lid wordt ook verstaan beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere roerende of onroerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, die tot dat gevaar kan leiden. artikel 7.9 Bbl (asbestinventarisatieplicht) 1 De normadressaat beschikt over een asbestinventarisatierapport voor het gedeelte van het bouwwerk waar wordt gesloopt, als hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zich in het bouwwerk asbest of een asbesthoudend product bevindt. artikel 7.10 Bbl (sloopmelding) 1 Het is verboden een bouwwerk of gedeelte daarvan te slopen als daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt, zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden te melden. artikel 7.15 Bbl (veiligheid in de directe omgeving) 1. Bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen ter voorkoming van: letsel aan personen in de directe omgeving van het bouw- en sloopterrein; letsel aan personen die het bouw- en sloopterrein onbevoegd betreden; en gevaar voor de veiligheid van belendingen. artikel 7.25 Bbl (scheiden gevaarlijk bouw- en sloopafval) 1. Ongeacht de hoeveelheid wordt gevaarlijk bouw- en sloopafval in ieder geval gescheiden in de volgende fracties: ls gevaarlijk aangeduide afvalstoffen als bedoeld in hoofdstuk 17 van de afvalstoffenlijst van de Regeling Europese afvalstoffenlijst, voor zover deze stoffen niet onder b tot en met d van dit lid zijn opgenomen; (…) Regeling Europese afvalstoffenlijst artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: afvalstoffenlijst: bijlage bij beschikking nr. 2000/532/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 3 mei 2000 tot vervanging van Beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 226/3). Bijlage bij Beschikking 2000/532/EG: afvalstoffenlijst Inhoudsopgave Hoofdstukken van de lijst (…) 17 Bouw- en sloopafval (inclusief afgegraven grond van verontreinigde locaties) (….) 17 06 isolatiemateriaal en asbesthoudend bouwmateriaal 17 06 01* asbesthoudend isolatiemateriaal (…) 17 06 05* asbesthoudende bouwmaterialen Omgevingsplan gemeente Land van Cuijk (omgevingsplan) artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk 1. Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. 2. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt. artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen 1. De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. 2. Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. 3. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Rapport van bevindingen 9 oktober 2024, foto 13 en 14 Rapport van bevindingen 17 oktober 2024 verslag hoorzitting 1 april 2025 en verweerschrift 4 december 2025 met bijlagen. Rapport van bevindingen 17 oktober 2024, met bijlage foto 28. de poort gesitueerd links van de hoofdingang Rapport van bevindingen van 4 november 2025, bijlage 1 bij gronden bezwaar van 21 januari 2025. Proces-verbaal van aangifte van diefstal van 8 december 2024. Dit bepaalt artikel 4.5 van de Invoeringswet Omgevingswet. arrest van de Hoge Raad (HR) van 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, verduidelijkt in het HR arrest van 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733 en bevestigd in de Afdelingsuitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067. als neergelegd in artikel 7.4 van het Bbl ECLI:NL:RVS:2022:1234 rechtsoverweging 5.2 van de in voormelde voetnoot aangehaalde uitspraak ECLI:NL:RVS:2011:BP7185 op grond van artikel 5:32b lid 3 van de Awb waarbij aard en ernst van de overtreding relevant is. ECLI:NL:RVS:2024:4486 van artikel 7.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) Rapport van bevindingen van 14 oktober 2024 met foto’s 10 en 11. Rapport van bevindingen van 14 oktober 2024 met foto 12. Rapport van bevindingen van 4 november 2024 met foto’s 23 en 24. Rapport van bevindingen van 4 november 2024 met foto 25. Rapport van bevindingen van 4 november 2024 met foto’s 29 en 30. Rapport van bevindingen van 4 november 2024 met foto’s 31 en 32. Rapport van bevindingen van 4 november 2024 met foto’s 33 en 34. Verweerschrift p. 2 onder ‘Beschrijving gebeurtenissen / feitenoverzicht’. van 14 oktober 2024, 17 oktober 2024 en 4 november 2024 Rapport van bevindingen van 14 oktober 2024 met foto’s 10 en 11. Rapport van bevindingen van 4 november 2024 met foto’s 29 en 30. Begeleidend tekst bij foto 1 van het rapport van bevindingen van 13 november 2024. Rapport van bevindingen van 13 november 2024 met fotobijlagen. E-mail van 3 april 2025 van de omgevingsdienst aan de bezwaaradviescommissie. Verklaring van [naam] ter zitting van de rechtbank van 17 december 2025.