Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2026-02-27
ECLI:NL:RBOBR:2026:1224
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,000 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBOBR:2026:1224 text/xml public 2026-02-27T15:01:22 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-02-27 24/3787 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:1224 text/html public 2026-02-27T13:47:11 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:1224 Rechtbank Oost-Brabant , 27-02-2026 / 24/3787 Weigering watergunning te verlenen Grondslag van de aanvraag is bepalend Belangenafweging. Economische belangen. RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 24/3787 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] en [eiser], uit [Woonplaats], eisers, (gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij), en het dagelijks bestuur van het Waterschap De Dommel, het dagelijks bestuur, (gemachtigde: mr. K.M.G. Hamelink). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: - [belanghebbende] en [belanghebbende] ([adres]) uit [Woonplaats], - [belanghebbende] ([adres]) uit [Woonplaats] en - [belanghebbende] en [belanghebbende] ([adres]) uit [Woonplaats], Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een aanvraag van eisers om een watervergunning om werkzaamheden te verrichten aan watergangen op hun perceel. Deze aanvraag is door het dagelijks bestuur in eerste instantie toegewezen, met intrekking van een op 16 januari 2020 verleende watervergunning. Vervolgens heeft het dagelijks bestuur deze besluiten in bezwaar herroepen en de aanvraag afgewezen. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij de aangevraagde vergunning niet kon verlenen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een watervergunning ten behoeve van: het verleggen van een oppervlaktewaterlichaam (watergang [aanduidingsnummer]), het dempen van twee oppervlaktewaterlichamen ([aanduidingsnummer] en [aanduidingsnummer]), en het aanleggen van een duiker in de nieuw te graven watergang [aanduidingsnummer]. 2.1. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 18 oktober 2023 toegewezen. Met het bestreden besluit van 19 september 2024 op de bezwaren van derde partijen heeft het dagelijks bestuur de watervergunning alsnog geweigerd. 2.2. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 15 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de volgende personen deelgenomen: [eiser] (in persoon en namens [bedrijf]), [naam] (namens [bedrijf]), en hun gemachtigde mr. J.J.J. de Rooij, de gemachtigde van het dagelijks bestuur en [naam] (hydroloog) en [naam] namens het dagelijks bestuur en de derde partijen [naam], [naam], [naam] en [naam]. Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een watervergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een watervergunning is ingediend op 7 september 2023. Dat betekent dat in dit geval de Waterwet, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. 3.1. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wettelijke regels zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Deze maakt deel uit van deze uitspraak. Had de vergunning met voorschriften kunnen worden verleend? 4. Eisers stellen dat geen sprake is van een verslechtering dan wel van strijdigheid met de beleidsregels. Zij stellen daartoe dat later in de procedure voorzien is in voorschriften en maatregelen ter compensatie, waardoor geen sprake meer is van een verslechtering en de vergunning onder voorschriften had kunnen worden verleend. Eisers verwijzen naar de in opdracht van het dagelijks bestuur opgestelde memo ‘Verleggen [aanduidingsnummer] update 23-05-2024’, waarin voorstellen zijn opgenomen om tegemoet te komen aan waterstaatkundige bezwaren. Volgens de hydroloog kan worden overwogen om een nieuwe watergang te graven en om stuwen aan te brengen bij de nieuwe [aanduidingsnummer]. Het dagelijks bestuur heeft de aanvraag uitsluitend beoordeeld aan de hand van de actuele situatie en de vergunde situatie en heeft nagelaten de situatie te beoordelen zoals deze na het verlenen van de vergunning met de voorgestelde voorwaarden zou zijn. Die laatste situatie zou vergunbaar zijn. 4.1. Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat het met het opnemen van de voorgestelde voorschriften de grondslag van de aanvraag zou verlaten. Volgens het dagelijks bestuur dienen eisers, indien zij menen dat de voorstellen in de memo leiden tot een vergunbare situatie, een nieuwe aanvraag in te dienen. 4.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt hierna uit waarom. 4.2.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de aangevraagde vergunning als zodanig onverenigbaar is met verschillende betrokken waterstaatkundige belangen, namelijk (kort gezegd): het tegengaan van verdroging van de ter plaatse gelegen zogeheten natte natuurparel, en het voorkomen van wateroverlast ter hoogte van de naburige percelen. De vraag die voorligt is of -zoals eisers menen- in voldoende mate tegemoet gekomen kan worden aan deze belangen door voorschriften op te nemen aan een vergunning op basis van de aanvraag zoals die is ingediend. 4.2.1. De rechtbank stelt voorop dat de systematiek van de Awb met zich brengt dat een bestuursorgaan bij een aanvraag dient te beslissen op grondslag van de aanvraag. Dit betekent dat het bestuursorgaan niet buiten de grondslag van de aanvraag mag treden. Het is immers aan de aanvrager van een omgevingsvergunning om te bepalen voor welke activiteiten hij een vergunning wenst te krijgen. 4.2.2. De voorstellen die door de hydroloog zijn voorgesteld om de waterstaatkundige bezwaren te adresseren, komen neer op het realiseren van zelfstandig vergunningplichtige activiteiten die buiten het bestek van de aanvraag vallen. Het dagelijks bestuur heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het daarmee buiten de grondslag van de aanvraag zou treden en dat het hem niet vrijstond om deze activiteiten bij wijze van vergunningvoorschrift voor te schrijven. Dat betekent dat de aanvraag zoals die is ingediend niet verleend kan worden. Verlening daarvan is immers niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.1 van de Waterwet zoals hiervoor in 4.2.1 is overwogen. Het dagelijks bestuur heeft dus terecht de aanvraag geweigerd. Heeft het dagelijks bestuur de belangen van eisers juist en voldoende kenbaar afgewogen? 5. Eisers hebben aangevoerd dat het dagelijks bestuur hun belangen onvoldoende in acht hebben genomen bij het nemen van het bestreden besluit. Eisers hebben zich door beleidswijzigingen aan de zijde van het waterschap en de provincie genoodzaakt gezien om een nieuwe aanvraag in te dienen en zij hebben aanmerkelijke kosten gemaakt in verband met de uitvoering van de oorspronkelijk vergunde ingrepen. Deze uitvoering diende vervolgens vanwege het bestreden besluit te worden gestaakt, waardoor hele oogstseizoenen verloren zijn gegaan. Volgens eisers hadden deze omstandigheden aanleiding moeten geven tot het opnemen van de voorschriften zoals beschreven in overweging 5, althans had het bestreden besluit duidelijker moeten maken waarom de gewenste vergunning niet verleend zou kunnen worden. 5.1. Deze beroepsgrond slaagt niet.