Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-02-20
ECLI:NL:RBOBR:2026:1129
vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Locatie 's-Hertogenbosch Strafrecht Parketnummers: 01.019683.21, 01.259456.23 en 01.169116.24 (ter terechtzitting gevoegd) Datum uitspraak: 20 februari 2026 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1972] , wonende te [adres 1] , thans gedetineerd te: [verblijfplaats] . Procesverloop Vanwege de diverse eerdere afsplitsingen van het inleidende onderzoek Baraga geeft de rechtbank ter verduidelijking een korte schets van het algehele procesverloop per parketnummer. t.a.v. 01.019683.21 De twee feiten in de zaak met dit parketnummer zijn eerder samen met andere feiten in onderzoek Baraga bij dagvaarding van 27 december 2022 onder het parketnummer 01.235439.21 aangebracht. Hierna hebben in dat kader zittingen plaatsgevonden op 31 januari 2023, 25 april 2023 en 11 juli 2023. Op laatstgenoemde zitting heeft de rechtbank de afsplitsing van deze twee feiten bevolen waarna deze feiten samen met andere feiten op 4 september 2023 onder parketnummer 01.019683.21 zijn aangebracht. Vervolgens hebben onder dit parketnummer zittingen plaatsgevonden op 3 oktober 2023, 12 april 2024, 12, 13 en 14 november 2025 en 11 februari 2026. Op de zitting van 12 april 2024 heeft de rechtbank een wijziging tenlastelegging toegestaan. t.a.v. 01.169116.24 De twee feiten in de zaak met dit parketnummer zijn eerder samen met andere feiten in onderzoek Baraga bij dagvaarding van 27 december 2022 onder het parketnummer 01.235439.21 aangebracht. Hierna hebben in dat kader zittingen plaatsgevonden op 31 januari 2023, 25 april 2023, 11 juli 2023, 3 oktober 2023 (met een wijziging tenlastelegging ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering), 11 en 12 oktober 2023 en 15 november 2023, 7 februari 2024, 21 mei 2024 en 22 mei 2024. Op laatstgenoemde zitting heeft de rechtbank een wijziging tenlastelegging toegestaan en de afsplitsing van deze twee feiten bevolen. Deze feiten zijn vervolgens op 7 oktober 2025 onder het parketnummer 01.169116.24 aangebracht ten behoeve van de zittingen van 12, 13 en 14 november 2025. Op de zitting van 12 november 2025 heeft de rechtbank deze zaak gevoegd bij de zaak onder het parketnummer 01.019683.21. t.a.v. 01.259456.23 De zaak met dit parketnummer is bij dagvaarding van 7 maart 2024 aangebracht ten behoeve van de zitting van 12 april 2024. Op deze zitting heeft de rechtbank deze zaak gevoegd bij de zaak onder het parketnummer 01.019683.21. Op de zitting van 12 november 2025 heeft de rechtbank een wijziging van de tenlastelegging toegestaan. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van alle eerdere hiervoor genoemde onderzoeken ter terechtzitting, waarbij telkens het onderzoek ter terechtzitting is hervat in de stand waarin het zich op de vorige terechtzitting bevond. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte en zijn raadsman, mr. Zuketto, naar voren is gebracht. De tenlastelegging. Met inachtneming van alle hiervoor opgesomde wijzingen van de diverse tenlasteleggingen is aan verdachte het volgende tenlastegelegd: t.a.v. 01.019683.21 1. (zaaksdossier 2) hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 februari 2022 tot en met 11 oktober 2022 Eindhoven, Best, Amsterdam, althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of - het opzettelijk vervaardigen van synthetische drugs, zoals (met)amfetamine en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plege (zaaksdossier 3) hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 maart 2020 tot en met 9 juni 2020 te Eindhoven, Best althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het vervoeren van cocaïne in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - het voeren van gesprekken over het transport van cocaïne, de prijzen van cocaïne, de hoeveelheid uit te voeren cocaïne, het maken van afspraken voor ontmoetingen en hebben van ontmoetingen omtrent cocaïne, - het (laten) maken en/of verstrekken van (een) kist(en) ten behoeve van het vervoer van cocaïne, - het voorhanden hebben van een cryptotelefoon; 3. (zaaksdossier 3) hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 14 augustus 2020 tot en met 7 november 2020 te Eindhoven, Best althans in Nederland en/of Frankrijk en/of Duitsland, meermalen althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een grote hoeveelheid/grote hoeveelheden cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 4. (zaaksdossier 2) hij op of omstreeks de periode van 10 maart 2022 tot en met 24 maart 2022 te Eindhoven, Best althans in Nederland opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 2 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; t.a.v. 01.169116.24 1. hij op of omstreeks 11 mei 2020 te Eindhoven, althans in het arrondissement Oost-Brabant, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een aan de Kanunnikensven geparkeerde personenauto (merk Mini), althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan die voornoemde personenauto, geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de in die personenauto (merk Mini) aanwezige goederen en/of het woonhuis en/of garage en/of hekwerk en/of een nabij die personenauto geparkeerde personenauto (merk Porsche), te duchten was; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of een of meer onbekend gebleven personen, op of omstreeks 11 mei 2020 te Eindhoven, althans in het arrondissement Oost-Brabant, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht, immers heeft/hebben verdachte(n) en/of een of meer van diens mededader(s) toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur een aan de Kanunnikensven geparkeerde personenauto (merk Mini) in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten In zaaksdossier 3 van onderzoek Grummor is een hoeveelheid Encrochat-berichten opgenomen die zouden zijn uitgewisseld in de tenlastegelegde periode door een door de politie aan verdachte toegeschreven account en waaraan de politie bepaalde conclusies verbindt. De inhoud van deze berichten ligt ten grondslag aan de verdenking neergelegd in genoemd feit 2 en de daarin opgenomen verfeitelijking. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde vereisten. De rechtbank is bij het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat deze dagvaarding ook voor het overige geldig is. Dat geldt evenzeer voor de andere twee dagvaardingen. De overige formele voorvragen. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. De bewijsvraag. Hierna zal de rechtbank ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis verdachte en de medeverdachten steeds bij hun achternaam noemen zonder daaraan telkens (mede)verdachte toe te voegen. In deze zaak komen twee personen voor met dezelfde naam: [medeverdachte 1] . Een daarvan is medeverdachte bij de verdenking dat [verdachte] deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie met als doel (gewoonte)witwassen en wiens zaak gelijktijdig is behandeld met de zaak tegen [verdachte] . Deze medeverdachte wordt aangeduid met [medeverdachte 1] . De andere persoon is zijn vader, die wordt aangeduid met [medeverdachte 2] Beiden worden beschouwd als lid van de criminele organisatie. 1.Inleiding. Op 24 november 2020 werd naar aanleiding van TCI-informatie een opsporingsonderzoek onder de naam Baraga gestart. Dit onderzoek richtte zich op de productie van en/of handel in (grondstoffen voor) synthetische drugs en de deelneming aan een criminele (drugs)organisatie. Bij de start van het onderzoek kende het onderzoek Baraga een aantal verdachten, waaronder [verdachte] . In mei 2021 werd naar aanleiding van een afschermproces-verbaal met betrekking tot een drugslaboratorium in Turnhout een afzonderlijk onderzoek onder de naam Grummor tegen [verdachte] opgestart vanwege de verdenking van zijn betrokkenheid bij witwasactiviteiten, waaronder in georganiseerd verband. In november 2021 werd een bevel tot opname van vertrouwelijke communicatie (hierna OVC) gegeven ten aanzien van het bedrijfspand van [bedrijf 2 van verdachte] gelegen aan [adres 3] te Best. Hierbij waren ook camerabeelden beschikbaar. [verdachte] was vanaf 1 januari 2019 medefirmant van dat bedrijf. Uit de inhoud van deze OVC-gesprekken bleek, naast de betrokkenheid van [verdachte] bij witwasactiviteiten, tevens van (gezamenlijke) activiteiten met [betrokkene 4] ten behoeve van de (uiteindelijke) productie van synthetische drugs, waaronder de handel in daarvoor benodigde grondstoffen, zoals apaan. Dit heeft geresulteerd in een observatie op 16 mei 2022 in Amsterdam waarbij de rechtstreekse betrokkenheid van [betrokkene 4] bij een overdracht van ongeveer 20 gevulde zakken aan [betrokkene 8] werd waargenomen. Deze zakken bleken later telkens 25 kilogram apaan te bevatten. Apaan wordt gebruikt voor de vervaardiging van BMK, zijnde de grondstof voor de productie van de harddrug (meth)amfetamine. In zoverre is apaan een pre-precursor in dat productieproces. Deze verdenking van betrokkenheid bij - kort gezegd - de handel in (pre-)precursoren werd bevestigd door de inhoud van ontsleutelde cryptocommunicatie. Tevens bleek uit deze communicatie de betrokkenheid van [verdachte] bij voorbereidingshandelingen gericht op de uitvoer van cocaïne, de daadwerkelijke uitvoer van cocaïne en een tweetal brandstichtingen. Al deze onderzoeksgegevens hebben geresulteerd in de volgende beschuldigingen, kort gezegd inhoudende: - het (mede)plegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs; - het (mede)plegen van voorbereidingshandelingen gericht op De verantwoording van de identificatie van [verdachte] als gebruiker van Encrochat-account [gebruikersnaam verdachte] volgt uit het samenstel van de inhoud van de relazen van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 4] (p. 70-72), [verbalisant 5] (p. 73-80), [verbalisant 6] (p. 81-87) en [verbalisant 7] (p. 119-126). Alle onderstaande SkyECC-accounts hebben steeds dezelfde wachtwoorden en nicknames welke nagenoeg hetzelfde zijn als die bij Enchrochat-account [gebruikersnaam verdachte] (p. 31-87 en 1016-1021) . De verantwoording van de identificatie van [verdachte] als gebruiker van SkyECC-accounts [gebruikersnaam 2] , [gebruikersnaam 3] en [gebruikersnaam 4] volgt uit het samenstel van de inhoud van de relazen van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 8] (p. 113-118), [verbalisant 6] (p. 81-87), [verbalisant 7] (p. 119-126) en [verbalisant 9] (p. 105-108). De verantwoording van de identificatie van [verdachte] als gebruiker van Exclu-ID [gebruikersnaam 5] is neergelegd in het relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] (p. 1044-1047). De rechtbank heeft de onderzoeksbevindingen en de daarop gebaseerde conclusies over de identificaties gecontroleerd tegen de achtergrond van het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen en valide geacht. Zo vinden de identificaties van de gespreksdeelnemers in OVC-gesprekken bevestiging in de inhoud van een aantal gesprekken, daar waar de als [verdachte] , [betrokkene 4] en [medeverdachte 1] . geïdentificeerde gespreksdeelnemers worden aangesproken met hun voornamen, respectievelijk [verdachte] , [betrokkene 5] en [medeverdachte 1] . De rechtbank neemt alle identificerende conclusies dan ook over. De rechtbank heeft in het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen geen aanwijzingen gevonden om aan deze conclusies te twijfelen. Voor wat betreft het gebruik van crypto-accounts overweegt de rechtbank verder het volgende. De aard en inhoud van de cryptocommunicatie maken dat, behoudens duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel, één persoon de gebruiker is van een dergelijk account. Dat volgt temeer uit de aanduiding door andere gebruikers van een soortgelijk crypto-account die er eveneens van uitgaan dat de gebruiker van een ander account steeds dezelfde persoon is. De accounts zijn ook afgeschermd met een wachtwoord, logischerwijs normaal gesproken alleen bekend bij de gebruiker van een account. Omdat in dergelijke communicatie niet zelden serieuze strafbare feiten aan de orde komen, valt ook in beginsel niet te verwachten dat derden tot die risicovolle informatie toegang zal worden verleend. Het delen van een crypto-account betreft in zijn algemeenheid een zeer ongebruikelijk fenomeen en is dus op voorhand niet aannemelijk. Tijdens het verhandelde ter terechtzittingen van 12, 13 en 14 november 2025 heeft de verdediging op geen enkel moment de identificaties van [verdachte] gemotiveerd betwist toen hem gesprekken en chatberichten werden voorgehouden met hem als gestelde gespreksdeelnemer en gebruiker. De raadsman heeft ter terechtzitting van 14 november 2025 weliswaar terloops opgemerkt dat de rechtbank ‘weet’ dat [verdachte] ontkent de gebruiker van de verscheidene SkyECC- accounts en de verzender en ontvanger van die berichten te zijn geweest (p. 106, pleitnota), maar de rechtbank leest een dergelijke betwisting door of namens [verdachte] nergens in de stukken terug. Wel heeft de rechtbank een soortgelijke opmerking van de raadsman ter terechtzitting van 22 mei 2024 in de zaak met het huidige parketnummer 01.169116.24 (destijds nog onderdeel van 01.235439.21) gezien, met dien verstande dat deze betwisting zag op het versturen van berichten vanaf het Encrochat-account [gebruikersnaam verdachte] in die bewuste zaak. De rechtbank kent in het gecombineerde licht van de identificerende onderzoeksbevindingen en de overweging van de rechtbank over het gebruik van crypto-accounts geen gewicht toe aan deze niet nader onderbouwde betwistingen, die niet uit de mond van verdac Als, zoals in dit geval, de verdachte zwijgt dan wel elke betrokkenheid ontkent en de vaststelling van de betrokkenheid van de verdachte bij een ten laste gelegd delict in grote mate zou moeten worden gebaseerd op de inhoud van opgenomen gesprekken en weergegeven berichten, dan is het belang van de hiervoor bedoelde toets des te groter. De rechtbank is - de hiervoor bedoelde behoedzaamheid in acht nemend - van oordeel dat de inhoud van de door voor het bewijs gebezigde OVC-gesprekken, cryptoberichten en tapgesprekken redelijkerwijs uitsluitend voor een voor de beoordeling van deze strafzaak belastende uitleg vatbaar is. De op momenten niet te verstane ( ntv) passages in de OVC-gesprekken doen hieraan geen afbreuk. [verdachte] heeft de hierna onder de verschillende kopjes aangenomen belastende uitleg van de gesprekken en berichten ook in geen enkel geval betwist. Evenmin heeft hij een alternatieve uitleg gegeven waaruit zou kunnen volgen dat de belastende uitleg telkens onjuist is. 6.5 Kader artikel 10a van de Opiumwet. De voorbereiding of bevordering van een misdrijf als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet is in artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet als zelfstandig delict strafbaar gesteld vanwege het gevaarzettende karakter van deze handelingen. Het resultaat van die handelingen is daarbij niet relevant. De voorbereidingshandelingen zijn strafbaar zowel wanneer de dader in de voorbereidingsfase is blijven steken als wanneer het misdrijf waarop die voorbereidingshandelingen zien is voltooid, althans sprake is een strafbare poging tot dat misdrijf. Dat betekent dat, indien de voorbereidings- of bevorderingshandelingen gericht zijn op een misdrijf dat in de voorstelling van de verdachte concrete vormen heeft aangenomen, het enkele feit dat de voorbereidingshandelingen niet meer kunnen dienen om het begaan van juist dat concrete misdrijf voor te bereiden of te bevorderen, omdat inmiddels ingetreden omstandigheden aan de verwezenlijking van dat misdrijf in de weg staan, aan die handelingen niet hun zelfstandig strafbare karakter ontneemt. Waar het om draait is of degene die handelingen als omschreven in artikel 10a van de Opiumwet verricht, daarmee beoogt een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen. Het gaat om de criminele intentie die uit gedragingen naar voren komt, oftewel het misdadig doel dat een verdachte voor ogen stond. Vastgesteld dient te worden dat de intentie van de voorbereider op de productie van synthetische drugs is gericht en hij aan die intentie uiting heeft gegeven door een of meer van de in artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet omschreven voorbereidings- of bevorderingshandelingen te verrichten. 6.6 Voorbereidingshandelingen ten behoeve van productie synthetische drugs (feit 1, 01.019683.21). Naar het oordeel van de rechtbank is de algehele strekking van de voor het bewijs gebezigde inhoud van OVC-gesprekken en Exclu-berichten, bezien in onderling contextueel verband en samenhang, onmiskenbaar gericht op (handels)activiteiten met (pre-)precursoren ten behoeve van de productie van synthetische drugs. De inhoud van de gesprekken en berichten vindt naar het oordeel van de rechtbank op overtuigende wijze over en weer bevestiging in elkaar alsook door de inhoud van de bewijsmiddelen die zien op een overdracht van apaan op 16 mei 2022, zoals hierna onder 6.6.2 wordt besproken. Zo wordt in de OVC-gesprekken in grote lijnen gesproken over handelsactiviteiten (aan- en verkoop, bestellingen, importen, leveringen, overdrachten, hoeveelheden, kosten, opbrengsten, percentages en chauffeurs) en verwerkingsmethoden, meest in een gecombineerde context van met in het productieproces van synthetische drugs bekende: (1) hardware, zoals: ketels, koelers, platen, pijpen, slangen, drukmeters, vriezers, afzuiging, lab, keuken; en (2) al dan niet met versluierende termen aangeduide (grond)stoffen, zoals: waterstof, stoomolie, olie, Naar het oordeel van de rechtbank zijn dergelijke vaststellingen met te veel onzekerheden omgeven. Datzelfde geldt ten aanzien van de op die specifieke momenten veronderstelde hoeveelheden. Zoals hierna aan de orde komt, acht de rechtbank wel bewezen dat [verdachte] en [betrokkene 4] betrokken zijn geweest bij de overdracht van 500 kilogram apaan aan [betrokkene 8] op 16 mei 2022 te Amsterdam. Die concrete vangst heft de hiervoor genoemde onduidelijkheid weliswaar niet op, maar vormt naar het oordeel van de rechtbank wel een verankering voor de algemene vaststelling dat [verdachte] en [betrokkene 4] op momenten in de tenlastegelegde periode gezamenlijk bij de handel in apaan betrokken zijn geweest. De rechtbank baseert dat onder meer op de navolgende passages uit OVC-gesprekken: - op 8 februari 2022 spreekt [verdachte] over een Marokkaan die van de week bij hem is geweest. Hij vertelt: ‘Die pakt bij mij apaan. [betrokkene 7] en die Marokkaan die pakken mijn apaan en draaien ze af.’; - op 8 februari 2022 vraagt [verdachte] aan [betrokkene 4] : ‘En kun je wel nieuwe apaan bestellen denk je?’ [betrokkene 4] zegt: ‘Ja ik kan. Vorige week was er iemand bij mij die heeft 10.000 kilo (..)’; - op 8 februari 2022 zegt [betrokkene 4] dat hij tegen hem ( derde ) heeft gezegd: ‘laat die mensen P-poeder importeren, in plaats van die apaan. Apaan is er genoeg’; - op 10 februari 2022 praten [verdachte] en [betrokkene 4] over het aanpakken van AP. 6.6.2. Overdracht apaan op 16 mei 2022 . Zoals hiervoor aangestipt, acht de rechtbank de gezamenlijke betrokkenheid van [verdachte] en [betrokkene 4] bij de overdracht van 500 kilo apaan op 16 mei 2022 in Amsterdam bewezen. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van de navolgende bewijsmiddelen. In OVC-gesprekken van 11 en 14 mei 2022 bespreken [betrokkene 4] en [verdachte] een aanstaande overdracht in Amsterdam op een specifieke locatie. [betrokkene 4] vraagt naar de hoeveelheid: ‘400 of 500’, waarop [verdachte] zegt: ‘Zeg maar 250 en hun 250, hun zeg maar 500 (..) Ja daarom denk ik dat je wel, 500 snap je?’ En als [betrokkene 4] dan nog een keer vraagt: ‘Hoeveel moet ik eruit pakken?’, reageert [verdachte] met ‘5’. [betrokkene 4] en [verdachte] bespreken de locatie in Amsterdam en [betrokkene 4] zegt dat hij ze met een Caddy oppikt. [betrokkene 4] en [verdachte] bespreken het tijdstip van de overdracht en komen uit op ‘tussen half 9 en 9 uur’. Op 16 mei 2022 omstreeks 09:20 uur werd door een observatieteam van de politie een overdracht van ongeveer 20 gevulde zakken op de Vuurwerkerweg te Amsterdam waargenomen. Hierbij werd gezien dat de zakken (door [betrokkene 4] ) vanuit een Volkswagen Caddy (hierna telkens: de Caddy) aan [betrokkene 8] werden aangegeven die de zakken vervolgens in een Opel Vivaro (hierna telkens: de Vivaro) voorzien van het kenteken [kenteken 6] laadde. Na de overdracht vertrok [betrokkene 8] als bestuurder van de Vivaro. De door [betrokkene 8] bestuurde Vivaro werd omstreeks 10:48 uur in Vught aan een controle onderworpen. De bij de controle betrokken verbalisanten roken een sterke chemische geur rondom het voertuig. Deze geur was in de laadruimte nog veel sterker. In de laadruimte lag een groot aantal zakken. Het bleek na onderzoek om 20 zakken van telkens 25 kilo met de stof apaan te gaan. In een OVC-gesprek van 16 mei 2022 spreken [verdachte] en [betrokkene 4] over de kort daarvoor plaatsgevonden overdracht en in de OVC-gesprekken van 17 mei 2022, 24 mei 2022 en 9 juni 2022 blikken zij terug op de onderschepping van de lading. [verdachte] vindt het ‘zwaar, zwaar kut’ en snapt niet hoe de betrokken verbalisanten iets hebben kunnen ruiken: ‘Als 4 keer verpakt is, dan kunnen hun nooit hebben geroken.’ Daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank van daderkennis van [verdachte] ; hij was op de hoogte van de sterke geur van de inhoud van de door [betrokkene 8] vervoerde zakken en de wijze waarop het ten tijde van het vervoer was verpakt. 6.6.3 Conclusie rechtbank . De r Uit overzichten van prijzen voor drugs blijken de volgende gemiddelde prijzen voor pure cocaïne (groothandel): in 2019 € 27.650,- per kilogram, in 2020 € 27.850,- per kilogram en in 2021 € 28.850,- per kilogram. De rechtbank stelt vast dat deze bedragen passen bij de in de chats genoemde bedragen ’28,5’, ‘28€’, ‘27,5’, ’27.250’ en ‘blok 27’, zoals hiervoor weergegeven. De rechtbank merkt hierbij op dat het de rechtbank ambtshalve uit andere drugszaken bekend is dat een blok cocaïne een gangbaar gewicht van een kilogram heeft. Ook blijkt uit het dossier - en is de rechtbank uit andere drugszaken ambtshalve bekend - dat blokken cocaïne regelmatig worden voorzien van een stempel of opdruk op die blokken, wat een indicatie van kwaliteit is en waarmee een eigen handelsmerk aan de blokken cocaïne wordt gegeven. De rechtbank stelt op grond van de gecombineerde inhoud van de gesprekken met bijpassende afbeeldingen en geldbedragen vast dat er wordt gesproken over transporten met cocaïne naar en binnen Europa. De combinatie van de termen ‘boli’, ‘colo’ en ‘blokken’, die allen aan cocaïne te relateren zijn, en ‘Braz’, ‘Domi’ en ‘ecu’, dat de rechtbank leest als Brazilië, Dominicaanse Republiek en Ecuador, terwijl algemeen bekend is dat de cocaïne in Europa veelal uit landen in Zuid-Amerika afkomstig is, met de afbeeldingen gelijkend op blokken cocaïne en de genoemde geldbedragen passend bij de gemiddelde prijzen voor een kilogram cocaïne, rechtvaardigen de conclusie dat wordt gesproken over cocaïne. De combinatie van de bewoordingen ‘ecu-panama-itali’, ‘boten’, ‘tp’, ‘deklading’, ‘uithalen in UK’, ‘haven in Napels’, ‘sturen’, ‘test 25 st.’, dat de rechtbank in de gegeven context leest als een testzending van 25 kilogram, en ‘verpakken in kist’, duiden vervolgens ondubbelzinnig op transporten. Naar het oordeel van de rechtbank is de algehele strekking van de inhoud van deze berichten, bezien in onderling contextueel verband en samenhang, onmiskenbaar en concreet gericht op voorbereidings- of bevorderingshandelingen ten behoeve van de uitvoer en het vervoer van cocaïne. De inhoud van de berichten vindt naar het oordeel van de rechtbank op overtuigende wijze over en weer bevestiging in elkaar, met name ook nu hierbij afbeeldingen zijn verstuurd die de inhoud van de tekstberichten ondersteunen. 6.7.1. Conclusie rechtbank . De rechtbank komt tot de bewijstechnische conclusie dat [verdachte] samen met anderen voorbereidende en bevorderende activiteiten heeft verricht met het misdadige doel om cocaïne te vervoeren en uit te voeren. Dit oordeel vloeit rechtstreeks voort uit hetgeen de rechtbank hiervoor onder 6.5 heeft vooropgesteld en onder 6.7 heeft overwogen en vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank kan verdachte worden aangemerkt als medepleger van deze strafbare voorbereidende activiteiten. De rechtbank komt hierop terug onder 6.9. Het op een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gestoelde verweer van de raadsman dat de gesprekken onvoldoende concreet zijn om te kunnen spreken van concrete voorbereidingshandelingen (ECLI: NL:GHARL:2020:6555) wordt verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gesprekken meer dan concreet en wordt het gestelde ‘voorstadium’ van een strafbare voorbereiding ruimschoots gepasseerd. Zo volgt uit de inhoud van de berichten onder meer dat [verdachte] houten kisten ten behoeve van het transport van cocaïne heeft overgedragen. 6.8 Uitvoer van cocaïne ( feit 3, 01.259456.23). De bewijsbijlage bevat uitwerkingen van SkyECC-chats, waaronder groepsgesprekken, van [verdachte] (met opeenvolgend de accounts [gebruikersnaam 2] , [gebruikersnaam 3] en [gebruikersnaam 4] ) met [gebruikersnaam 17] , [gebruikersnaam 18] , [gebruikersnaam 19] , [gebruikersnaam 20] , [gebruikersnaam 21] , [gebruikersnaam 22] , [gebruikersnaam 23] , [gebruikersnaam 24] , [gebruikersnaam 25] , [gebruikersnaam 26] , [gebruikersnaam 27] , [gebruikersnaam 28] in de periode van 14 augustus 2020 tot en met 10 november 2020. Naar he Daarbij moet de van medeplegen verdachte persoon aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke bijdrage hebben geleverd, waaruit blijkt van opzet op zowel de samenwerking als het plegen van het strafbare feit. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daar waar het verweer betrekking heeft op het medeplegen van voorbereidings- of bevorderingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet overweegt de rechtbank nog het volgende. Onder het bereik van dit artikel valt onder meer (en is ook steeds ten laste gelegd) het verschaffen van gelegenheid, middelen en inlichtingen. Vergelijkbare gedragingen zijn als deelnemingsvorm in beginsel te kwalificeren als medeplichtigheid in de zin van artikel 48 van het Wetboek van Strafrecht, maar zijn in relatie tot Opiumwetfeiten nu juist zelfstandig strafbaar gesteld in artikel 10a van de Opiumwet. Een gedraging van beperkte aard - die in relatie tot andere strafbare feiten wellicht als medeplichtigheid zou worden gekwalificeerd - kan daarmee tot een bewezenverklaring van het (mede)plegen van voorbereidingshandelingen- of bevorderingshandelingen leiden. De hierop betrekking hebbende verweren van de raadsman in zaken besproken onder 6.6. en 6.7 hiervoor worden in het licht van het voorgaande dan ook door de rechtbank verworpen. De rechtbank overweegt verder dat de nauwe en bewuste samenwerking tussen de verschillende personen tot de conclusie leidt dat het feit gedurende een bepaalde periode is gepleegd waarbinnen de ten laste gelegde concrete gedragingen gelijkelijk aan alle medeplegers worden toegerekend voor alle medeplegers worden bewezen verklaard, voor zover er toereikend bewijs is dat die gedragingen door één medepleger of meerdere medeplegers zijn verricht. Dat een individuele verdachte daar niet op ieder moment in die periode een bijdrage aan heeft geleverd, betekent dan ook niet dat er geen bewezenverklaring voor de gehele periode kan volgen. Indien de rechtbank het handelen van de individuele verdachte aanmerkt als medeplegen bij het ten laste gelegde, komt zij tot een bewezenverklaring van de gehele ten laste gelegde periode en alle, bewijsbare, binnen de samenwerking verrichte gedragingen Al hetgeen de raadsman in de zaken besproken onder 6.6 en 6.7 hiervoor in dit verband ter verweer heeft aangevoerd, waaronder de betwisting dat [verdachte] apaan voorhanden heeft gehad, wordt in het licht van het voorgaande door de rechtbank dan ook verworpen. Anders dan het uitgangspunt van de raadsman, dient niet voor iedere in de gedachtestreepjes opgenomen afzonderlijke gedragingen telkens voldoende bewijs voor het element medeplegen aanwezig te zijn. Ter beoordeling van de rechtbank ligt de vraag voor of kan worden bewezen dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met anderen op het voorbereiden en/of bevorderen van het plegen van (een) Opiumwetdelict(en) en dat volgt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam uit de inhoud van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien. Ten aanzien van de handel in apaan (de zaak besproken onder 6.6) blijkt uit de OVC-gesprekken dat [verdachte] een actieve rol had in de handel. Zo vertelde hij dat anderen bij hem apaan ‘pakken’ om ‘af te draaien’ en informeerde [verdachte] bij [betrokkene 4] of hij nieuwe apaan kon bestellen. Ook bij de overdracht en transport van de 500 kilo apaan door [betrokkene 8] op 16 mei 2022 (6.6.2 hiervoor) had [verdachte] een actieve, (mede)bepalende rol. Zo bepaalde [verdachte] de hoeveelheid (‘5’, waarmee kennelijk 500kg is bedoeld) en besprak hij met [betrokkene 4] het tijdstip en de locatie van de overdracht. Ten aanzien van de voorbereiding van uitvoer/ver Op camerabeelden van 13 mei 2020 (van 02:51 tot 03:03 uur) is een op het incident van 11 mei 2020 gelijkende man te zien die vloeistof uit een jerrycan over de Porsche Cayenne giet. Hierna steekt hij zijn hand uit in de richting van de Porsche waarna er vuur verschijnt en waarop de Porsche direct vlam vat. De man rent weg. Op 13 mei 2020 omstreeks 03:35 uur werd in de Mammoetstraat, op circa 350 meter afstand van de plaats delict, een handschoen met een benzinegeur aangetroffen. Op deze handschoen werd DNA van [betrokkene 2] aangetroffen met de hoogste matchgradatie (1-1 miljard). In de data van het Encrochat-account [gebruikersnaam verdachte] ( [verdachte] ) werd een gesprek van 11 mei 2020 met de gebruiker van het account [gebruikersnaam 13] (hierna: [gebruikersnaam 13] ) aangetroffen over onmiskenbaar de aan de orde zijnde brandstichting van de Mini Cooper. Uit dit gesprek volgt dat de verkeerde auto in brand was gestoken. Zo chat [verdachte] : ‘Sukels er is maar een gegaan en die had moeten gaan niet’, waarop [gebruikersnaam 13] reageert: ‘Mini en porsch moesten gaan tog’. [verdachte] : ‘die porsche is niet gedaan’, ‘die is niet gebrand’. [gebruikersnaam 13] reageert: ‘Ja was niet uitgebrand, alleen schade’. Volgens [verdachte] is dat niet het geval: ‘Nee ook geen schade ik heb iemand laten kijken die porsche was niets aan hebben ze niet aan gestookt’, ‘Sukels’, ‘Die Porsche was het belangrijst’, ‘Die mini kost 10k en die porsche 75k’. [gebruikersnaam 13] chat: ‘Wist ik niet’, ‘Hijs alleen gegaan’, ‘Anders had ik het wel tege hem gezegt’, ‘Dacht zijn even belangrijk’, ‘Dacht dat het om hun ging’. [verdachte] chat: ‘Nee, ik heb je gezecht die porsche en die ander mag ook staan tog langs elkaar.’ [gebruikersnaam 13] kan zich dit niet herinneren: ‘Wanneer???’, ‘Dit heb ik niet meegekregen’, ‘Dat die mini exstra was’, ‘En porsch als eerst aanmoest’. [verdachte] : ‘Ja toen ik je dat vroeg.’ [gebruikersnaam 13] reageert: ‘Heb ik niet gehoord andsrs had ik het wel tege hem gezegt’, ‘dat die porsch als eerst aanmoet’. [verdachte] reageert: ‘Ja maar ze hebben het eerst die mini gedaan’. [gebruikersnaam 13] : ‘Die porsch heeft niet genoeg vlammen gepakt is overheen gegoten’, ‘Maar als porsch er staat’, ‘Kan hij die gwn doen’, ‘Vanavond’, waarop [verdachte] reageert: ‘Oke’. [gebruikersnaam 13] : ‘Mn broertje zegt garantie’, ‘Porsch is kapot’, ‘Hij zegt zegt op ed staat ook verdere schade voorkomen’, ‘Hij zegt die porsch komt daar niet meer voor de deur want heel die voorkant is weg’. De rechtbank leidt uit de inhoud van deze chats af dat [verdachte] de opdracht aan [gebruikersnaam 13] heeft gegeven om de Porsche in brand te steken en dat [gebruikersnaam 13] deze klus aan zijn broertje heeft uitbesteed. Eerdergenoemde [betrokkene 2] heeft twee oudere broers, waaronder [betrokkene 3] en deze zat tijdens een controle in november 2019 samen met [verdachte] in een auto. In een Encrochat-gesprek van 1 april 2020 bericht [gebruikersnaam 13] aan [verdachte] ( [gebruikersnaam verdachte] ) dat hij een boete van 400 euro heeft gekregen. Uit politiesystemen blijkt [betrokkene 3] op 1 april 2020 een boete te hebben gekregen van 390 euro exclusief administratiekosten. De rechtbank leidt uit dit alles af dat de gebruiker van het account [gebruikersnaam 13] [betrokkene 3] was en dat [betrokkene 2] in opdracht van zijn broer de branden heeft gesticht. Dat past ook naadloos bij de zojuist besproken DNA-match. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden hoe de betrokkenheid van [verdachte] bij de brandstichtingen moet worden geduid. Volgens de officier van justitie is hij medepleger en volgens de verdediging kan hij noch als medepleger noch als uitlokker van de brandstichtingen worden beschouwd. Op grond van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht worden medeplegers en uitlokkers gelijkelijk als daders gestraft. Uit vaste jurisprudentie volgt vervolgens dat medeplegen en uitlokken elkaar niet uitsluiten als vormen van daderschap. Er zijn gevallen den Immers, de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden wijzen zodanig op zijn betrokkenheid als uitlokker bij de brandstichtingen dat van hem een redelijke verklaring mocht worden verlangd om die betrokkenheid te weerleggen. Hij heeft zich echter bij alle gelegenheden, ook tijdens de terechtzittingen van 12, 13 en 14 november 2025 op vragen over zijn betrokkenheid op het zwijgrecht beroepen en geen enkele uitleg willen geven. Bij deze stand komt de rechtbank tot het oordeel dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat [verdachte] [betrokkene 2] en [betrokkene 3] heeft aangezet tot het plegen van de brandstichtingen. De rechtbank ziet in het dossier noch het verhandelde ter terechtzittingen aanknopingspunten voor een mogelijk reeds bestaande bereidheid bij [betrokkene 2] en [betrokkene 3] tot het plegen van die strafbare feiten. In dit verband wenst de rechtbank nog te benadrukken dat de opdracht tot de brandstichting van de Porsche is blijven bestaan nadat in eerste instantie de verkeerde auto in brand was gezet. Voor wat betreft het gevaarzettende karakter van de brandstichtingen merkt de rechtbank op dat zij niet beschikt over het in het requisitoir in noot 49 vermelde proces-verbaal van bevindingen. Desondanks is de rechtbank in staat gebleken om zich een goed beeld van de feitelijke situatie ter plaatse en het gevaarzettende karakter van de brandstichtingen te vormen. Zo bevatten de twee aangiftes van Meulensteen gedetailleerde beschrijvingen van de feitelijke situatie ter plaatse ten tijde van de brandstichtingen, waaronder de situering van de twee voertuigen op de oprit ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de woning, de garage en het hekwerk. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding om aan de juistheid van deze informatie te twijfelen. De informatie past ook bij de afbeelding van het vooraanzicht van de woning van aangever op pagina 19 van het zaaksdossier. Verder bevat het dossier beschrijvingen van camerabeelden van de brandstichtingen, waaruit de rechtbank in grote lijnen afleidt dat bij beide brandstichtingen telkens twee auto’s kort bij elkaar op de inrit en in de onmiddellijke nabijheid van de woning en een daarbij horende houtopslag geparkeerd stonden en in beide gevallen de voertuigen (op 11 mei 2020 beide auto’s, op 13 mei 202 enkel de Porsche) met een brandbare vloeistof werden overgoten waarna met open vuur de branden werden gesticht. Ook volgt uit deze beschrijvingen dat bij de eerste brand de brandweer de brand heeft geblust. De rechtbank acht op basis van deze informatie in combinatie met het naar algemene ervaringsregels bekende onvoorspelbare en grillige karakter van een uitslaande brand het gemeen gevaar voor goederen bewezen. Daarbij strekt het gemeen gevaar voor goederen zich telkens niet uit tot de brandstof die zich in de tank van het in brand gestoken voertuig bevindt. De rechtbank beschouwt een brandstoftank met inhoud als een onlosmakelijk deel van het voertuig. Nu uit bestendige jurisprudentie volgt dat het gemene gevaar zich niet uitstrekt tot het goed dat in brand wordt gestoken, kan dit onderdeel van de gevaarzetting in beide gevallen niet worden bewezen. De rechtbank zal verdachte in beide feiten van dit onderdeel van de tenlastelegging, voor zover uitdrukkelijk ten laste gelegd, partieel vrijspreken. Resumerend acht de rechtbank ten aanzien van beide feiten de uitlokkingsvariant van de brandstichtingen bewezen. 6.12 Gewoontewitwassen ( feit 1, 01.259456.23). 6.12.1 Juridisch kader witwassen zonder gronddelict. Aan [verdachte] wordt verweten dat hij in de tenlastegelegde periode voertuigen, geldbedragen, horloges en woningen (een en ander zoals gespecificeerd in de tenlastelegging) heeft witgewassen. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis/420quater, eerste lid, onder a/b van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen wor [verdachte] heeft samen met [partner van verdachte] een woning aan de [adres 1] in Eindhoven, waarvan de WOZ-waarde over de jaren 2013-2020 gemiddeld € 36.625,- bedroeg. Op dit adres staan twee ondernemingen inschreven: [bedrijf 1 van verdachte] . en [bedrijf 1] . Dit laatste bedrijf staat sinds 26 maart 2018 op naam van [partner van verdachte] . In 2013 heeft [verdachte] van zijn vader [vader van verdachte] een erfenis ontvangen van € 278.560,-. [verdachte] beschikt over twee bankrekeningen: [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] . Wat opvalt aan de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] is dat het saldo van eind 2017 naar eind 2018 toeneemt van € 13.496,- naar € 48.091,-. Daarnaast is het opvallend dat het saldo op deze bankrekening verder toeneemt naar € 45.448,- eind 2019 en € 115.655,- eind 2020. Opvallend is ook dat op deze rekening € 111.065,- contante stortingen worden gedaan, waarvan de herkomst niet bekend is. Wat opvalt aan de bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] is dat het saldo van deze rekening eind 2017 € 8.606,- bedraagt en toeneemt naar € 43.108,- eind 2018. Het saldo van deze bankrekening bedraagt eind 2019 € 36.084,- en eind 2020 € 3.979,-. Verder bezit [verdachte] Bitcoins. Van 20 december 2017 tot en met 30 december 2017 is vanaf de ABN Amro rekening van [verdachte] in totaal € 32.415,98 overgemaakt aan [bedrijf 2] , een platforms voor Bitcoins. Op 17 december 2020 werd € 84.930,17 ontvangen van dit platform. Uit de stukken blijkt dat de investering in Bitcoins afkomstig is uit gelden van [bedrijf 1 van verdachte] . , nu kort voor de investering bedragen van € 10.000,- en € 20.000,- naar de rekening van [verdachte] werden overgemaakt vanuit de bankrekening van [bedrijf 1 van verdachte] . 6.12.4 Vermogensvergelijking inkomsten en uitgaven. Er is een zichtbaar vermogen volgens bankrekeningen, aangiften inkomstenbelasting en jaarrekeningen dat voor de jaren 2017 tot en met 2021 varieert tussen de € 240.338,- en € 361.885,-. Ook zijn er op basis van deze bronnen zichtbare inkomsten en uitgaven. [verdachte] benoemt in een groot aantal vastgelegde Encrochat-aantekeningen de waarde van bezittingen over de periode 7 november 2018 tot en met 23 februari 2020. Deze bezittingen zijn niet weergegeven in de bankrekeningen, aangiften inkomstenbelasting en jaarrekeningen. De bezittingen per 1 januari 2019 volgens de Encrochat-aantekeningen zijn opgenomen in de vermogensvergelijking per deze datum. Op 2l januari 2022 vertelt [verdachte] aan zijn zoon [zoon 1 van verdachte] wat de waarde is van zijn bezittingen, verdeeld over klokken, geld en auto's. Het totaal bedraagt € 3.700.000-. In de vermogensvergelijking is het totaalbedrag dat [verdachte] op 2l januari 2022 noemt als eindvermogen per 31 december 2021opgenomen en opgeteld bij het geschatte bekende vermogen uit zichtbare bronnen, afgerond € 311.000,-. [verdachte] vertelt aan zijn zoon [zoon 2 van verdachte] en aan [medeverdachte 1] . dat hij geld heeft gestort in [bedrijf 2 van verdachte] . Dit is niet zichtbaar in fiscale aangiften, bankrekeningen en jaarrekeningen. Voor de waarde van dit geld en de waarde van auto's die hier ter sprake komen wordt voor de vermogensvergelijking ervan uitgegaan dat deze waarden inbegrepen zijn in het bedrag van € 3.700.000,-. De door [verdachte] in deze gesprekken genoemde geldbedragen en auto's die op zijn naam hebben gestaan of concreet naar hem zijn te herleiden ondersteunen het concrete bestaan van dit vermogen. Het verschil tussen het bekende vermogen plus de bedragen die [verdachte] op 21 januari 2022 noemt (€ 4.011.000,-) min het bekende vermogen plus de waarde volgens de Enchrochat-aantekeningen die [verdachte] per 31 december 2018 noemt (€ 2.917.470,-) bedraagt € 1.093.530,-. De negatieve uitkomsten voor netto-privé bestedingen bedragen: 2017: € 23.559 -/- 2018: € 2.526.278 -/- 2019: € 307.993 -/- 2020: € 238.236 -/- 2021: € 360.679 -/- Over de jaren 2017 tot en met 2021 bedraagt het totaal aan negatieve uitkomst dat hij beter geen marge auto’s in kan boeken, omdat anders bij verkoop aan het eind van de week BTW afgedragen moet worden. [verdachte] zegt: ‘ik ben daar niet heel blij mee. Dat kost mij gewoon geld, dat is hetzelfde met de BTW die ik dadelijk moet afrekenen’. [medeverdachte 1] antwoordt: ‘die BTW krijgen we wel terug deze maand he (..) en dan verstop je dat geld en dan bende klaar’. In een gesprek op 11 februari 2022 zegt [verdachte] tegen [zoon 2 van verdachte] dat de auto’s van de [bedrijf 2 van verdachte] eigenlijk van hem zijn. [verdachte] : ‘moet je heel erg mee op… als politie, belasting komt.’ [zoon 2 van verdachte] : ‘dan pakken ze alles af.’ [verdachte] ‘kijk je moet zo tellen, alles wat hier staat. En wat was er. Hun hadden zeg maar niks.’ [zoon 2 van verdachte] : ‘op papier stond hier een miljoen’. [verdachte] : ‘Dat hadden ze opgemaakt, dus ik heb rustig aan geld gegeven 50 rooien, 20, 30, zo opgebouwd, dat er weer zeg maar 5, 6 ton terug was. En dat we daarmee konden handelen. ga maar tellen wat er staat’. [verdachte] noemt daarbij een aantal auto’s en een boot, die op naam van [bedrijf 2 van verdachte] stonden. B).2 Mercedes Benz SLS [kenteken 1] Op 17 oktober 2022 (de actiedag) zijn diverse goederen en voertuigen in beslag genomen op het terrein van [bedrijf 2 van verdachte] . Onder de voertuigen bevond zich deze Mercedes. Deze auto heeft op naam van [verdachte] gestaan in de periode van 9 april 2020 tot 21 september 2020. [verdachte] is op 24 juli 2020 ook aangetroffen door de politie in deze auto. De auto is volgens de factuur van [bedrijf 3] op 21 februari 2019 verkocht aan [bedrijf 2 van verdachte] voor € 130.000,-. Opvallend is dat in een aantekening in het Enchrochat-account [gebruikersnaam verdachte] op 18 augustus 2019 staat vermeld ‘Mercedes SLS AMG 2012 a 130.000 ex BTW plus bpm a 10.620’. Dat is hetzelfde bedrag als op genoemde factuur staat vermeld. Volgens het LIV/RDW werd deze auto op 4 april 2019 op naam van [bedrijf 2 van verdachte] gezet. Vanaf 10 april 2019 tot 11 september 2019 stond de auto op naam van [verdachte] om daarna weer op naam van de [bedrijf 2 van verdachte] te staan tot 9 april 2020. Vanaf dat moment tot 21 september 2020 stond de auto weer op naam van [verdachte] . Vervolgens is de tenaamstelling weer over gegaan op de [bedrijf 2 van verdachte] . [verdachte] heeft de [bedrijf 2 van verdachte] gemachtigd om de tenaamstelling voor dit voertuig te verrichten. Er is geen enkele transactie te vinden in de bankrekeningen van [bedrijf 2 van verdachte] , [bedrijf 1 van verdachte] . of [medeverdachte 1] . of [verdachte] die een relatie heeft met dit voertuig; ook niet met betrekking tot de wijzigingen van de tenaamstelling. [verdachte] heeft over het voorgaande geen verklaring willen geven, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat deze auto door [verdachte] is gekocht en ter verhulling van het daadwerkelijke eigendom is ingebracht in het vermogen van [bedrijf 2 van verdachte] . B).3 Mercedes Benz 280 SL, Pagode 1969 Ook deze auto is op 17 oktober 2022 in beslag genomen bij [bedrijf 2 van verdachte] . Deze auto is op 18 mei 2018 door [bedrijf 4] verkocht aan de [bedrijf 2 van verdachte] voor € 60.000,-. Op diezelfde dag zijn van rekening [rekeningnummer 3] (op naam van [bedrijf 2 van verdachte] ) twee betalingen verricht van € 15.000,- en € 45.000,- aan [bedrijf 4] voor de aankoop van deze Mercedes. Voorafgaand aan die betalingen zijn meerdere contante kasstortingen gedaan: op 15 mei 2018 € 9.950,- en € 10.000,- en een dag later € 14.700,-. Op de grootboekrekening van [bedrijf 2 van verdachte] zijn twee boekingen te zien van kas naar bank, namelijk € 19.950,- en € 14.700,-. Opvallend is dat [bedrijf 2 van verdachte] normaal geen klassieke auto’s inkocht en dat de auto al sinds de aankoop tot aan de actiedag op 17 oktober 2022 in de showroom heeft gestaan. In een aantekening in het Enchrochat-account [gebruikersnaam verdachte] op 18 augustus 2019 is vermeld: ‘auto’s en motors van mijn zelf Vervolgens lijkt het erop dat [naam 2] een horloge voor ‘21,5’ aan [verdachte] probeert te verkopen. Hij heeft onder andere een [gebruikersnaam 29] liggen van Platina, daar wil hij ‘100’ voor hebben. [verdachte] vraagt wat hij voor die 3 wil hebben. [naam 2] zegt ‘142’, waarop [verdachte] ‘135’ zegt. In een tapgesprek van 14 december 2021 praat [verdachte] met [naam 3] over onder andere een Rolex [gebruikersnaam 29] en in een OVC-gesprek bij [bedrijf 2 van verdachte] op 15 april 2022 tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] . en [zoon 2 van verdachte] zegt [verdachte] dat hij 5 Rolexen kan kopen en 115.000 heeft geboden, waaronder type [gebruikersnaam 29] . [verdachte] noemt hierbij de naam [alias naam 3] , waarmee hij waarschijnlijk [naam 3] bedoelt. In een tapgesprek met [gebruikersnaam 30] op 13 september 2022 zegt [verdachte] dat hij een Rolex GMT Master heeft gehad van 40 ruggen en verkocht heeft voor € 45.000,-. Ook worden andere bedragen genoemd voor een Rolex GMT, die liggen tussen de € 37.500,- en € 47.500,-. Ten aanzien van een Rolex Day-date zijn diverse e-mails gevonden van [bedrijf 6] in Zwitserland, die zien op de vervanging van een wijzerplaat Rolex Day-date 218235. De kosten daarvan waren 7204 CHF ( rechtbank : ongeveer € 7.753,-). In een tapgesprek van 20 oktober 2021 met ene [betrokkene 7] , die een Day-Date op Marktplaats heeft staan voor € 51.500,-, vraagt [verdachte] hoe [betrokkene 7] het betaald wil hebben, cash of op de bank. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte] over een langere periode en op grote schaal handelde in dure en luxe horloges. Hij heeft geen bedrijf ingeschreven in de Kamer van Koophandel betrekking hebbend op de handel in horloges. Vast staat dat [verdachte] niet het legaal vermogen had om deze dure horloges te betalen. [verdachte] heeft niet verklaard hoe hij deze handel heeft kunnen bekostigen, zodat de rechtbank tot de conclusie komt dat hij deze handel gefinancierd heeft met gelden afkomstig van enig misdrijf. D) Woningen D).1 Aankoop en verbouwing appartement in Marbella (Spanje) D).1.1 Aankoop Op 16 september 2021 werd [verdachte] gebeld door [betrokkene 10] van [bedrijf 7] [verdachte] vertelde dat hij in Spanje was om appartementen te bezichtigen, dat hij er geen verstand van heeft en dat hij kijkt naar objecten van ongeveer 3 ton. Uit een tapgesprek op 22 september 2021 tussen [verdachte] en [betrokkene 11] van [bedrijf 8] blijkt dat [verdachte] een appartement heeft gekocht voor € 260.000,-, dat hij een aanbetaling van € 6.000,- moet doen en dat dat geen probleem is. Op 22 september 2021 is € 6.000,- afgeschreven van de bankrekening van [verdachte] naar de bankrekening van [naam 4] onder vermelding van ‘aankoop appartement [adres 2] ’. In oktober 2021 is door [verdachte] € 538,45 overgemaakt op een Spaanse bankrekening van [naam 5] onder vermelding van ‘OFA21-0381’. Dit bedrijf legt zich toe op de waardering van alle soorten onroerend goed. Op 4 november 2021 werd [verdachte] gebeld door [betrokkene 11] van [bedrijf 8] . Hij vertelde dat hij goedkeuring van de hypotheek had op basis van het inkomen van [verdachte] . Het aanbod was 60% van de aankoopsom, dus hij kon € 156.000,- loskrijgen met een looptijd van 20 jaar en een rente van 1,75 %. [verdachte] zou ongeveer € 132.500,- moeten inleggen, als wordt uitgegaan van 11% kosten koper. [verdachte] vertelde dat hij dat wel kon regelen en dat hij privé geld zat heeft. Uit de gegevens van de Spaanse bankrekening van [verdachte] en zijn vrouw blijkt dat tussen 16 december 2021 en 24 januari 2022 in totaal € 105.000,- is ontvangen van een Nederlandse bankrekening van [verdachte] ( [rekeningnummer 1] ) en dat daarvan kosten voor de aankoop van de woning en hypotheek zijn betaald. Uit een analyse van die Nederlandse bankrekening van [verdachte] blijkt dat deze overboekingen worden gevoed door: - een overboeking van [naam 6] van € 45.000,- op 28 oktober 2021 o.v.v. 'aankoop Rolex'; - in de periode van 13 januari 20 Hij had met een klusjesman afgesproken en die gaf aan dat de verbouwing € 28.000,- zou kosten. Ook had [verdachte] een aannemer gesproken die het op zou kunnen leveren met beddengoed en alles erin, voor € 60.000,-. In een OVC-gesprek op 29 april 2022 is te horen dat [verdachte] tegen (onder meer) zijn zoon [zoon 1 van verdachte] vertelt over de verbouwing van het appartement. Daaruit volgt dat [verdachte] die verbouwing contant betaalt. Zo zegt [verdachte] dat hij hem ( rechtbank: de aannemer) pas 40 van de afgesproken 89 ruggen heeft betaald en tegen hem heeft gezegd dat [verdachte] weer geld geeft als hij weer komt. Ook zegt [verdachte] in dit gesprek dat de hele verbouwing ‘115 rooien’ heeft gekost. [verdachte] : ‘Maar dan moet je zo tellen dan is van voor tot achter alles. Nieuwe airco's, nieuwe kozijnen, nieuwe badkamer, nieuwe keuken, nieuwe vloeren, nieuwe dak, ledverlichting. Overal is ledverlichting en kast.. inbouwkasten en nog in de woonkamer een extra kast voor spullen weet je niet? Gewoon echt alles, verlaagd plafond met ledstrip erachter, buiten led verlichting, onder op het terras van die ledlampjes voor 's avonds. Echt alles. Nieuwe stopcontacten.’ In een tapgesprek van 24 mei 2022 zegt [verdachte] dat hij voor zeker € 25.000,- aan meubels en andere spullen heeft gekocht. Uit de doorzoeking van het appartement in Spanje blijkt ook dat het appartement luxueus is verbouwd en ingericht. Bij de doorzoeking is verder een factuur aangetroffen van [bedrijf 9] waarop is vermeld dat het ziet op werkzaamheden voor de renovatie van appartement ‘ [adres 2] ’. Op de factuur zijn werkzaamheden genoemd als metselwerk, sanitaire voorzieningen, elektriciteit, licht en timmerwerk. De factuur heeft een totaalbedrag van € 9.105,06 exclusief BTW. Op 10 augustus 2022 is een overboeking te zien van een Nederlandse bankrekeningen van [verdachte] aan de Spaanse bankrekening [rekeningnummer 6] t.n.v. [bedrijf 9] met een bedrag van € 25.277,50 o.v.v. ‘verbouwing/renovering /appartement Spanje [adres 2] ’. Daarnaast zijn tijdens de doorzoeking allerhande facturen aangetroffen die betrekking hebben op de aanschaf van goederen ten behoeve van de inrichting van een woning (zoals meubels en elektronica) waaruit blijkt dat deze contant zijn betaald. Het gaat om een totaalbedrag van meer dan € 19.000,-. D).1.2 Conclusie mbt appartement in Marbella De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat [verdachte] het appartement op papier voor € 260.000,- heeft gekocht. Van die koopprijs plus de met de aankoop gemoeide kosten koper heeft [verdachte] zelf een substantieel deel, ten minste € 105.000,-, betaald. Over de herkomst van dat geld heeft [verdachte] geen verklaring willen geven. Zo blijft bijvoorbeeld onduidelijk wat de reden is geweest voor de overboeking van in totaal € 50.000,- van [bedrijf 2 van verdachte] aan [bedrijf 1 van verdachte] . op 13 januari 2022 en is een ander deel afkomstig uit de handel in dure horloges (waarvan de rechtbank hiervoor al heeft vastgesteld dat deze handel niet valt te verklaren uit de legale inkomstenbronnen van [verdachte] ). Daarnaast heeft [verdachte] nog € 35.000,- contant betaald voor de aankoop, waarvan de herkomst ook onverklaard is gebleven. Verder is het appartement grondig verbouwd. [verdachte] heeft zelf verklaard dat hij voor € 115.000,- heeft verbouwd. Dat het appartement is verbouwd (zoals door [verdachte] is verklaard) vindt bevestiging in de bevindingen van de politie bij de doorzoeking van het appartement; het verweer van de raadsman dat het bewijs enkel op de verklaring van verdachte zou rusten, stuit hier op af. Het lijkt erop dat een groot deel van de verbouwing cash is betaald, nu buiten de hiervoor genoemde betaling aan [bedrijf 9] ad € 25.277,50 niet blijkt van girale betaling van deze kosten. Dit vindt bevestiging in de tijdens de doorzoeking in Spanje aangetroffen facturen en in wat [verdachte] heeft gezegd in het OVC-gesprek van 29 april 2022. Uit de stukken is niet gebleken hoe Hiermee zijn deze gelden witgewassen door contant geld om te zetten in een verbouwing van de woning van [verdachte] en zijn partner. 6.12.6 Conclusie Met betrekking tot alle voorgaande posten komt de rechtbank tot de conclusie dat deze toebehoorden aan [verdachte] en dat hij niet beschikte over legaal vermogen waarmee hij de aanschaf hiervan heeft kunnen bekostigen. Sterker nog, over de jaren 2017 tot en met 2021 is € 3.456.745 meer uitgegeven dan is binnengekomen. [verdachte] heeft daarvoor geen verklaring gegeven, zodat de rechtbank tot de conclusie komt dat voornoemde posten betaald zijn met inkomsten uit enig misdrijf en dat hiermee sprake is van witwassen. Nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] gedurende een langere tijd, ten aanzien van meerdere voorwerpen en met betrekking tot grote bedragen heeft witgewassen, is naar het oordeel van de rechtbank ook sprake van gewoontewitwassen. 6.13 Deelname aan criminele organisatie gericht op witwassen ( feit 2, 01.019683.21). 6.13.1 Juridisch kader van deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht slechts dan sprake kan zijn als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het binnen de organisatie bestaan van gemeenschappelijke regels, van een bepaalde hiërarchie en/of geledingen, het voeren van overleg en bijvoorbeeld een gezamenlijke besluitvorming en een taakverdeling kunnen aanwijzingen zijn voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband. Dit zijn echter geen noodzakelijke vereisten om van een samenwerkingsverband te kunnen spreken. Voor de vaststelling dat sprake is van een dergelijke organisatie is niet vereist dat de misdrijven, waarop de organisatie het oog heeft, daadwerkelijk zijn gepleegd dan wel dat pogingen daartoe zijn ondernomen of zelfs maar strafbare voorbereidingen daartoe zijn getroffen. Voor de beoordeling van de deelneming aan een dergelijke organisatie is niet bepalend of een deelnemer aan de organisatie heeft meegedaan aan misdrijven die door andere deelnemers zijn gepleegd (of zijn gepoogd te plegen of voorbereid). Evenmin hoeft vast komen te staan dat een deelnemer heeft samengewerkt of bekend is geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Voorts is niet vereist dat een deelnemer aan de organisatie enige vorm van opzet heeft gehad op de concrete, door de organisatie beoogde misdrijven, dan wel wetenschap heeft gehad van enig vanuit de organisatie begaan concreet misdrijf. Een persoon is strafbaar louter vanwege zijn (voorwaardelijk) opzettelijke deelneming aan die organisatie. Daartoe dient vast komen te staan dat hij binnen de organisatie gedurende zekere tijd heeft samengewerkt met ten minste een van de andere deelnemers aan de organisatie en dat hij in zijn algemeenheid weet dat de organisatie een misdadig oogmerk heeft. Voor het bewijs van het oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan de misdrijven die al in het kader van de organisatie zijn gepleegd en aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, te weten aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op het gemeenschappelijke doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. De strafbaarstelling van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht kent als overkoepelend beschermd belang de bescherming van de samenleving en rechtsorde tegen het gevaar dat uitgaat van een organisatie die zich het plegen van misdrijven ten doel heeft gesteld. Daarmee is het gevaarzettende karakter van een dergelijke organisatie reeds gegeven. De aard van de beoogde misdrijven doet daaraan niets af. De andersluidende visie van de verdediging wordt door de recht Dat dit zo zou zijn, is echter op geen enkele wijze nader onderbouwd en, gelet op het gebrek aan een verdere verklaarbare uitleg over de inhoud van de OVC-gesprekken en andere onderzoeksbevindingen, ongeloofwaardig. In verschillende OVC-gesprekken (die zijn opgenomen in de bewijsbijlage) doet [verdachte] uit de doeken dat [bedrijf 2 van verdachte] geen geld meer in kas had, dat hij (al jaren voor 1 januari 2019) contant geld heeft ingebracht, dat het autobedrijf feitelijk zijn bedrijf is en dat zijn geld via de [bedrijf 2 van verdachte] wordt wit gewassen. Zo zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 1] . in een gesprek op 11 november 2021: ‘Heb ik niets mee te maken het is mijn bedrijf [medeverdachte 1] , onthou dat goed he!’ Als [medeverdachte 1] . vervolgens aangeeft dat hij het ook prima vindt om te stoppen, zegt [verdachte] : ‘geef dan mijn geld terug’ en ‘Wat denkte gij van mij...ge doet gewoon, ge krijgt gewoon salaris en alles gaat door…Ik heb geen probleem he, dat hebben jullie veroorzaakt, ik niet. Ge bent al 20 jaar bezig en hebt je eigen geld opgemaakt en bent mijn geld ook op aan het maken, mag ik dan niet weten wat er in mijn bedrijf omgaat? (…) Nee, ik, elke keer…euh hoe lang zit ik hier…ik zit hier al 4 euh 5 jaar.’ Hieruit volgt dus dat [verdachte] al jaren voor dit gesprek actief was binnen [bedrijf 2 van verdachte] , hij er geld in heeft gestoken en het zelfs als zijn bedrijf ziet. Dit wordt bevestigd door de hiernavolgende (samenvattingen van) OVC-gesprekken. Op 20 november 2021 vertelt [verdachte] aan zijn schoonvader dat hij in feite de eigenaar is van [bedrijf 2 van verdachte] en dat hij het pand samen met [medeverdachte 1] . en [medeverdachte 2] heeft gekocht. Gelet op het feit dat in het kadaster uitsluitend [medeverdachte 1] . en [medeverdachte 2] als eigenaren van het pand worden vermeld sinds 16 mei 2017, is ook dit een omstandigheid die vragen bij de rechtbank heeft opgeroepen. Ook hierover is ter zitting desgevraagd geen duidelijkheid gekomen. De rechtbank kan dan ook niet anders dan de conclusie trekken dat [verdachte] (onverklaarbaar, dat wil zeggen: niet afkomstig uit een kenbare legale bron) vermogen heeft ingebracht voor de aankoop van het pand. Ook vertelt [verdachte] tegen zijn schoonvader dat [medeverdachte 1] . niets te zeggen heeft, omdat alles van hem is. Tijdens een gesprek op 12 januari 2022 tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] . en [medeverdachte 2] en zijn vrouw brengt [verdachte] wederom naar voren dat hij geld heeft ingebracht en dat [bedrijf 2 van verdachte] niet meer zou bestaan als hij dat niet gedaan had. [medeverdachte 1] . reageert daarop bevestigend en zegt dat [verdachte] daar wel € 100.000,- winst van heeft gehad. [verdachte] maakt duidelijk dat [medeverdachte 1] . niet zomaar van hem af kan, omdat niemand hem een half miljoen gaat geven om [verdachte] uit te kopen. Ook maakt [verdachte] duidelijk dat er dan ook nog wat met betrekking tot het pand geregeld moet worden en dat de voertuigen van hem zijn, [verdachte] : ‘er staat meer als voor 1 miljoen hè. Van mij hè’. Op 21 januari 2022 vertelt [verdachte] aan zijn zoon [zoon 1 van verdachte] dat hij ‘voor 1,2 miljoen aan klokken heeft, voor 1,5 miljoen aan geld en voor 1 miljoen aan auto’s’. Hierbij worden een Porsche en Mercedes SLS en SL (Pagode) genoemd als zijn bezit. Deze door [verdachte] zelf genoemde vermogensbestanddelen (horloges, auto’s en geld) zijn niet zichtbaar in de jaarrekeningen (van [bedrijf 1 van verdachte] . ) en aangiften inkomstenbelasting van [verdachte] (privé). De genoemde voertuigen stonden op naam van [bedrijf 2 van verdachte] . De door [verdachte] genoemde vermogensbestanddelen zijn zodanig hoog dat hij ruimschoots kan hebben beschikt over (onverklaarbaar) vermogen om (contant) in te brengen in de [bedrijf 2 van verdachte] . Tijdens een gesprek op 11 februari 2022 tussen [verdachte] en zijn zoon [zoon 2 van verdachte] hebben zij het over de verkoop van een Porsche. De Porsche stond op naam van [b Omdat deze geldstroom niet zichtbaar is in het privévermogen of het zakelijke vermogen van [verdachte] (B.V.), bevestigt dit het vermoeden dat het om geld uit criminele bron gaat. Vervolgens is de Porsche voor € 137.000,- verkocht waardoor de door [verdachte] contant ingebrachte gelden op de bankrekening van [bedrijf 2 van verdachte] binnen zijn gekomen. Hierdoor heeft de (onverklaarbare, oftewel: zonder kenbare legale bron) € 110.000,- een ogenschijnlijk legale herkomst verkregen. Ook legt [verdachte] aan [zoon 2 van verdachte] uit dat hij niet zomaar kan stoppen bij [bedrijf 2 van verdachte] [bedrijf 2 van verdachte] , omdat veel wat van hem is op naam van de [bedrijf 2 van verdachte] staat: ‘Als ik dan een keer wil stoppen dat ik kan zeggen, nou luister, auto’s (ntv) klaar. Nou kan ik dat niet want. Kijk snap je. Ga maar tellen wat er staat. Snap je? Maar ik bedoel, die Golf staat op [medeverdachte 1] z’n naam, Bentley staat op [medeverdachte 1] zijn naam, paardenwagen staat op [medeverdachte 1] z’n naam, camper staat op [medeverdachte 1] z’n naam, boot staat op [medeverdachte 1] z’n naam, motor staat op [medeverdachte 1] z’n naam. .. Alles.’ Uit het dossier blijkt dat de voer- en vaartuigen die [verdachte] in dit gesprek benoemt als zijn bezit op dat moment (en ten tijde van de actiedag op 17 oktober 2022) inderdaad niet op zijn naam stonden, maar op die van [bedrijf 2 van verdachte] of [medeverdachte 2] Zo stond de Bentley met kenteken [kenteken 5] (onder andere) op naam van [medeverdachte 2] terwijl de vrouw van [verdachte] gebruik maakte van deze auto. Een [bedrijf 5] , een Rinker Captiva boot en een paardenwagen met de tekst [dochter van verdachte] ( rechtbank: dochter van [verdachte] ) op de zijkant, die allen op naam van de [bedrijf 2 van verdachte] stonden, zijn op de actiedag in beslag genomen bij [bedrijf 2 van verdachte] en bij een manege waar de vrouw en dochter van [verdachte] paard reden. Van deze voer- en vaartuigen heeft [verdachte] dus verhuld wie de werkelijke eigenaar was. Ook vertelt [verdachte] aan [zoon 2 van verdachte] dat [medeverdachte 1] . en [medeverdachte 2] een probleem hebben als zij naar de politie zouden gaan om [verdachte] te ‘naaien’ en te vertellen hoe alles zit. [verdachte] : ‘Alles in beslag. Zijn die alles kwijt. Ze kunnen niks verantwoorden. …. Maar ik heb geld zat, dat scheelt (…). Heb ik ook tegen hem gezegd.’ En verder zegt [verdachte] : ‘En tegen die vrouw (rechtbank: van [medeverdachte 1] . ) moet die ook gewoon zeggen van luister eens… Kijk mijn vrouw weet gewoon hoe het zit, snap je? En ik vind die (rechtbank: vrouw van [medeverdachte 1] . ) moet ook weten hoe het zit, van luister eens … zo en zo zit het. Wij waren 5 jaar geleden al failliet geweest, maar hij (rechtbank: [verdachte] ) heeft ons geholpen, alles is van hem dus wij moeten blij met hem zijn en blij zijn dat we nog kunnen werken, dat we geld verdienen, kunnen we nog leven.’ Uit deze OVC-gesprekken, ondersteund door de andere hiervoor benoemde onderzoeksbevindingen, leidt de rechtbank dan ook af dat [verdachte] al jaren voordat hij per 1 januari 2019 als vennoot is toegetreden tot [bedrijf 2 van verdachte] betrokken was bij de [bedrijf 2 van verdachte] en onverklaarbaar vermogen in heeft gebracht met als oogmerk dit wit te wassen. Ook heeft hij verhuld wie de werkelijke eigenaar was van meerdere voer- en vaartuigen. De conclusie dat [verdachte] al ver voor 2019 geld in [bedrijf 2 van verdachte] heeft gestoken met als doel dit wit te wassen en dat, naast de [bedrijf 2 van verdachte] , [medeverdachte 1] . , [medeverdachte 2] en [bedrijf 1 van verdachte] . hier ook een rol in hebben gehad wordt ondersteund door het onderzoek dat is verricht naar de kasadministratie en geldstromen van [bedrijf 2 van verdachte] . Onderzoek kasadministratie en geldstromen van [bedrijf 2 van verdachte] De kasadministratie toonde onlogische bankopnamen, omdat deze in veel gevallen werden gedaan voor relatief en/of absoluut geringe bedragen, t 6.13.3 Criminele organisatie? Zoals hiervoor is overwogen kan vastgesteld worden dat [verdachte] met behulp van [bedrijf 2 van verdachte] crimineel vermogen heeft witgewassen en dat hij het autobedrijf ook gebruikte om de daadwerkelijke eigendom van voer- en vaartuigen te verhullen. Hij heeft het autobedrijf kort gezegd als witwasvehikel gebruikt. De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of dit binnen een criminele organisatie is gedaan, bestaande uit, naast [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] [bedrijf 2 van verdachte] en [bedrijf 1 van verdachte] , zoals ten laste is gelegd. De rechtbank komt tot de conclusie dat dit het geval is en legt dit hierna uit aan de hand van de verschillende criteria die van belang zijn voor de vaststelling dat sprake is van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht; organisatie, oogmerk van de organisatie en deelneming aan een organisatie. Organisatie Uit het dossier maakt de rechtbank op dat [verdachte] al ruimschoots voor zijn formele toetreding als firmant in [bedrijf 2 van verdachte] zich de [bedrijf 2 van verdachte] in feite had toegeëigend. Dit blijkt in de eerste plaats uit de hiervoor opgenomen OVC-gesprekken waarin hij uit de doeken doet (crimineel) geld in de [bedrijf 2 van verdachte] te hebben gestoken en de [bedrijf 2 van verdachte] daarmee zijn bedrijf te hebben gemaakt. Daarnaast is er vanaf 2016 een nauwe verwevenheid ontstaan tussen het autobedrijf van [verdachte] ( [bedrijf 1 van verdachte] . ) en [bedrijf 2 van verdachte] . Opvallend is dat er in 2015 geen transacties plaatsvonden tussen beide bedrijven, terwijl [bedrijf 1 van verdachte] . in 2016 51 auto’s aan [bedrijf 2 van verdachte] heeft verkocht. Dat is een stijging van 0 naar 76%. In de jaren 2016 t/m 2021 vond een toename plaats van 71% tot 92%. De omzet van [bedrijf 1 van verdachte] . is vanaf 2016 voor het grootste deel gefactureerd aan [bedrijf 2 van verdachte] . Dat de twee autobedrijven veelvuldig met elkaar samenwerken wordt bevestigd door een OVC-gesprek van 14 juni 2022 waarin [medeverdachte 1] . telefonisch contact opneemt met een klant en vraagt of hij de mail van [bedrijf 1 van verdachte] . heeft ontvangen. Daarnaast zegt [medeverdachte 1] . in dit gesprek dat ze twee bedrijven hebben. Waarom deze verwevenheid er tussen de twee autobedrijven vanaf 2016 is ontstaan is uit het dossier en ter zitting niet duidelijk geworden, gelet op het zwijgen van [verdachte] en [medeverdachte 1] . De enige logische verklaring die de rechtbank kan bedenken is dat [verdachte] met de inbreng van (crimineel) vermogen in de [bedrijf 2 van verdachte] een dusdanige invloed heeft verkregen dat hij is gaan bepalen waar de [bedrijf 2 van verdachte] auto’s van kocht en kon hij daardoor ook bepalen waar verliezen terecht zouden komen. Naar het oordeel van de rechtbank is er vanaf 2016 dan ook een samenwerkingsverband ontstaan tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] [bedrijf 2 van verdachte] en [bedrijf 1 van verdachte] . die, gelet op het tijdsverloop, als duurzaam aan te merken is.Weliswaar is ook sprake geweest van een reguliere bedrijfsvoering binnen [bedrijf 2 van verdachte] [bedrijf 2 van verdachte] , passend binnen een autobedrijf, met openingstijden van maandag tot en met zaterdag en een dagelijkse aanwezigheid van, in ieder geval, [medeverdachte 1] . Dit betekent echter niet dat geen sprake zou kunnen zijn van een criminele organisatie. Juist doordat sprake is van een, normaal gesproken, regulier bedrijf wordt al eerder voldaan aan de kenmerken van een organisatie. Door de vervlechting van de reguliere bedrijfsvoering met de inbreng van crimineel vermogen door [verdachte] , kunnen deze gelden makkelijker worden verhuld. Er was in dit geval geen sprake van een incidenteel of toevallig samenwerkingsverband, maar van een groep (rechts)personen die gedurende meerdere jaren volgens een vaste modus operandi witwashandelingen uitvoerden. Er vond binnen de Een andere aanwijzing dat [verdachte] de leider was van de criminele organisatie zijn de door hem bijgehouden Encrochat-aantekeningen in zijn cryptotelefoon. Daaruit is op te maken dat hij verschillende vermogensbestanddelen (zowel kasgeld als luxe voertuigen) had ondergebracht bij [bedrijf 2 van verdachte] . Als leider van de criminele organisatie moest [verdachte] overzicht houden in de door hem ingebrachte criminele gelden en voertuigen en daarvoor gebruikte hij kennelijk de Encrochat-aantekeningen. De cryptotelefoon gebruikte hij verder met name voor het onderhouden van contacten met mensen uit de drugswereld over de (voorbereiding van de) productie van en handel in (synthetische) drugs en de grondstoffen hiervoor. Dat [verdachte] wetenschap had van het witwassen van zijn crimineel vermogen met behulp van [bedrijf 2 van verdachte] als witwasvehikel volgt kortom evident uit de verschillende OVC-gesprekken die hiervoor onder 16.3.2 al zijn opgenomen. [verdachte] was dan ook een deelnemer (leider) van het crimineel samenwerkingsverband. [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] . heeft naar het oordeel van de rechtbank een cruciale rol gehad om het witwassen van het crimineel vermogen van [verdachte] binnen [bedrijf 2 van verdachte] mogelijk te maken. Hij voerde weliswaar reguliere werkzaamheden binnen een autobedrijf uit, zoals het voeren van verkoopgesprekken, de in- en verkoop van voertuigen en het bijhouden van de administratie, maar het draaiend houden van het autobedrijf stelde [verdachte] juist in staat om de [bedrijf 2 van verdachte] als witwasvehikel te gebruiken. Als [medeverdachte 1] . het geld van [verdachte] niet had aangenomen om de lege kas van de [bedrijf 2 van verdachte] aan te vullen, was het bedrijf failliet gegaan en had hij (en [medeverdachte 2] ) geen inkomen meer gehad. Ook voerde [medeverdachte 1] . binnen de administratie van [bedrijf 2 van verdachte] verbergende/verhullende handelingen uit door bijvoorbeeld de inbreng van (crimineel) vermogen van [verdachte] niet op te nemen in de administratie, de administratie te laten aanpassen en ook het op naam van de [bedrijf 2 van verdachte] laten stellen van voer- en vaartuigen die feitelijk in bezit van [verdachte] waren. Dat [medeverdachte 1] . wist dat het geld dat [verdachte] in de [bedrijf 2 van verdachte] heeft ingebracht een illegale herkomst had, leidt de rechtbank af uit verschillende OVC-gesprekken. Dit betreffen OVC-gesprekken waarin [verdachte] druggerelateerde gesprekken voerde met verschillende contacten uit de drugswereld en waarbij [medeverdachte 1] . aanwezig was. Zo vond er op 10 februari 2022 een gesprek plaats tussen [verdachte] en [betrokkene 4] in aanwezigheid van [medeverdachte 1] . Dat gesprek ging over kopen/verkopen/liters/AP/blokken. Onder 6.6 en 6.7 heeft de rechtbank al overwogen dat deze termen onmiskenbaar duiden op de (voorbereiding van de) productie van en handel in (synthetische) drugs. Op 17 februari 2022 voerde [verdachte] in aanwezigheid van [medeverdachte 1] . een gesprek met een onbekend gebleven man over synthetische drugs. Op 7 maart 2022 had [verdachte] weer een drugsgerelateerd gesprek met [betrokkene 4] waarbij [medeverdachte 1] . aanwezig was. In dit gesprek vroeg [verdachte] aan [betrokkene 4] een CAS-nummer waarop [betrokkene 4] liet weten die middag ‘het CAS-nummer voor die p-poeder’ te hebben. Later die dag heeft [betrokkene 4] , bij afwezigheid van [verdachte] , het nummer 28578-16-7 ( rechtbank: het CAS-nummer van PMK-olie ) aan [medeverdachte 1] . doorgegeven en aan hem gevraagd het nummer aan [verdachte] door te geven. [betrokkene 4] vertelde daarbij dat het in olievorm is. Op 5 april 2022 vond er een uitgebreid gesprek plaats tussen [verdachte] , [zoon 2 van verdachte] en een onbekend gebleven man in aanwezigheid van [medeverdachte 1] . In dat gesprek ging het over de productie en handel in (synthetische) drugs en de criminele herkomst van het startkapitaal (rechtbank: van [verdachte] en zijn vader) . Zo verte Naast dat er crimineel vermogen van [verdachte] in de [bedrijf 2 van verdachte] is gestoken om dat wit te kunnen wassen, zijn er meerdere voertuigen op naam van de [bedrijf 2 van verdachte] gezet, die feitelijk eigendom waren van [verdachte] om de werkelijke rechthebbende te verbergen/verhullen. [bedrijf 1 van verdachte] . De inkoop van [bedrijf 2 van verdachte] liep voor een aanzienlijk deel via [bedrijf 1 van verdachte] . Hierdoor werd bij [bedrijf 1 van verdachte] . een hogere omzet/winst gerealiseerd. Dit is een rechtspersoon waarvan [verdachte] directeur en enig aandeelhouder is. Dus ook hier profiteerde [verdachte] van. De invloed die [verdachte] binnen de [bedrijf 2 van verdachte] had verkregen stelde hem in staat om ook zijn autobedrijf te laten profiteren. 6.13.4 Conclusie criminele organisatie gericht op (gewoonte)witwassen Uit alle hiervoor benoemde feiten en omstandigheden volgt de conclusie dat [verdachte] jarenlang samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] [bedrijf 2 van verdachte] en [bedrijf 1 van verdachte] . een criminele organisatie vormde die crimineel vermogen van [verdachte] witwaste en die het daadwerkelijke eigendom van voertuigen verborg/verhulde. Binnen de organisatie was sprake van een zekere duurzaamheid en structuur en de samenwerking was gericht op witwassen. Gedurende een periode van ruim 6 jaar is er een groot geldbedrag op de hiervoor beschreven wijze via de rekeningen van [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] [bedrijf 2 van verdachte] en [bedrijf 1 van verdachte] . gelopen en daarmee witgewassen. [bedrijf 2 van verdachte] was hierbij van een regulier autobedrijf in een witwasvehikel veranderd. De verschillende OVC-gesprekken maken duidelijk dat alle natuurlijke personen van de organisatie hiervan op de hoogte waren en op verschillende wijzen hieraan hebben bijgedragen. Nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat de criminele organisatie, waaraan [verdachte] en [medeverdachte 1] . hebben deelgenomen, gedurende langere tijd, ten aanzien van meerdere voorwerpen en met betrekking tot grote geldbedragen heeft witgewassen, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van gewoontewitwassen. Alles overziende acht de rechtbank dan ook bewezen dat [verdachte] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van (gewoonte)witwassen, zoals hierna uitgeschreven. De bewezenverklaring. Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierna in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte: t.a.v. 01.019683.21 1. op tijdstippen in de periode 1 februari 2022 tot en met 11 oktober 2022 in Nederland telkens tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten: - het opzettelijk bereiden, bewerken, verwérken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of - het opzettelijk vervaardigen van (met)amfetamine en/of MDMA, zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of - zich en een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door: > gesprekken te voeren over de vervaardiging/bewerking/verwerking van met)amfetamine/MDMA en/of (pre-)precursoren zoals APAA(N), PMK-(ethyl-)glycidaat, BMK en > gesprekken te voeren over de verkrijging, inkoop, verkoop, kosten, prijzen en opbrengsten van (pre-)precursoren zoals APAA(N), PMK-(ethyl-)glycidaat, BMK en, > het in ontvangst (laten) nemen, over (laten) dragen, (laten) leveren van meerder 01.169116.24 1.subsidiair [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op 11 mei 2020 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht, immers heeft/hebben verdachte(n) en/of diens mededader(s) toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur een aan de Kanunnikensven geparkeerde personenauto (merk Mini) in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de in die personenauto (merk Mini) aanwezige goederen en het woonhuis en garage en hekwerk en een nabij die personenauto geparkeerde personenauto (merk Porsche), te duchten was, welk feit hij, verdachte, omstreeks 11 mei 2020, in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van inlichtingen voor het in brand te steken van die personenauto; 2. subsidiair [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op 13 mei 2020 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht, immers heeft/hebben verdachte(n) en/of diens mededader(s) toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur een aan de Kanunnikensven geparkeerde personenauto (merk Porsche) in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten het woonhuis en garage en hekwerk en een nabij die personenauto geparkeerde personenauto, te duchten was, welk feit hij, verdachte, omstreeks de periode van 11 mei 2020 tot en met 13 mei 2020, in Nederland opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van inlichtingen voor het in brand te steken van die personenauto. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. De bewijsmiddelen van feit 1 (01.019683.21) worden slechts gebezigd met betrekking tot dat specifieke feit. De bewijsmiddelen die ten aanzien van feit 2 (01.019683.21) en feit 1 (01.259456.23) worden gebezigd, zijn door de rechtbank in onderling verband en samenhang bezien. Datzelfde geldt voor feit 2 en feit 3 (01.259456.23) en voor feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair (01.169116.24). De strafbaarheid van de feiten. De raadsman heeft een beroep op ontslag van alle rechtsvervolging gedaan ten aanzien van het tweede en derde gedachtestreepje van de verfeitelijking van feit 2 van parketnummer 01.259456.23. De rechtbank begrijpt het betoog van de raadsman zo dat de daarin beschreven handelingen geen strafbare gedragingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet opleveren en daarom niet als zodanig kunnen worden gekwalificeerd. Een soortgelijk verweer heeft de raadsman ten aanzien van het eerste en tweede gedachtestreepje van de verfeitelijking van feit 1 van 01.019683.21 gevoerd zonder hieraan het juridische gevolg van ontslag van alle rechtsvervolging te verbinden. De officier van justitie heeft niet op deze verweren gerespondeerd. De rechtbank overweegt het volgende. t.a.v. hiervoor genoemde gedachtestreepjes feit 1, 01.019683.21, door de raadsman zelf beperkt tot de stof apaan De raadsman heeft betoogd dat hooguit sprake is van het voorbereiden van een voorbereidingshandeling, omdat de gesprekken betrekking hebben op apaan, zijnde een pre-precursor waarmee niet rechtstreeks een misdrijf als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet kan worden gepleegd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Naar het oordeel van de rechtbank berust de zienswijze van de raadsman op een te beperkte uitleg van artikel 10a van de Opiumwet. Immers, waar het om gaat is of degene die handelingen als omschreven in dat artikel verricht, daarmee beoogt een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen. Nu apaan een (voor)grondstof is van de synthetische drug (meth)amfetamine en de intentie van verda ernst feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere Opiumwetdelicten, de uitlokking van twee brandstichtingen van een personenauto en jarenlang witwassen, waaronder in georganiseerd verband waaraan hij leiding gaf. Zo heeft hij zich gedurende ruim zes maanden met anderen bezig gehouden met - kort gezegd - de handel in en verwerking van (pre-)precursoren ter voorbereiding en bevordering van de (uiteindelijke) productie van synthetische drugs. Uit het dossier rijst het beeld van een intensief en continu proces van het kopen, verhandelen en omzetten van grondstoffen voor de beoogde vervaardiging van (meth)amfetamine en MDMA. De uitlatingen van [betrokkene 4] en [verdachte] in OVC-gesprekken ‘Al die chauffeurs die we allemaal hebben’ respectievelijk ‘Grondstoffen, alle grondstoffen zijn aan te komen’, zijn in dat verband ook veelzeggend. Verdachte heeft ook enkele maanden met anderen voorbereidende en bevorderende activiteiten verricht voor het vervoer en de uitvoer van cocaïne. Hij heeft onder meer houten kisten voor een transport van cocaïne naar Italië overgedragen. Direct hierop aansluitend is hij betrokken geweest bij de daadwerkelijke uitvoer van cocaïne naar het Verenigd Konikrijk. Het gaat daarbij om 19 transporten in een tijdsbestek van drie maanden, waarbij de cocaïne in de vrachtwagencabine van de bestuurder werd verstopt. Verdachte heeft hierbij als intermediair opgetreden tussen de leverancier en vervoerder van de cocaïne en was verantwoordelijk voor de financiële afhandeling van de transporten. Er was hier sprake van een continu proces (‘business as usual’), waarbij verdachte per transport werd beloond met een deel van de opbrengst. In totaal is 398 kilogram cocaïne uitgevoerd. Het is algemeen bekend dat harddrugs grote gezondheidsrisico’s met zich brengen voor de gebruikers ervan, dat deze drugs kunnen leiden tot een lichamelijke of geestelijke verslaving en, bij overdosis, zelfs tot de dood van de gebruikers. Daarnaast is bekend dat verslaafde gebruikers misdrijven plegen om aan geld te komen om in hun verslaving te voorzien. Ook mag als bekend worden verondersteld dat de productie en handel in harddrugs merendeels het werkterrein vormt van nationale en internationale - niet zelden elkaar beconcurrerende - criminele netwerken, die daarmee grote winsten maken en die ter bescherming van hun illegale belangen de toepassing van verregaande vormen van geweld bepaald niet schuwen, met soms ook onbedoelde slachtoffers. De zware drugscriminaliteit ondermijnt de maatschappij in zijn algemeenheid. Het is ook een feit van algemene bekendheid dat de (chemische processen bij de) productie van synthetische drugs, de ongecontroleerde opslag van chemicaliën ten behoeve van de productie en de aan de productie inherente dumpingen van drugsafval grote veiligheidsrisico’s, risico’s voor de volksgezondheid en ernstige milieuschade met zich brengen. Het kost vervolgens veel tijd, energie en geld om de negatieve gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk ongedaan te maken. Bovendien legt het opsporen, ontmantelen en vervolgen van de producenten van synthetische drugs een fors beslag op het opsporingsapparaat, als gevolg waarvan de opsporing van andere misdrijven in het gedrang kan komen. Kortom, de productie van en handel in harddrugs heeft op meerdere niveaus van de maatschappij een forse negatieve invloed. Voorts mag niet onvermeld blijven dat door de betrokkenheid van Nederlandse onderdanen bij de internationale drugshandel de negatieve beeldvorming in het buitenland van Nederland en haar drugsbeleid wordt versterkt. Verdachte heeft voor al deze negatieve effecten geen oog gehad en hij heeft enkel uit winstbejag gehandeld. Verdachte heeft jarenlang de door hem met criminele activiteiten verdiende gelden en voorwerpen witgewassen, waaronder in georganiseerd verband. Hij heeft ruim 6,5 jaren leiding gegeven aan een criminele organisatie gericht op witwassen. Hierbij werd andermans autobedrijf als witwasvehikel gebruikt. Verdac In het geval van een voorlopig gehechte is het uitgangspunt een termijn van 16 maanden, waarbij geldt dat deze termijn ook aan de orde kan zijn indien een verdachte tijdens de algehele procedure een langere periode in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank neemt in deze zaak bij de bepaling van de aanvang van de redelijke termijn de dag van de doorzoeking in de woning van verdachte en zijn inverzekeringstelling op 17 oktober 2022 als startpunt. De voorlopige hechtenis van verdachte is met ingang van 12 juli 2023 geschorst. Hij heeft, na zijn inverzekeringstelling op 17 oktober 2022, 269 dagen (ongeveer 9 maanden) in voorarrest doorgebracht. Daarbij merkt de rechtbank op dat het voorarrest van verdachte in ieder geval deels betrekking heeft op feiten waarvoor verdachte in onderzoek Baraga inmiddels is veroordeeld. In elk geval is de rechtbank, met inachtneming van de hierna genoemde jurisprudentie, van oordeel dat de duur die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (zelfs al zou moeten worden uitgegaan van de hiervoor genoemde 9 maanden) geen wijziging in de hiervoor genoemde 2-jaarstermijn met zich brengt (ECLI: NL:HR: 2025:1773 en 1775 d.d. 25 november 2025). De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn op het tijdstip van de uitspraak met ruim 16 maanden is overschreden. Er zijn geen feiten en omstandigheden die maken dat het tijdsverloop geheel of gedeeltelijk aan de verdediging is toe te rekenen. Evenmin is sprake van feiten en omstandigheden die ertoe moeten leiden dat afgeweken wordt van het voornoemde uitgangspunt. De rechtbank zal de overschrijding in strafmatigende zin in de strafoplegging verdisconteren. strafmodaliteit Voor strafbare voorbereidingshandelingen zijn geen oriëntatiepunten voorhanden, maar uit jurisprudentie volgt dat het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen ten aanzien van (hard)drugsfeiten zwaar bestraft worden. Dit past ook bij de oriëntatiepunten geldend voor de handel en im- en export van harddrugs; daaruit volgt namelijk in algemene zin dat voor Opiumwetdelicten doorgaans forse straffen worden opgelegd De oriëntatiepunten voor de uitvoer van harddrugs gaan niet verder dan bij een uitgevoerde hoeveelheid van ‘20 kilo of meer’ met een gevangenisstraf van 5 jaren. In deze zaak is echter een veelvoud van die hoeveelheid, namelijk 398 kilogram, cocaïne uitgevoerd. Voor deelname aan een criminele organisatie zijn evenmin oriëntatiepunten voorhanden. Bij witwasdelicten wordt aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten die voor frauduleuze delicten zijn opgesteld. Deze gaan niet verder dan een ‘miljoen euro en hoger’ met een gevangenisstraf van 24 maanden. Uitgaande van verdachtes eigen uitlatingen zou sprake zijn van ruim 3,5 miljoen euro aan crimineel vermogen dat is witgewassen. Voor brandstichtingen bestaan ook geen oriëntatiepunten. Vanwege het uiterst gevaarzettende karakter worden dit soort feiten meestal ook zwaar bestraft. eendaadse samenloop Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van eendaadse samenloop tussen onderdelen van het hiervoor bewezenverklaarde gewoontewitwassen (6e en 7e gedachtestreepje feit 1, 01.259456.23) met de bewezenverklaarde deelname aan een criminele organisatie gericht op gewoontewitwassen. Daarvoor loopt de strekking en het te beschermen belang van beide strafbepalingen te zeer uiteen. Zo richt artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht zich op de bescherming van de openbare orde en de samenleving in het algemeen en richten de witwasbepalingen zich op de bescherming van de integriteit van het financiële en economische verkeer. De andersluidende visie van de raadsman wordt dan ook niet gevolgd. Wel zal de rechtbank met de verwevenheid van de hiervoor genoemde onderdelen in beide bewezenverklaarde feiten in de strafoplegging rekening houden. de straf Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan Voor wat betreft de vrouw van verdachte leidt de rechtbank het bestaan van dit vermoeden het meest expliciet af uit het OVC-gesprek van 11 februari 2022 waarin verdachte met [zoon 2 van verdachte] over de witwasconstructie spreekt en in dit verband zegt: ‘Kijk mijn vrouw weet gewoon hoe het zit’. De rechtbank zal deze voorwerpen dan ook verbeurd verklaren met overname van de in de bijlage vermelde geschatte waarden. De rechtbank zal de teruggave gelasten van de Harley Davidson [kenteken 3] aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank verzet het belang van strafvordering zich niet meer tegen de teruggave van dit in beslag genomen goed. t.a.v. voorwerpen bijlage 2 requisitoir De rechtbank oordeelt dat het bedrijfspand [adres 3] te Best niet voor verbeurdverklaring in aanmerking komt, omdat uit de stukken en het verhandelde ter terechtzittingen blijkt dat dit pand sinds 16 mei 2017 eigendom is van [medeverdachte 1] . en [medeverdachte 2] met ieder een aandeel van 50%. Anders gezegd: het pand is niet (deels) het eigendom van verdachte en behoort hem niet toe. Voor wat betreft de voertuigen met goednummers 740855, 740849 en 740869 overweegt de rechtbank dat deze voertuigen ook op bijlage 1 staan vermeld en dat de rechtbank hiervoor reeds tot verbeurdverklaring van die voertuigen is overgegaan. Voor wat betreft de motor met goednummer 740853 geldt hetzelfde met dien verstande dat de rechtbank de teruggave van dit goed aan - kort gezegd - de rechthebbende zal gelasten. De rechtbank zal ten aanzien van de resterende handelsvoorraad voertuigen niet tot verbeurdverklaring overgaan, omdat de rechtbank van oordeel is dat de geldelijke waarden van de voorwerpen bij uitstek als subject van bespreking in de door de officier van justitie aangekondigde ontnemingsprocedure moeten worden betrokken. Voor wat betreft genoemde auto met kenteken N952FF, Cooper Clubman overweegt de rechtbank tot slot dat dit voertuig met een strafvorderlijke titel onder [medeverdachte 1] . in beslag is genomen en dat de rechtbank in die zaak de teruggave van dit goed heeft gelast. Toepasselijke wetsartikelen. De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 34, 47, 57, 63, 140, 157, 420 bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 (oud), 10 en 10a van de Opiumwet. DE UITSPRAAK De rechtbank Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 4 (01.259456.23) en feit 1 primair en feit 2 primair (01.169116.24) is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij. Verklaart het ten laste gelegde onder feiten 1 en 2 (01.019683.21), feiten 1, 2 en 3 (01.259456.23) en feiten 1 subsidiair en 2 subsidiair (01.169116.24) bewezen zoals hiervoor is omschreven. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven: t.a.v. 01.019683.21 feit 1: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen: - een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen of om daarbij behulpzaam te zijn of daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en - zich of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en - voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd. feit 2: als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven t.a.v. 01.259456.23 feit 1: van het plegen van witwassen een gewoonte maken feit 2: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen: - een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen of om daarbij behulpzaam te zijn of daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en - zich of e