Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-02-12
ECLI:NL:RBOBR:2026:1005
RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Eindhoven Zaaknummer: 11818315 CV EXPL 25-5538 Vonnis van 12 februari 2026 in de zaak van: [eiser] , wonend in [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. I.G.R. Staring, tegen [gedaagde] B.V. , gevestigd in [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , vertegenwoordigd door: P.W. Nijenhuis. 1 De procedure 1.1. In het dossier zitten deze processtukken: - de dagvaarding van 25 juli 2025 met 16 bijlagen, - de (mondelinge) conclusie van antwoord van 21 augustus 2025, - de aanvullende (schriftelijke) conclusie van antwoord van 2 oktober 2025 met III bijlagen, - de brief van 2 december 2025 van [eiser] met daarbij de aanvullende bijlage 17. 1.2. Op 10 december 2025 heeft de kantonrechter de zaak mondeling behandeld. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling was [eiser] met zijn gemachtigde mr. Staring aanwezig. Namens [gedaagde] is niemand verschenen. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag schriftelijk uitspraak wordt gedaan. 2 De kern van deze zaak en de beslissing in het kort 2.1. Deze zaak gaat over de vraag of [gedaagde] één of meerdere vergoedingen aan [eiser] moet betalen in verband met het gedwongen (laten) verplaatsen van zijn chalet. Hierbij staat artikel 12 van de RECRON-voorwaarden centraal. 2.2. [eiser] heeft een chalet gehad op vakantiepark “ [naam vakantiepark] ” in [plaats] , geëxploiteerd door [gedaagde] . Het chalet van [eiser] was geplaatst op kavelnummer [nummer] en het betrof een geschakeld/dubbel chalet. Op 6 augustus 2019 is tussen partijen een huurovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot deze standplaats. Op deze huurovereenkomst zijn de RECRON-voorwaarden van toepassing. Bij brief van 21 december 2023 heeft [gedaagde] aan [eiser] medegedeeld dat de huurovereenkomst wordt beëindigd vanwege een geplande herstructurering van het park en dat [eiser] daarom uiterlijk 21 juni 2024 het chalet van het park moet hebben verwijderd. Naar aanleiding daarvan heeft [eiser] het chalet laten verplaatsen naar een ander vakantiepark. 2.3. Volgens [eiser] dient [gedaagde] op basis van de RECRON-voorwaarden € 5.726,40 aan hem te betalen. Dit bedrag bestaat uit € 2.653,00 aan forfaitaire vergoeding (algemene verhuiskosten) (artikel 12.6 en 12.9 van de RECRON-voorwaarden) en € 3.073,40 aan (daadwerkelijke) verplaatsingskosten van het chalet tot aan de poort van het park (artikel 12.5 van de RECRON-voorwaarden). [gedaagde] stelt daartegenover dat zij niets hoeft te betalen, omdat zij [eiser] een alternatief heeft aangeboden op het park en in dat geval de verplaatsingskosten voor eigen rekening te nemen (artikel 12.3 en 12.4 van de RECRON-voorwaarden). Zij heeft dit alternatieve aanbod kenbaar gemaakt via een aan [eiser] gestuurde brief. [eiser] betwist dat hij deze brief heeft ontvangen. 2.4. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] een deel van de door [eiser] gevorderde vergoedingen moet betalen, te weten € 2.653,00. Hierna wordt dit uitgelegd. 3 De beoordeling door de kantonrechter Artikel 12 van de RECRON-voorwaarden 3.1. Partijen zijn het eens dat de RECRON-voorwaarden van 1 maart 2016 van toepassing zijn, maar zij beroepen zich elk op een ander deel van artikel 12 van deze voorwaarden. In dit artikel staat: “ Artikel 12 Herstructurering 1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op een overeenkomst voor een verplaatsbaar of een niet meer verplaatsbaar kampeermiddel. (…) 3. In geval van herstructurering waarbij de ondernemer de overeenkomst beëindigt, is de ondernemer verplicht de recreant zo mogelijk een plaats (minimaal gelijkwaardig) op het terrein aan het te bieden, tenzij het kampeermiddel, gezien de leeftijd van het kampeermiddel en/of de staat waarin dit verkeert, niet meer op het terrein past. 4. Indien de ondernemer en de recreant op grond van het derde lid een nieuwe overeenkomst sluiten, draagt de ondern [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12.5 onder a van de RECRON-voorwaarden ziet op verplaatsingskosten van het chalet tot aan de poort van het vakantiepark. In dit kader vordert hij € 3.073,40 (factuur van 6 november 2023 van [A] , zie bijlage 3 bij dagvaarding). Artikel 12.6 van de RECRON-voorwaarden omvatten de algemene verhuiskosten en betreffen een forfaitaire vergoeding. Hiermee is volgens [eiser] € 2.653,00 gemoeid. 3.6. Hoewel [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de gevorderde bedragen, is de kantonrechter van oordeel dat alleen de door [eiser] gevorderde vergoeding van € 2.653,00 toewijsbaar is, en wel hierom. 3.7. De stelling van [eiser] dat hij aanspraak zou kunnen maken op de (daadwerkelijke) verplaatsingskosten van het chalet tot aan de poort van het vakantiepark, berust op een onjuiste uitleg van het bepaalde in artikel 12 van de RECRON-voorwaarden. Ook de stelling van [eiser] dat hij aanspraak kan maken op beide vergoedingen uit artikel 12 van de RECRON-voorwaarden, berust op een verkeerde lezing van dit artikel. Dit zou immers dubbelop zijn, en het bepaalde in artikel 12.5 in combinatie met artikel 12.6 biedt daarvoor ook geen grondslag. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling onvoldoende kunnen uitleggen waarom hij tegelijkertijd aanspraak zou kunnen maken op beide vergoedingen uit artikel 12 van de RECRON-voorwaarden. De kantonrechter is dus van oordeel dat op grond van artikel 12.5 onder a in combinatie met artikel 12.6 van de RECRON-voorwaarden € 2.653,00 toewijsbaar is (forfaitaire vergoeding). Over dit bedrag wordt vanaf 27 januari 2024 de wettelijke rente toegewezen zoals is gevorderd. Buitengerechtelijke incassokosten 3.8. Daarnaast vordert [eiser] betaling van € 800,20 aan buitengerechtelijke incassokosten. Dit bedrag is gebaseerd op de gevorderde hoofdsom van € 5.726,40. Omdat een deel van de hoofdsom echter niet toewijsbaar is, is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (in de zin van artikel 6:2 BW) om het toepasselijke wettelijke tarief te bepalen aan de hand van de gevorderde hoofdsom. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke kosten dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief dat hoort bij het bedrag van € 2.653,00 dat aan hoofdsom wordt toegewezen. Dit brengt mee dat een bedrag van € 390,30 aan buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen. Tot slot en proceskosten 3.9. [gedaagde] is overwegend in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente. Op basis van het toe te wijzen bedrag, worden de proceskosten van [eiser] vastgesteld op: - kosten van de dagvaarding € 148,04 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 506,00 (2 punten × € 253,00) - nakosten € 126,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.037,54 4 De beslissing De kantonrechter: 4.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 2.653,00 aan vergoeding op basis van artikel 12.5 onder a in combinatie met artikel 12.6 van de RECRON-voorwaarden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2024 tot de dag van volledige betaling, 4.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 390,30 aan buitengerechtelijke incassokosten, 4.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de kant van [eiser] vastgesteld op € 1.037,54, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de 15e dag na aanschrijving tot de dag van voldoening en te vermeerderen met de eventuele explootkosten van de betekening van het vonnis, 4.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 4.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. van den Berk, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026. Op de eerste pagina van het exploot van dagvaarding staat: “Heden de vijfentwintigste juli tweeduizendvierentwintig” . De kantonrechter gaat er echter vanuit dat dit berust