Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-03-03
ECLI:NL:RBOBR:2026:1294
RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 21/1927 uitspraak van de meervoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres (gemachtigde: mr. H.M.H. van Dongen), en het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, het college, (gemachtigden: mr. S. Bouchiba en [naam]). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor subsidie op grond van de Subsidieregeling Hedendaagse Cultuur Noord-Brabant, Professionele Kunsten 2021-2024 (de subsidieregeling). Eiseres is het niet eens met die afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de subsidieaanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak en de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2.1. Eiseres heeft als primair doel de talentontwikkeling van schrijvers, zij organiseert diverse podiumactiviteiten, produceert een literaire podcast en wil zich ontwikkelen tot een internationale literaire werkplaats. Eiseres heeft op 29 januari 2020 een aanvraag ingediend voor subsidie op grond van de subsidieregeling voor een bedrag van € 280.000,–. 2.2. De beoordeling van de subsidieaanvragen heeft plaatsgevonden via een tenderprocedure. Het college heeft de ingediende aanvragen aanvankelijk voor advies voorgelegd aan de Adviescommissie BrabantStad Cultuur. De Adviescommissie BrabantStad Cultuur heeft alle aanvragen beoordeeld en van advies voorzien. Op basis van de verdeelcriteria van artikel 1.12 van de subsidieregeling zijn aan iedere aanvraag punten toegekend. Hierdoor is een rangschikking van de aanvragen tot stand gekomen. Het college heeft de adviezen en de hieruit voortvloeiende rangschikking van de Adviescommissie BrabantStad Cultuur overgenomen. 2.3. Het beschikbare subsidiebudget is vervolgens in de volgorde van de rangschikking verdeeld over de aanvragen die volledig gehonoreerd konden worden. Dat waren de aanvragen met een totaalscore van 278 punten en hoger. Daarmee werd het subsidieplafond zoals opgenomen in artikel 1.10, onder k, van de Subsidieregeling van € 11.126.835,– bereikt. 2.4. In het primaire besluit van 19 juni 2020 heeft het college de aanvraag van eiseres afgewezen onder verwijzing naar artikel 4:25, tweede lid van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) omdat het subsidieplafond van de subsidieregeling is bereikt. In het advies van de Adviescommissie BrabantStad Cultuur zijn aan eiseres 277 punten toegekend, daarmee viel zij onder de zogenoemde zaaglijn. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar ingediend. 2.5. Op 21 september 2020 en 23 oktober 2020 heeft de Adviescommissie BrabantStad Cultuur een aanvullend advies en toelichting gegeven naar aanleiding van het bezwaarschrift van eiseres. De Adviescommissie BrabantStad Cultuur handhaaft daarin haar eerdere advies. 2.6. Op 30 november 2020 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de Hoor- en Adviescommissie (HAC) over het ingediende bezwaar. 2.7. Op 7 december 2020 heeft het college aan de HAC laten weten dat een vermoeden van een andere aanvrager dat een van de commissieleden die een familieband heeft met een andere aanvrager van de subsidie en waar tevens sprake zou zijn van zakelijke en/of professionele betrokkenheid bij deze aanvrager, betrokken zou zijn geweest bij de beoordeling van de subsidieaanvraag van deze aanvrager, correct is. De procedure tot ontslag van dit commissielid is door het college daarop in gang gezet. 2.8. De HAC heeft het college vervolgens op 24 december 2020 geadviseerd om Voor de motivering van dat besluit verwijst het college opnieuw naar het advies van de Adviescommissie. Het college vindt dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van het advies en de bijbehorende puntenvaststelling. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van eiseres van rechtswege betrekking op het bestreden besluit II. 2.15. Het college heeft naast het nemen van het bestreden besluit II ook hoger beroep ingediend tegen de uitspraak van de rechtbank in de zaak van een andere aanvrager bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). De rechtbank heeft partijen bericht dat de zaak wordt aangehouden, in afwachting van de uitspraak van de Afdeling in die zaak. 2.16. De Afdeling heeft op 21 februari 2024 uitspraak gedaan in het hoger beroep van het college. De Afdeling heeft de uitspraak van de rechtbank vernietigd. 2.17. De rechtbank heeft partijen gevraagd naar een reactie op de uitspraak van de Afdeling en of deze uitspraak nog gevolgen heeft voor het reeds ingediende beroep. Eiseres heeft daarop verwezen naar haar eerder ingediende beroepsgronden. Het college heeft niet gereageerd. 2.18 De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Namens eiseres waren aanwezig: haar gemachtigde en [naam] (zakelijk leider), [naam] (directeur) en [naam] (bestuurslid) en namens het college zijn gemachtigden. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het college de gelegenheid gegeven om een schriftelijke reactie in te dienen. Die reactie heeft het college op 27 oktober 2025 ingediend. Eiseres heeft daar bij brief van 12 november 2025 op gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank 3.1. De rechtbank beoordeelt of het college de subsidieaanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Het oordeel van de rechtbank over het beroep tegen bestreden besluit I 3.2. Eiseres heeft aangegeven dat het bestreden besluit II niet tegemoet komt aan haar beroep. Het beroep wordt daarom geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit II. Omdat niet gebleken is dat eiseres nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het ingetrokken bestreden besluit I, is het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk. Het oordeel van de rechtbank over het beroep tegen bestreden besluit II 3.3. De rechtbank stelt voorop dat het verzoek van eiseres om wat zij eerder in het aanvullende bezwaarschrift, tijdens de hoorzitting en in de zienswijze heeft aangevoerd in beroep als herhaald en ingelast te beschouwen – zonder daarbij te vermelden in welk opzicht, in haar visie, de reactie van het college in het bestreden besluit ontoereikend was – onvoldoende is om te spreken van een beroepsgrond waar de rechtbank op in moet gaan. De rechtbank richt zich op wat eiseres in beroep concreet heeft aangevoerd. Motivering, vergewisplicht en willekeur 3.4. Eiseres betoogt dat de besluitvorming van het college motiveringsgebreken heeft, niet transparant is en dat het college niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. Het advies van de Adviescommissie biedt volgens eiseres geen of onvoldoende inzicht in de totstandkoming van de rangschikking van de beoordeelde aanvragen en in de tot het toetsingskader te herleiden overwegingen over de aanvraag van eiseres. Eiseres vindt dat de individuele beoordelingen van de Adviescommissie openbaar gemaakt moeten worden omdat de beschikbare verslagen geen inzicht bieden in de beraadslaging van de Adviescommissie, welke afwegingen de individuele commissieleden hebben gemaakt en op welke wijze de punten zijn toegekend en de rangschikking tot stand is gekomen. Eiseres stelt dat de notulen van de beraadslaging van de Adviescommissie in strijd met het reglement ontbreken. Eiseres concludeert dat het advies van de Adviescommissie gebrekkig tot stand is gekomen, dat de Adviescommissie niet onbevooroordeeld heeft gehandeld en dat de verschil De Adviescommissie professionele kunsten 2021-2024 heeft in het advies met betrekking tot de aanvraag van Stichting Lustwarande aan de hand van de verdeelcriteria uit artikel 1.12 van de Subsidieregeling de aanvraag beoordeeld en per verdeelcriterium een aantal punten toegekend. Stichting Lustwarande is in de gelegenheid gesteld haar zienswijze op het advies van de Adviescommissie professionele kunsten 2021-2024 kenbaar te maken en de adviescommissie heeft een reactie hierop gegeven. Stichting Lustwarande heeft in beroep en hoger beroep de juistheid en volledigheid van het advies niet betwist, noch de beoordeling van de hoger geëindigde aanvragen aan de orde gesteld. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat met dit advies in voldoende mate inzicht is gegeven in de totstandkoming van de puntentelling voor de aanvraag van Stichting Lustwarande. Dat de puntentelling in het advies van de Adviescommissie professionele kunsten 2021-2024 niet is uitgesplitst naar de door de individuele leden van de commissie gegeven punten, maakt de totstandkoming van de puntentelling in dit geval niet onvoldoende inzichtelijk. Het advies verschaft inzicht in de gedachtegang die aan het advies ten grondslag ligt. In het onderhavige geval is het niet noodzakelijk dat bekend is welke puntenscore een individueel lid van de commissie aan een aanvraag heeft toegekend. Leden van de adviescommissie hebben voorafgaand aan de vergaderingen van de commissie scoreformulieren ingevuld. Deze formulieren geven slechts voorlopige individuele oordelen weer, die tijdens de vergaderingen van de commissie nog kunnen wijzigen en die niet ten grondslag liggen aan het besluit van 29 juni 2021. Het uiteindelijke advies van de commissie is dus niet een optelsom of een gemiddelde van individuele scores. De motiveringsplicht van het college strekt daarom in dit geval niet zo ver dat ook inzicht had moeten worden gegeven in de individuele scoreformulieren. Het college heeft ook terecht aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de mate van afwijking tussen de rangorde waartoe de Adviescommissie professionele kunsten 2021-2024 komt en de eerdere rangorde van de Adviescommissie BrabantStad Cultuur van belang heeft geacht. Het college heeft zich in bezwaar op het standpunt gesteld dat de adviezen van de Adviescommissie BrabantStad Cultuur vanwege gebleken vooringenomenheid niet aan de besluiten op de aanvragen ten grondslag konden worden gelegd en heeft daarom een opnieuw samengestelde adviescommissie over de aanvragen laten adviseren. Het advies van de Adviescommissie BrabantStad Cultuur heeft dus geen betekenis voor de beantwoording van de vraag of de Adviescommissie professionele kunsten 2021-2024 de beoordelingssystematiek juist heeft toegepast. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het college, door het advies van de Adviescommissie professionele kunsten 2021-2024 aan het besluit van 29 juni 2021 ten grondslag te leggen, dit besluit onzorgvuldig heeft voorbereid, onvoldoende heeft gemotiveerd en dat het college niet heeft voldaan aan de vergewisplicht .” 3.6. Met inachtneming van de overwegingen van de Afdeling oordeelt de rechtbank dat de beroepsgronden over het inzicht in de totstandkoming van puntentelling en rangschikking, de toegepaste beoordelingssystematiek door de Adviescommissie, de vergewisplicht van het college en de inzichtelijkheid van zijn besluitvorming, niet kunnen slagen. In lijn met de in rechtsoverweging 3.5. geciteerde overwegingen van de Afdeling oordeelt de rechtbank dat bij het bestreden besluit II onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie in voldoende mate inzicht is gegeven in de totstandkoming van de puntentelling en dat de motiveringsplicht voor het college niet zo ver strekt dat ook inzicht had moeten worden gegeven in de individuele scoreformulieren. Met de in het bestreden besluit II gegeven toelichting op de werkwijze van de Adviescommissie heeft het college een nadere onderbouwing gege