Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-01-13
ECLI:NL:RBOBR:2026:110
vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Team strafrecht Parketnummer: 01.263596.24 Datum uitspraak: 13 januari 2026. Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1963] , thans gedetineerd te: Justitieel Complex Zeist. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 november 2024, 21 januari 2025, 1 mei 2025, 10 juli 2025, 7 oktober 2025, 11 december 2025 en 6 januari 2026 (sluiting). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. 1 De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 oktober 2024. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 1 mei 2025 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat: ten aanzien van feit 1: hij op of omstreeks 16 augustus 2024 te Oss, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes in de borst, in elk geval in het bovenlichaam, te steken; Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 16 augustus 2024 te Oss en/of Veghel, althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes in de borst, in geval in het bovenlichaam, te steken; welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van een of meer strafbare feiten, te weten * poging tot (gekwalificeerde) diefstal door middel van braak, verbreking en/of een valse sleutel van (de inhoud van) een kluis van die [slachtoffer] (als bedoeld in art. 310/311 lid 1 aanhef en onder 5 Sr) en/of * (gekwalificeerde) diefstal door middel van een valse sleutel en/of verduistering van een hoeveelheid geld van die [slachtoffer] , meermalen gepleegd (in totaal € 80.000,-), althans een groot geldbedrag, (als bedoeld in art. 310/311 lid 1 aanhef en onder 5 Sr of art. 321 Sr) en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om dat feit/die feiten voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren; meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 16 augustus 2024 te Oss, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes in de borst, in elk geval het bovenlichaam, te steken. ten aanzien van feit 2: hij op of omstreeks 16 augustus 2024 te Oss ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (de inhoud van) een kluis, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of een valse sleutel, hebbende hij verdachte: zich de toegang tot de woning verschaft middels een sleutel tot welk gebruik hij, verdachte, op dat moment niet gerechtigd was en/of in die woning gezocht naar de kluis en/of de kluissleutel en/of die kluis vastgepakt en getracht mee te nemen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ten aanzien van feit 3: hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 augustus 2024 tot en met 11 augustus 2024 te Veghel, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (telkens) één of meer geldbedrag(en) (van in totaal € 80.000,-), in elk geval enig geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander to Wanneer de klacht weliswaar niet voldoet aan alle formele wettelijke eisen of niet is ingediend bij de bevoegde ambtenaar, maar wel vaststaat dat de klachtgerechtigde de vervolging heeft gewenst, zal van die wens binnen die termijn van drie maanden moeten zijn gebleken. Daarbij geldt dat verdachte geen profijt behoort te hebben van een regeling die strekt ter bescherming van de rechten van slachtoffers. De rechtbank stelt vast dat de klacht van 3 december 2025 inderdaad buiten de termijn van artikel 66 Sr is ingediend, maar is van oordeel dat binnen die termijn wel is gebleken van een wens van klachtgerechtigde tot vervolging van verdachte voor de ten laste gelegde vermogensdelicten. Op 16 augustus 2024 is klachtgerechtigde te weten gekomen dat het slachtoffer was overleden. Op 17 augustus 2024 is haar broer, verdachte, aangehouden. De ten laste gelegde vermogensdelicten waren op dit punt nog niet voldoende onderzocht om te kunnen spreken van een concrete verdenking. Het onderzoek focuste zich immers, logischerwijs, voornamelijk op het overlijden van het slachtoffer en de verdenking richting verdachte met betrekking tot enig aandeel in dat overlijden. Op 5 september 2024 heeft verdachte de moord en ook het “wegsluizen” van geld van de bankrekening van het slachtoffer bekend. Alhoewel de rechtbank geen partij is geweest bij de informatieverstrekking aan klachtgerechtigde is het alleszins aannemelijk dat klachtgerechtigde in een relatief korte periode na 5 september 2024 kennis heeft genomen van de algemene procespositie van verdachte en zijn rol als – inmiddels - verdachte. Ook is het aannemelijk dat klachtgerechtigde vanwege het overlijden van het slachtoffer en haar (toekomstige) positie als (mogelijk) enig erfgenaam, in diezelfde periode zicht heeft gekregen op de bankrekeningen van het slachtoffer en de door verdachte weggesluisde geldbedragen. Op 3 oktober 2024 heeft mr. Sommen zich als slachtofferadvocaat van klachtgerechtigde gesteld. Voorafgaand aan de pro-forma zitting van 29 november 2024 heeft klachtgerechtigde, middels een door haar advocaat ondertekend wensenformulier van 26 november 2024, kenbaar gemaakt schadevergoeding te willen vorderen. De door klachtgerechtigde geuite wens van 26 november 2024 om schadevergoeding te vorderen dient in deze zaak, waar de aandacht van zowel de opsporing als klachtgerechtigde logischerwijs steeds met name heeft gelegen bij de oorzaak van het overlijden van het slachtoffer, naar het oordeel van de rechtbank zo uitgelegd te worden dat klachtgerechtigde vervolging wenste ten aanzien van alle verdenkingen, waaronder van de ten laste gelegde vermogensdelicten. Een deel van de later gevorderde schade, waar toen zeer waarschijnlijk al zicht op bestond, berust ook op schade geleden door de ten laste gelegde vermogensdelicten. De juistheid van deze uitleg vindt steun in het feit dat klachtgerechtigde, door middel van haar spreekrecht, ter terechtzitting heeft bevestigd dat zij steeds en van meet af aan gewild heeft dat verdachte vervolgd zou worden voor de ten laste gelegde vermogensdelicten. Bovendien heeft zij, nadat de tenlastelegging op 1 mei 2025 is gewijzigd en de ten laste gelegde vermogensdelicten zijn toegevoegd aan de verdenkingen jegens verdachte, niet kenbaar gemaakt dat zij de vervolging niet zou wensen. Zij heeft juist een concreet verzoek tot schadevergoeding ingediend dat ook ziet op door verdachte weggesluisde gelden, hetgeen opnieuw haar reeds van meet af aan bestaande wens tot vervolging ten aanzien daarvan bevestigt. De verweren van de verdediging, de inhoud van de door de verdediging aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad en de daarin aangehaalde wetsgeschiedenis, staan aan deze ruime uitleg niet in de weg. Nu binnen de wettelijke termijn als bedoeld in artikel 66 Sr is gebleken van een wens tot vervolging kan het bestaan van de klacht worden aangenomen. Hiermee is de officier van justitie ontvankelijk in haar vervolging. De overige formele voorvragen Bij het onderzoe De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte ten aanzien van sommige relevante feiten en omstandigheden steeds wisselend heeft verklaard. Hierom zal de rechtbank het tijdspad voorafgaand aan en ten tijde van de moord reconstrueren aan de hand van de in het dossier vastgestelde objectieve onderzoeksgegevens en verklaringen van getuigen. De hierna weergegeven conclusies van de rechtbank volgen steeds uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend. De periode voorafgaand aan de moord. Op 27 juli 2024 belt verdachte met zijn zus, dochter, die in Spanje woont. Kleindochter is op dat moment bij haar op bezoek. Verdachte vertelt zijn zus dat hij is geschrokken van de mentale toestand van het slachtoffer. Tijdens dit gesprek spreekt verdachte ook over het geld van het slachtoffer en haar kluis. Verdachte vertelt zijn zus dat hij de kluis wil leeghalen en het geld wil wegsluizen zodat de Belastingdienst er niet aan zou kunnen komen. Verdachte heeft het daarbij ook over de gelden op de bankrekeningen van het slachtoffer. Het een en ander moet volgens verdachte op korte termijn plaats gaan vinden. Op 4 augustus 2024 gaat kleindochter op bezoek bij het slachtoffer. Zij stelt vast dat het – ook mentaal – goed gaat met het slachtoffer. Zij laat vervolgens het slachtoffer tekstberichten lezen die door verdachte aan haar en aan dochter zijn gestuurd, waarin verdachte onder andere schrijft dat het slachtoffer dementerend is. Het slachtoffer is hier boos over en confronteert verdachte hiermee. Het slachtoffer wil even niks met verdachte te maken hebben. Op 5 augustus 2024 stuurt de vriendin van verdachte hem advertenties door van personenauto’s. Op 6 augustus 2024 heeft verdachte voor het eerst contact met de autodealer waar hij later een auto zou gaan aanschaffen. Op 7 augustus 2024 neemt verdachte door middel van een WhatsApp bericht contact op met het slachtoffer. Hij vraagt haar in dat bericht om € 12.000,-- in plaats van de € 58.000,-- waar hij kennelijk eerder om had gevraagd. Het slachtoffer maakt verdachte vervolgens duidelijk dat zij nog steeds boos en kwaad op hem is, dat ze zich afvraagt hoe verdachte zulke berichten over haar heeft kunnen schrijven, dat zij nog geen excuses heeft gehoord en dat zij hierover (over het geld) nog moet nadenken. Op 10 augustus 2024 stuurt verdachte een WhatsApp bericht naar zijn vriendin waarin hij zegt dat hij de auto (à € 25.000,--) heeft betaald en € 100.000,-- heeft overgesluist. Uit een analyse van de bankrekeningen is gebleken dat verdachte in de periode van 9 tot en met 11 augustus 2024 in totaal € 80.000,-- toebehorende aan het slachtoffer heeft overgemaakt naar zijn privérekening. Het slachtoffer “ reageert toch niet ” en is volgens verdachte een “ Gek wijf ”. Zijn vriendin laat hem weten dat zij zijn gedrag niet goed vindt. Hierop reageert verdachte: “ Ja ha is mijn geld ”. De verklaring van verdachte dat hij, zoals hij zelf zegt, mogelijk vanwege het afbouwen van zijn antidepressivamedicatie, wakker werd in een “waas” en vanuit die “waas” heeft gehandeld, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Het hiervoor uiteengezette tijdspad en de door hem verrichte handelingen maken juist duidelijk dat verdachte planmatig heeft gehandeld en op diverse momenten steeds een nieuw wilsbesluit heeft genomen om door te gaan met zijn plan. Zoals ook de psychiater in het PBC-rapport heeft aangegeven, waarover later meer, verhoudt dit zich niet met het bestaan van een waas als gevolg van het afbouwen van medicatie. Verdachte weet ter terechtzitting ook nog alle stappen en handelingen te reconstrueren. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat verdachte slechts voor de inhoud van de kluis naar het slachtoffer ging, een mes meenam om haar zo nodig te bedreigen, en pas in haar woning het besluit heeft genomen om haar om het leven te brengen omdat hij verrast was dat zij wakker was, acht de rechtbank niet aannemelijk. Verdachte begint, zoals hij zelf telkens heeft verklaard, meteen zodra hij het slachtoffer ziet met het steken. Er is geen woord door hem of zijn moeder gesproken, en dus ook niet gesproken over de kluis. Dit past niet bij het geschetste scenario dat het mes slechts bedoeld was om mee te dreigen. Ook valt niet in te zien waarom verdachte zou denken dat hij voor de uitvoering van dat plan een mes nodig zou hebben. Immers was het slachtoffer een vrouw op leeftijd die gemakkelijk door verdachte overmeesterd had kunnen worden. Tot slot weegt mee dat verdachte tegenover de politie ook nooit heeft verklaard dat het meenemen van het mes slechts gericht zou zijn geweest op het afdreigen van de inhoud van de kluis, en dat deze verklaring ook haaks staat op zijn ándere verklaring dat hij “in een waas” zou hebben gehandeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht moord bewezen. Heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan poging tot (gekwalificeerde) diefstal? Verdachte heeft de huissleutel van het slachtoffer gebruikt om de woning in te komen. Dat betreft naar het oordeel van de rechtbank onbevoegd gebruik van de huissleutel, welk gebruik deze sleutel volgens bestendige jurisprudentie in juridische zin vals maakt. Zoals hiervoor onder het kopje “de handelingen van verdachte vlak voor en tijdens de moord” uiteen is gezet, heeft verdachte na de moord op zijn moeder gevoeld of de sleutel in de kluis zat, bovenop de kluis naar de sleutel gezocht, en geprobeerd de kluis mee te nemen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich, nadat hij het slachtoffer om het leven heeft gebracht, ook schuldig heeft gemaakt aan een poging tot gekwalificeerde diefstal ten aanzien van de (inhoud van de) kluis, zoals hierna is bewezenverklaard. ( (gekwalificeerde) diefstal? Uit de gang van zaken zoals hiervoor geschetst onder het kopje “de periode voorafgaand aan de moord” blijkt zonder meer dat verdachte onbevoegd gebruik heeft gemaakt van de bankgegevens en de bankrekening van het slachtoffer door geldbedragen over te maken van die rekening naar zijn privérekening. Dat hij zich daarmee geldbedragen die toebehoorden aan het slachtoffer heeft toegeëigend, staat niet ter discussie. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of dit handelen in juridische zin (gekwalificeerde) diefstal oplevert, zoals primair tenlastegelegd, of dat sprake is van verduistering, zoals subsidiair ten laste is gelegd. Centraal voor de beantwoording van deze vraag is of verdachte het geld op het moment van toe-eigening al onder zich had, of dat hij het geld – al dan niet door het gebruik van een valse sleutel – heeft weggenomen van het slachtoffer. Uit de bewijsmiddelen blijk Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De ernst van de feiten. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord. Hij heeft zijn eigen moeder in de nacht van 15 op 16 augustus 2024 in haar eigen woning koelbloedig om het leven gebracht door haar meermalen gericht met een groot mes in haar borst te steken. In de aanloop naar deze moord is hij planmatig te werk gegaan. Hij heeft thuis een vermomming en een mes gepakt, handschoenen aangetrokken en is met zijn auto vertrokken naar zijn moeders woning. Halverwege besefte hij dat hij de sleutel van zijn moeders woning was vergeten en is hij teruggekeerd naar zijn woning. Vervolgens is hij opnieuw vertrokken om de moord uit te voeren. Al deze momenten had verdachte kunnen en moeten benutten om een andere keuze te maken. Verdachte heeft keer op keer de mogelijkheid gehad om af te zien van zijn plan en heeft er willens en wetens voor gekozen om deze moord te plegen. De koelbloedigheid van de moord blijkt ook uit het feit dat hij vlak na de moord ook nog geld heeft proberen te stelen uit de kluis van het slachtoffer. Moord is het meest ernstige delict dat ons Wetboek van Strafrecht kent. De rechtsorde is door de verdachte gepleegde feiten ernstig geschokt. De dood van het slachtoffer, de manier waarop zij is gedood en achtergelaten moet veel beroering, afschuw en gevoelens van angst en onveiligheid in de plaatselijke gemeenschap hebben veroorzaakt. Dergelijke delicten dienen zwaar bestraft te worden. Daarnaast heeft verdachte, voorafgaand aan de moord, € 80.000,-- verduisterd uit het bezit van zijn moeder. Hij was de enige die naast zijn moeder toegang had tot de bankrekening waar dit geld op stond, zoals hij ook de enige was aan wie zijn moeder haar huissleutel had toevertrouwd. Hij heeft zowel bij de moord en de daaropvolgende poging tot diefstal, als bij de verduistering misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zijn moeder in hem had. Uit de communicatie die verdachte in de periode voorafgaand aan en na de moord met zijn vriendin heeft gevoerd, blijkt dat verdachte meende dat hij recht had op al die gelden. Hij heeft zich laatdunkend over zijn moeder uitgelaten en hij heeft zijn gedrag over het “oversluizen van het geld” – ook na weerwoord van zijn vriendin – goedgepraat. Na de bewuste nacht heeft verdachte zijn verhaal op essentiële onderdelen meermaals gewijzigd. Alhoewel uit het handelen van de verdachte duidelijk blijkt dat hij uit was op geld van het slachtoffer, is het voor de rechtbank niet duidelijk geworden of de moord ook (zuiver) om deze reden is gepleegd. Het is ook voorstelbaar dat verdachte de moord heeft gepleegd omdat hij wist dat zijn moeder erachter zou komen dat hij gelden van haar had weggesluisd. Wellicht was er een andere reden, die alleen verdachte kent. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij de nabestaanden geen antwoord heeft gegeven op de vraag waarom hij heeft gedaan wat hij heeft gedaan. Deze houding heeft het leed bij zijn familie des te meer vergroot, wat ook naar voren is gekomen uit de aangrijpende slachtofferverklaringen. Uit het handelen van verdachte blijkt een ultiem gebrek aan respect voor het leven van het slachtoffer. De gruwelijkheid van zijn gedragingen jegens haar en al haar dierbaren laat zich moeilijk vangen in woorden. De nabestaanden van het slachtoffer is enorm en onherstelbaar verdriet aangedaan. Zij zullen hun moeder, grootmoeder en overgrootmoeder voor de rest van hun leven moeten missen en moeten