Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2025-12-31
ECLI:NL:RBOBR:2025:8933
RECHTBANK OOST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Zaaknummer: C/01/420598 / JE RK 25-1476 Datum uitspraak: 31 december 2025 Beschikking van de kinderrechter op basis van de geschillenregeling in de zaak van de STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT , statutair gevestigd te ’s-Hertogenbosch, vestiging [plaats 1] , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI), over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [moeder] , met een briefadres in [plaats 2] , hierna te noemen: de moeder, [vader] , zonder bekende woon- of verblijfplaats, hierna te noemen: de vader. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 november 2025. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 december 2025. Daarbij waren aanwezig [vertegenwoordigers GI] namens de GI. 1.3. De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de vader en de moeder wel correct zijn opgeroepen. 2 De feiten 2.1. De vader en de moeder hebben samen het gezag over [de minderjarige] . 2.2. De vader, de moeder en [de minderjarige] hebben de Tsjechische nationaliteit. 2.3. [de minderjarige] is bij beschikking van 15 februari 2024 onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar. Bij beschikking van 12 februari 2025 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 15 februari 2026. 2.4. [de minderjarige] is uithuisgeplaatst op basis van een door de kinderrechter verleende machtiging tot uithuisplaatsing. Deze machtiging is voor het eerst verleend bij beschikking van 21 mei 2024 en daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 27 juni 2025 tot 15 februari 2026. 2.5. [de minderjarige] verblijft in een perspectiefbiedend pleeggezin. 3 Het verzoek 3.1. De GI heeft een geschil voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de volgende beslissing te nemen: ‘de noodzaak van Video Interactie Begeleiding (VIB) binnen het huidige pleeggezin van [de minderjarige] en Jeugdbescherming Brabant toestemming te geven voor de inzet van VIB.’ 3.2. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht 4.1. Vanwege de internationale aspecten in deze zaak moet de kinderrechter eerst beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht toegepast moet worden bij de beoordeling van het verzoek. 4.2. De Nederlandse rechter is bevoegd om kennis te nemen van het verzoek, gelet op het feit dat [de minderjarige] ten tijde van de indiening van het verzoek zijn gewone verblijfplaats in Nederland had (artikel 7 Brussel Ⅱ ter Verordening). 4.3. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek is Nederlands recht van toepassing (artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996). Beoordeling van het geschil 4.4. Als er een geschil bestaat over de uitvoering van de ondertoezichtstelling, kunnen bepaalde betrokken partijen de kinderrechter om een beslissing vragen. De kinderrechter neemt dan een beslissing die hij in het belang van het kind wenselijk vindt (artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek). 4.5. Het geschil dat de GI heeft voorgelegd gaat over de inzet van Video Interactie Begeleiding (VIB) in het pleeggezin van [de minderjarige] . Daarbij worden er video-opnames van [de minderjarige] en de pleegouders gemaakt. Die opnames worden gebruikt om te analyseren hoe de interactie tussen [de minderjarige] en de pleegouders verloopt en welke ondersteuning [de minderjarige] en/of de pleegouders nodig hebben. De GI wil dat de kinderrechter toestemming geeft voor de inzet van VIB, omdat het niet lukt om de toestemming van de moeder te krijgen. De vader heeft wel toestemming gegeven. 4.6. De kinderrechter acht de inzet van VIB in het belang van [de minderjarige] wenselijk, omdat dit een manier is om de ju