Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-10-08
ECLI:NL:RBOBR:2025:6159
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,243 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2402
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van Oirschot, het college
(gemachtigde: mr. M. Meelker).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het (rechtstreeks) beroep van eiseres tegen het besluit van het college van 3 april 2025.
1.1.
Het college heeft op 3 april 2025 een besluit genomen op het verzoek om inzage van eiseres van in haar persoonsgegevens die het Inlichtingenbureau van haar verwerkt.
1.2.
Eiseres heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend bij het college. Het college heeft het bezwaarschrift bij brief van 1 juli 2025 als rechtstreeks beroep doorgezonden naar de rechtbank in de procedure met nummer SHE 25/1118. Omdat het rechtstreeks beroep echter een aparte procedure is, heeft de rechtbank daar een ander zaaknummer voor aangemaakt.
1.3.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting, omdat het college kennelijk ten onrechte heeft ingestemd met het verzoek om rechtstreeks beroep van eiseres.
Beoordeling
2. De rechtbank is van oordeel dat het bestuursorgaan kennelijk ten onrechte heeft ingestemd met rechtstreeks beroep omdat een daartoe strekkend verzoek van eiseres ontbreekt.
2.1.
In artikel 7:1 van de Awb is geregeld dat in beginsel tegen een besluit eerst bezwaar bij het bestuursorgaan moet worden gemaakt, voordat beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. In artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb staat dat in het bezwaarschrift de indiener het bestuursorgaan kan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, zulks in afwijking van artikel 7:1.
3. De rechtbank is van oordeel dat het bezwaarschrift niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtstreeks beroep zoals die zijn bepaald in artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb. De rechtbank stelt vast dat in het bezwaarschrift van eiseres een verzoek om instemming met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter ontbreekt. Dat eiseres in haar bezwaarschrift verwijst naar een beroep niet tijdig beslissen dat zij heeft ingesteld in verband met de afhandeling van haar “AVG-verzoek” en dat volgens haar dit beroep niet tijdig beslissen op het besluit van 3 april 2025 ziet, maakt niet dat daarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb. Ook in de daaropvolgende reactie van eiseres van 16 juni 2025 ontbreekt een verzoek om instemming met rechtstreeks beroep. Uit deze reactie van eiseres blijkt dat zij van mening is dat het gaat om één zaak (namelijk 25/1118) waaronder alle verschillende verzoeken, ingebrekestellingen en beroepen moeten worden behandeld. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een opvatting die niet gelijkgesteld kan worden met of moet worden opgevat als een verzoek aan het college om in te stemmen met rechtstreeks beroep. De rechtbank heeft in haar uitspraak van vandaag geoordeeld dat het beroep in die zaak ziet op het beroep niet tijdig beslissen op het bezwaar van 11 november 2024 en het van rechtswege ontstane beroep dat is gericht tegen het besluit op bezwaar van 13 mei 2025. Het verzoek om inzage in haar persoonsgegevens dat aan die besluitvorming ten grondslag ligt is een ander verzoek dan het verzoek waarop met het (primaire) besluit van 3 april 2025 is beslist.
Conclusie
4. Het college heeft kennelijk ten onrechte ingestemd met rechtstreeks beroep bij de rechtbank. De rechtbank zal daarom gebruikmaken van haar bevoegdheid op grond van artikel 8:54a van de Awb om in deze fase van het vooronderzoek het onderzoek te sluiten. De rechtbank zal het beroepschrift ter verdere behandeling als bezwaarschrift terugzenden aan het college.
4.1.
Omdat het bezwaarschrift geen verzoek aan het bestuursorgaan tot instemming met rechtstreeks beroep bevat, is op grond van artikel 7:1a, zesde lid, van de Awb geen griffierecht geheven. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank bepaalt dat het college het beroepschrift als bezwaarschrift behandelt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.L. Verbruggen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Zaaknummer SHE 25/1118.