Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-07-30
ECLI:NL:RBOBR:2025:6247
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,495 tokens
Inleiding
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/417002 / HA ZA 25-438
Vonnis van 30 juli 2025
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
te [plaats] ,2. [eiser 2],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: eisers,
advocaat: mr. I. de Gram,
tegen
[gedaagde]
, tevens handelend onder de naam [bedrijfsnaam gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: gedaagde,
niet verschenen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het tegen gedaagde verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
2.1.
Eisers hebben gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
2.2.
Eisers vorderen onder a) een verklaring voor recht dat de overeenkomst(en) tussen partijen, althans de vordering tot nakoming c.q. herstel, is omgezet naar een vordering tot vervangende schadevergoeding. Eisers leggen artikel 6:87 BW ten grondslag aan deze vordering. Op grond van artikel 6:87 lid 1 BW wordt, voor zover nakoming niet reeds blijvend mogelijk is, de verbintenis omgezet in een tot vervangende schadevergoeding. De rechtbank zal daarom voor recht verklaren dat de verbintenis tot nakoming van de overeenkomst van gedaagde, is omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding.
2.3.
De onder c) gevorderde rente over de hoofdsom kan slechts worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding. Er is namelijk niet toegelicht waarom de rente met ingang van de gevorderde ingangsdatum verschuldigd is.
2.4.
Eisers vorderen onder h) gedaagde te veroordelen tot betaling van de nog te maken beslag- en executiekosten. Deze vordering wordt in het lichaam van de dagvaarding niet genoemd en toegelicht en zal, alleen al om die reden, worden afgewezen.
2.5.
De vordering komt de rechtbank voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.
2.6.
Gedaagde is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisers worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
1.374,00
- salaris advocaat
€
1.214,00
(1 punt × € 1.214,00)
- nakosten
€
131,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.864,45
2.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De rechtbank
3.1.
verklaart voor recht dat de verbintenis tot nakoming van de overeenkomst van gedaagde, is omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding,
3.2.
veroordeelt gedaagde om binnen veertien dagen na dit vonnis aan eisers te betalen een bedrag van € 49.670,57, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt gedaagde om binnen veertien dagen na dit vonnis aan eisers te betalen een bedrag van € 1.271,71 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
3.4.
veroordeelt gedaagde om binnen veertien dagen na dit vonnis aan eisers te betalen een bedrag van € 1.035,00 aan expertisekosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
3.5.
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van € 2.864,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 68,00 plus de kosten van betekening als gedaagde niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.6.
veroordeelt gedaagde tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2025.