Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-03-03
ECLI:NL:RBOBR:2026:1272
RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 21/1953 uitspraak van de meervoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres (gemachtigden: [naam], [naam] en [naam]), en het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, het college (gemachtigden: mr. S. Bouchiba en [naam]). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor subsidie op grond van de Subsidieregeling Hedendaagse Cultuur Noord-Brabant, Professionele Kunsten 2021-2024 (de subsidieregeling). Eiseres is het niet eens met die afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de subsidieaanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak en de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Eiseres presenteert wereldwijd crossmediale audiokunst en voorstellingen voor onder andere buitenlocaties, dansproducties, festivals en musea. Eiseres heeft op 30 januari 2020 een aanvraag ingediend voor subsidie op grond vande subsidieregeling voor een bedrag van € 540.000,–. 2.1. De beoordeling van de subsidieaanvragen heeft plaatsgevonden via een tenderprocedure. Het college heeft de ingediende aanvragen aanvankelijk voor advies voorgelegd aan de Adviescommissie BrabantStad Cultuur. De Adviescommissie BrabantStad Cultuur heeft alle aanvragen beoordeeld en van advies voorzien. Op basis van de verdeelcriteria van artikel 1.12 van de subsidieregeling zijn aan iedere aanvraag punten toegekend. Hierdoor is een rangschikking van de aanvragen tot stand gekomen. Het college heeft de adviezen en de hieruit voortvloeiende rangschikking van de Adviescommissie BrabantStad Cultuur overgenomen. 2.2. Het beschikbare subsidiebudget is vervolgens in de volgorde van de rangschikking verdeeld over de aanvragen die volledig gehonoreerd konden worden. Dat waren de aanvragen met een totaalscore van 278 punten en hoger. Daarmee werd het subsidieplafond zoals opgenomen in artikel 1.10, onder k, van de Subsidieregeling van € 11.126.835,– bereikt. 2.3. In het primaire besluit van 19 juni 2020 heeft het college de aanvraag van eiseres afgewezen onder verwijzing naar artikel 4:25, tweede lid van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) omdat het subsidieplafond van de subsidieregeling is bereikt. In het advies van de Adviescommissie BrabantStad Cultuur zijn aan eiseres 270 punten toegekend, daarmee viel zij onder de zogenoemde zaaglijn. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar ingediend. 2.4. Op 21 september 2020 heeft de Adviescommissie BrabantStad Cultuur een aanvullend advies en toelichting gegeven naar aanleiding van het bezwaarschrift van eiseres. De Adviescommissie handhaaft daarin haar eerdere advies. 2.5. Op 30 november 2020 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de Hoor- en Adviescommissie (HAC) over het ingediende bezwaar. 2.6. Op 7 december 2020 heeft het college aan de HAC laten weten dat een vermoeden van een andere aanvrager dat een van de commissieleden die een familieband heeft met een andere aanvrager van de subsidie en waar tevens sprake zou zijn van zakelijke en/of professionele betrokkenheid bij deze aanvrager, betrokken zou zijn geweest bij de beoordeling van de subsidieaanvraag van deze aanvrager, correct is. De procedure tot ontslag van dit commissielid is door het college daarop in gang gezet. 2.7. De HAC heeft het college op 24 december 2020 vervolgens geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen. De HAC heeft onder meer geoordeeld dat Het college heeft naast het nemen van het bestreden besluit ook hoger beroep ingediend tegen de uitspraak van de rechtbank in de zaak van een andere aanvrager bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). De rechtbank heeft partijen bericht dat de zaak wordt aangehouden in afwachting van de uitspraak van de Afdeling in die zaak. 2.14. De Afdeling heeft op 21 februari 2024 uitspraak gedaan op het hoger beroep van het college. De Afdeling heeft de uitspraak van de rechtbank vernietigd. 2.15. De rechtbank heeft eiseres en het college gevraagd om een reactie op de uitspraak van de Afdeling en of deze uitspraak nog gevolgen heeft voor het reeds ingediende beroep. Eiseres en het college hebben hier niet op gereageerd. 2.16. De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Namens eiseres waren aanwezig: haar gemachtigden en [naam] (Raad van Advies) en [naam] (zakelijk leider), en namens het college zijn gemachtigden. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het college de gelegenheid gegeven om een schriftelijke reactie in te dienen. Die reactie heeft het college op 27 oktober 2025 ingediend. Eiseres heeft daar bij brief van 6 november 2025 op gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag van eiseres voor subsidie op grond van de Subsidieregeling heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. 4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft. Is er procesbelang bij een beoordeling van het ingetrokken besluit van 2 juli 2021? 5. Eiseres heeft aangegeven dat het bestreden besluit niet tegemoet komt aan haar beroep. Het beroep wordt daarom geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit. Omdat niet gebleken is dat eiseres nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het ingetrokken besluit van 2 juli 2021, is het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk. Mocht het college de subsidie verdelen met een tenderprocedure? 6. Eiseres voert allereerst aan dat het college de subsidie niet had mogen verdelen door middel van de tenderprocedure. Eiseres vraagt zich af of een tenderprocedure, waarbij verschillende soorten organisaties worden beoordeeld aan de hand van verdeelcriteria en vervolgens worden gerangschikt, in overeenstemming is met de Awb. 6.1. De rechtbank wijst op vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2015 , waaruit volgt dat het gebruik van een tenderprocedure bij het verdelen van subsidiegelden, is toegestaan. De tenderprocedure is geaccepteerd en geschikt bevonden als methode voor de gelijktijdige onderlinge beoordeling en rangschikking van subsidieaanvragers. De rechtbank ziet in de enkele stelling van eiseres geen aanknopingspunt voor het oordeel dat die methodiek zich niet zou verdragen met de Awb of andere regelgeving. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zijn de in de subsidieregeling vermelde criteria geschikt om de verschillende soorten aanvragers te beoordelen? 7. Eiseres voert vervolgens aan dat de verdeelcriteria die in deze tenderprocedure zijn gebruikt niet geschikt zijn om verschillende soorten aanvragers te beoordelen en te rangschikken. Volgens eiseres pakken de formulering en invulling van de verdeelcriteria van de subsidieregeling nadelig uit voor de makers van kunst in de puntenwaardering en de daarop gebaseerde ranking ten opzichte van de programma-organisaties. Volgens eiseres is daarom geen of tenminste onvoldoende sprake van gelijke kansen bij de beoordeling aan de hand van de gestelde criteria in het subsidiereglement tussen programma-instellingen en makers. Eiseres stelt dat uit de lijst met de uiteindelijke rangschikking van de verschillende aanvragers blijkt dat de programma-organisaties beter scoren op de criteria die betrekking hebben op zakelijke kwaliteit, publiek Dat in dit geval door de instelling van een nieuwe adviescommissie sprake is van een andere procedure met veranderde spelregels, waardoor in afwijking van deze rechtspraak wél rekening moet worden gehouden met na de sluiting ingediende informatie, volgt de rechtbank niet. Zoals het college tijdens de zitting terecht heeft gesteld, is geen sprake van een andere procedure met andere regels. De HAC concludeerde in zijn advies van 24 december 2020 dat de procedure van advisering en de totstandkoming van het advies van BrabantStad Cultuur ernstige en wezenlijke gebreken vertoonde en niet op voldoende zorgvuldige wijze was geschied, zodat het college dit advies niet ten grondslag had mogen leggen aan het primaire besluit. Daarom heeft het college vervolgens besloten om de adviesprocedure opnieuw te doen en is de adviescommissie ingesteld. Daarbij golden hetzelfde subsidieplafond en dezelfde verdeelcriteria. Van een andere procedure met andere regels is dus geen sprake. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Zijn de leden van de Adviescommissie voldoende deskundig om de uiteenlopende aanvragen te beoordelen? 9. Eiseres voert ook aan dat de leden van de adviescommissie niet voldoende deskundig zijn om de uiteenlopende aanvragen te beoordelen. Uit de profielschetsen van de commissieleden blijkt niet dat zij internationale ervaring hebben. 9.1. Het college stelt zich op het standpunt dat uit de profielschetsen van de commissieleden volgt dat meerdere commissieleden uiteenlopende internationale ervaring hebben. In de schriftelijke reactie van 27 oktober 2025 zet het college nader uiteen waaruit die internationale ervaring van drie genoemde commissieleden bestaat. 9.2. In haar reactie daarop stelt eiseres allereerst dat de brief van het college te laat is en daarom buiten beschouwing moet blijven. Verder zet eiseres nogmaals uiteen waarom zij vindt dat zij zich onderscheidt van programma-organisaties en gaat zij in op haar internationale projecten. Eiseres vindt dat aantoonbare kennis met bewijs of bronvermelding van internationaal opererende makers ontbreekt en handhaaft haar stelling dat de Adviescommissie niet voldoende deskundig is. 9.3. De rechtbank stelt voorop dat de reactie van het college niet tardief is. Het college had namelijk bij brief van 13 oktober 2025 om uitstel tot 28 oktober 2025 gevraagd, maar om onbekende redenen bereikte die brief de rechtbank pas veel later. Abusievelijk is eiseres niet op dat moment van het uitstelverzoek op de hoogte gesteld. De rechtbank is verder van oordeel dat het betoog dat de Adviescommissie niet voldoende deskundig is niet kan worden gevolgd. Het college heeft terecht gesteld dat meerdere commissieleden aantoonbare uiteenlopende internationale ervaring hebben en de rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de nadere toelichting van die ervaring. Dat, zoals eiseres stelt, die ervaring niet ziet op hetzelfde type organisatie als eiseres, leidt niet tot de conclusie dat de Adviescommissie niet voldoende deskundig is. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Heeft het college uit kunnen gaan van de inhoud van het advies van de Adviescommissie over eiseres? 10. Eiseres is het ten slotte niet eens met een aantal concrete passages in het advies van de Adviescommissie over de beoordeling van de zakelijke kwaliteit. Het college heeft de Adviescommissie gevraagd om een reactie op die passages. In de punten 8.2, 8.3 en 8.4 en 8.5 zullen de verschillende passages worden besproken. 10.1. Vaste rechtspraak over kunstsubsidies is dat als een bestuursorgaan zich bij zijn besluitvorming laat adviseren door een deskundige, als algemeen uitgangspunt geldt dat het bestuursorgaan op het advies van de deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid v