Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-10-14
ECLI:NL:RBOBR:2025:6376
Bestuursrecht; Belastingrecht
Mondelinge uitspraak
2,251 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/817
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
13 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Sint-Michielsgestel, de heffingsambtenaar
( [naam] ).
Zitting
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 13 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is zonder bericht van verhindering niet verschenen. Eiser is met een aangetekende brief voor de zitting uitgenodigd die ook bij eiser is bezorgd. Eiser is dus behoorlijk opgeroepen. De heffingsambtenaar heeft laten weten niet naar de zitting te komen
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen de aanslag in het gebruikersdeel van de rioolheffing niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
Motivering
1. Eiser is eigenaar en gebruiker van de woning aan de [adres] in [woonplaats] (de woning).
2. De heffingsambtenaar heeft aan eiser met een gecombineerd aanslagbiljet van 20 februari 2025 een aanslag opgelegd in de afvalstoffenheffing tot een bedrag van € 162, in het gebruikersdeel van de rioolheffing tot een bedrag van € 14,80 en in het vastrecht van de rioolheffing tot een bedrag van € 120. Met de uitspraak op bezwaar van 25 maart 2025 heeft de heffingsambtenaar de aanslagen in de afvalstoffenheffing en in het vastrecht van de rioolheffing gehandhaafd. De aanslag in het gebruikersdeel van de rioolheffing is verlaagd naar € 0.
3. In beroep is het aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat hij de aanslagen terecht en niet voor een te hoog bedrag heeft opgelegd.
4. De rechtbank verklaart het beroep van eiser tegen de (met de uitspraak op bezwaar gehandhaafde) aanslag in de afvalstoffenheffing ongegrond. Hiervoor geldt de volgende motivering.
4.1.
Eiser vindt de aan hem opgelegde aanslag in de afvalstoffenheffing onterecht, omdat hij zegt dat hij al jaren geen gebruikmaakt van de gemeentelijke afvalinzameling. Dat wordt volgens eiser bevestigd door het feit dat de gemeente onlangs nieuwe kliko’s heeft verstrekt, maar niet aan het adres van eiser omdat die er toch geen gebruik van maakt.
4.2.
De heffingsambtenaar wijst erop dat als belastingplichtige wordt aangewezen degene die, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruik maakt van een perceel waar een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Hij verwijst daarbij naar de artikelen 15.33, 10.21, en 10.22 van de Wet milieubeheer. De verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt volgens de heffingsambtenaar voor ieder perceel waar in een particuliere huishouding huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Eiser is als eigenaar van de woning terecht aangeslagen in de afvalstoffenheffing nu dit een perceel in de hiervoor bedoelde zin is, aldaar huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan en er – kort gezegd – een gemeentelijke inzamelingsplicht geldt. De heffingsambtenaar merkt nog op dat ten aanzien van de woning in het verleden containers zijn verstrekt. De containers zijn in 2025 omgewisseld voor nieuwe containers, maar die zijn daarna weer opgehaald door de gemeente omdat hieraan bij eiser geen behoefte was.
4.3.
De rechtbank vindt dat de heffingsambtenaar in zijn bewijslast geslaagd. Eiser is dus terecht en niet voor een te hoog bedrag aangeslagen in de afvalstoffenheffing. Anders dan eiser van belang acht is niet relevant of hij al dan niet gebruikmaakt van de gemeentelijke afvalinzameling. Relevant is of op zijn perceel afvalstoffen kunnen ontstaan en er een inzamelingsplicht voor de gemeente geldt. Dit is door de heffingsambtenaar gesteld en door eiser niet weersproken.
5. De rechtbank verklaart het beroep van eiser tegen de (met de uitspraak op bezwaar verlaagde) aanslag in het gebruikersdeel van de rioolheffing niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de (met de uitspraak op bezwaar gehandhaafde) aanslag in het vastrecht van de rioolheffing is ongegrond. Hiervoor geldt de volgende motivering.
5.1.
De aanslag in het gebruikersdeel van de rioolheffing is met de uitspraak op bezwaar op € 0 gesteld. Voor zover eisers beroep zich ook tegen laatstgenoemde aanslag richt, stelt de rechtbank vast dat eiser bij de beoordeling daarvan geen belang heeft. Hij kan door dat beroep immers niet in een betere (fiscale) positie terechtkomen. In zoverre is zijn beroep niet-ontvankelijk.
5.2.
Eiser heeft geen specifieke beroepsgronden aangevoerd tegen de aanslag in het vastrecht van de rioolheffing. De heffingsambtenaar merkt in dit verband nog op dat de belastingplichtige gebruiker van een perceel veelal wordt bepaald aan de hand van de basisregistratie personen. Gebruik kan ook worden afgeleid van de aanwezigheid van meubilair en andere goederen. Het gaat om de beschikkingsmacht over een perceel. Feitelijke aanwezigheid van personen is geen vereiste. Eiser is volgens de heffingsambtenaar in de basisregistratie personen opgenomen als bewoner van de woning en heeft de beschikkingsmacht over het perceel. De heffingsambtenaar vindt daarom dat eiser terecht is aangemerkt als gebruiker van [adres] en daarom terecht belast voor de rioolheffing.
5.3.
De rechtbank vindt dat de heffingsambtenaar in zijn bewijslast geslaagd. Eiser heeft namelijk het betoog van de heffingsambtenaar niet weersproken. Eiser is dan ook terecht en niet voor een te hoog bedrag aangeslagen in het vastrecht van de rioolheffing.
6. Eiser merkt (in een nader stuk) nog op: “Vandaar ben ik na tientallen jaren van geen gebruik in beroep en bezwaren gekomen omdat aangevraagde hoorzittingen in deze kwestie ook niet zijn toegekend (…).” Voor zover eiser hiermee stelt dat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase, merkt de heffingsambtenaar terecht op dat eiser in bezwaar niet heeft verzocht om een hoorzitting. De heffingsambtenaar heeft dan ook terecht van het horen in bezwaar afgezien.
7. Met het gecombineerd aanslagbiljet van 20 februari 2025 zijn aan eiser ook aanslagen in de onroerendezaakbelasting opgelegd en zijn aan hem de WOZ-beschikkingen met betrekking tot de woning en het object [adres] bekendgemaakt. Eiser heeft hiertegen ook bezwaar gemaakt en vindt dat de heffingsambtenaar hier ook met de uitspraak op bezwaar van 25 maart 2025 uitspraak op had moeten doen. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De heffingsambtenaar wijst er terecht op dat er geen rechtsregel is die hem hiertoe verplicht. De WOZ-waarden van de hiervoor genoemde objecten zijn voor de aanslagen in de afvalstoffenheffing en in de rioolheffing verder ook niet van belang. Het stond de heffingsambtenaar dus vrij om de uitspraak op bezwaar te doen zoals hij die heeft gedaan. Omdat in deze procedure (dus) niet de WOZ-waarden van genoemde objecten aan de orde zijn, kunnen de gronden die eiser daartegen heeft aangevoerd verder buiten bespreking blijven.
8. Eiser heeft de rechtbank verzocht om de invorderingsambtenaar van de gemeente Sint-Michielsgestel [naam] als getuige op te roepen. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat zij het horen van de invorderingsambtenaar niet nodig vindt voor enige in deze zaak te nemen beslissing.
9. Omdat de beroepen ongegrond zijn, is er voor een veroordeling in de proceskosten geen aanleiding.
10. Verder merkt de rechtbank nog het volgende op. De rechtbank heeft partijen (op 29 juli 2025) laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en dat zij voornemens is uitspraak te doen zonder het houden van een zitting. Partijen zijn gevraagd of zij het daarmee eens zijn en, zo niet, in de gelegenheid gesteld om te verzoeken dat het beroep op zitting wordt behandeld. Eiser heeft binnen de daartoe gestelde termijn verzocht om het beroep te behandelen op een zitting. Eiser is vervolgens, hoewel behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering niet verschenen op de zitting. Dit terwijl de rechtbank eiser juist tegemoet heeft willen komen door deze zaak te behandelen op een zitting waarop al andere zaken van eiser waren gepland. Afgezien van het feit dat het onbehoorlijk is om eerst om een zitting te verzoeken en vervolgens zonder bericht niet op te komen dagen, wijst de rechtbank eiser erop dat door zijn handelswijze kostbare zittingstijd verloren is gegaan. De voor eisers zaak gereserveerde zittingstijd had ook kunnen worden besteed aan het beroep van een andere rechtzoekende die op een behandeling van haar of zijn zaak op zitting wacht.