Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2025-08-28
ECLI:NL:RBOBR:2025:7068
RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch Zaaknummer : 11767223 CV EXPL 25-3520 Datum : 28 augustus 2025 in de zaak van: de rechtspersoon naar buitenlands recht “Riverty GmbH”, gevestigd en kantoorhoudende te Verl (Duitsland), eisende partij, gemachtigde: Yards Deurwaardersdiensten bv, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, niet verschenen. 1 De procedure Eisende partij heeft gevorderd dat gedaagde partij bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om aan haar een bedrag te betalen met rente en kosten, zoals in de dagvaarding is omschreven. Tegen de niet verschenen gedaagde partij is verstek verleend. Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken. 2 De beoordeling De kantonrechter is bevoegd van de vordering kennis te nemen en stelt tevens vast dat het Nederlands recht op de procedure van toepassing is. De vordering van eisende partij ziet op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument, waarbij de consument bij de aankoop heeft gekozen voor de aangeboden mogelijkheid om (een deel van) het aankoopbedrag pas na enige tijd te betalen. Deze uitgestelde betaling wordt ook wel ‘buy now, pay later’ genoemd en is in beginsel een vorm van kredietverstrekking. Op kredietovereenkomsten tussen een kredietverstrekker die handelt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf en een consument zijn in beginsel consumentenbeschermende bepalingen van toepassing. De meeste van die bepalingen staan in titel 2A (artikel 57 en verder) van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het belangrijkste in dit verband zijn de informatieplichten van de artikelen 7:60 en 7:61 BW. Ook in artikel 4:34 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) is een belangrijke consumentenbeschermende bepaling opgenomen, namelijk een kredietwaardigheidstoets, waarmee wordt beoogd het risico op terugbetalingsproblemen te beperken. In artikel 7:58 lid 2 BW zijn enkele uitzonderingen opgenomen van kredietovereenkomsten waarvoor minder consumentenbescherming nodig wordt geacht. Eén van die uitzonderingen is opgenomen onder sub e van dat artikel: een kredietovereenkomst waarbij het krediet binnen drie maanden moet worden terugbetaald en waarvoor slechts onbetekenende kosten kunnen worden aangerekend. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 17 oktober 2024 (C-409/23, ECLI:EU:C:2024:895) op prejudiciële vragen van de Hoge Raad geoordeeld dat bij beantwoording van de vraag of sprake is van een krediet zonder kosten of een krediet met onbetekenende kosten in de zin van artikel 7:58 lid 2, onder e, BW vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten niet in aanmerking mogen worden genomen, ongeacht of de vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd zijn op grond van de wet of op grond van de overeenkomst en ongeacht of deze – als het gaat om bedongen rente en kosten – hoger zijn dan hetgeen zonder het beding op grond van de wet verschuldigd zou zijn. Vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten moeten daarbij echter wel in aanmerking worden genomen indien de kredietgever, teneinde een economisch voordeel te verkrijgen, er vanaf de sluiting van de kredietovereenkomst al op anticipeert dat de consument zijn betalingsverplichting niet zal nakomen. In dit verband verwijst de kantonrechter ook naar de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 27 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1008). De Hoge Raad heeft in dit arrest geoordeeld dat bij de beoordeling of zich het hiervoor bedoelde geval voordoet, de rechter alle omstandigheden rond de sluiting van de kredietovereenkomst en andere relevante factoren dient te onderzoeken, zoals met name de wettelijke dan wel contractuele aard van de rente en de kosten van niet-nakoming, de termijnen waarbinnen die rente en kosten opeisbaar worden en het bedrag van deze rente en kosten. De kantonrechter zal eisende partij in de gelegenheid stellen om te onderbouwen dat het door haar verleende krediet valt onder d