Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2025-09-18
ECLI:NL:RBOBR:2025:5791
RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 24/4363 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema), en de heffingsambtenaar van de gemeente Helmond, de heffingsambtenaar (gemachtigden: [naam] en [naam] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting die aan hem is opgelegd. 1.1. De heffingsambtenaar heeft op 12 april 2024 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting (met aanslagnummer [nummer] ) opgelegd ter hoogte van € 68,15. Dit bedrag omvat € 2,35 parkeerbelasting en € 65,80 kosten naheffing. 1.2. Met de uitspraak op bezwaar van 22 november 2024 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar de aanslag gehandhaafd. 1.3. Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. 1.4. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde namens eiser en de gemachtigden namens de heffingsambtenaar. Feiten 2. Op 11 maart 2024 stond het voertuig van eiser met het kentekennummer [kenteken] geparkeerd op een openbare parkeerplaats, locatie [locatie] in [plaats] . Deze parkeerplaats is aangewezen als plaats waar tegen betaling mag worden geparkeerd. Tijdens een controle op die dag is om 14:12 uur geconstateerd dat de parkeerbelasting niet was betaald. Vervolgens is op 12 april 2024 de naheffingsaanslag parkeerbelasting kenbaar gemaakt en opgelegd. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht en tot een juiste hoogte heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 4. Het beroep is ongegrond . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5. Niet in geschil is dat eiser op het moment van de controle niet beschikte over een geldige parkeervergunning en ook geen belasting had voldaan voor het parkeren van zijn auto in een gebied waarin alleen tegen betaling van parkeerbelasting of met een geldige parkeervergunning mag worden geparkeerd. In beroep is uitsluitend in geschil of de kostenraming van de gemeente Helmond in strijd is met artikel 2, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelasting (het Besluit) Beoordelingskader 6. Op grond van artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet worden ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag kosten in rekening gebracht. Op grond van artikel 234, zesde lid, van de Gemeentewet worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de wijze van berekening en de maximale hoogte van de in het vijfde lid bedoelde kosten. In de Verordening wordt het bedrag van de in rekening te brengen kosten bepaald. 6.1. Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Besluit kunnen de gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet ten hoogste bestaan uit de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen: a. vaste informatieverwerkingskosten; b. variabele informatieverwerkingskosten; c. kosten van afschrijving; d. kosten van interest; e. personeelskosten; f. overheadkosten, welke ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen. 6.2. Op grond van artikel 2, tweede lid, van het Besluit stelt de (gemeente)raad op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze kosten in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven, het bedrag vast dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht. Op grond van artikel 3 van het Besluit zoals dit luidde in het kalenderjaar 2024 bedraagt h De rechtbank vindt in dit geval deze verklaring voldoende om tot het oordeel te kunnen komen dat de kosten voor klantcontactcentrum voldoende samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen. Weliswaar heeft eiser er terecht op gewezen dat de medewerker van het KCC ook werkzaamheden uitvoert die deels niet samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen, maar zaait daarmee onvoldoende twijfel dat bij de raming ervan is uitgegaan dat de medewerker van het KCC zich hoofdzakelijk bezighoudt met de beantwoording van vragen over naheffingsaanslagen. Hoe de verdeling in de praktijk vervolgens plaatsvindt, is niet van belang, omdat moet worden getoetst aan de uitgangspunten bij het opstellen van de raming. 9.3. Tot slot volgt de rechtbank het betoog van eiser niet, dat de in het kostenbesluit opgenomen kostenpost ter zake van parkeervergunningen niet samenhangt met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen. Naar het oordeel van de rechtbank vervult deze kostenpost een centrale functie in het proces van het mogelijk maken van het voldoen van parkeerbelastingen, het vaststellen of de verschuldigde parkeerbelasting is voldaan en het opleggen van naheffingsaanslagen parkeerbelasting indien is vast komen te staan dat onvoldoende parkeerbelasting is voldaan, inclusief de informatievoorziening daarvan. 10. De conclusie is dat de kostenonderbouwing van de kosten van de naheffingsaanslag niet in strijd is met artikel 2 van het Besluit. Artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht 11. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat er sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden als gevolg waarvan eiser opnieuw in de gelegenheid gesteld had moeten worden om zijn standpunten naar voren te brengen op een hoorzitting zoals bedoeld in artikel 7:9 van de Awb. Als onderbouwing daarvoor geeft hij aan dat hij in de bezwaarfase heeft verzocht om de ramingstabel en deze pas bij de bestreden uitspraak heeft gekregen. De heffingsambtenaar heeft dit niet betwist, maar heeft toegelicht dat diverse stukken zijn toegezonden en ter inzage hebben gelegen, waaronder de (uitgebreide) ramingstabel (naheffingen begroting 2024). De heffingsambtenaar heeft verder op de zitting toegelicht dat eisers gemachtigde op 11 juni 2024 een aanvullend bezwaar heeft ingediend en op de (telefonische) hoorzitting van 13 november 2024 hierom ook niet heeft verzocht. 11.1. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden die naar aanleiding van het horen bekend zijn geworden en die tot een nader onderzoek of hoorgesprek aanleiding hebben moeten geven, aangezien de op de zaak betrekking hebbende stukken vooraf bekend waren en ter inzage hebben gelegen. Het had op de weg van eisers gemachtigde gelegen om gebruik te maken van de inzage. 11.2. Op grond van artikel 7:4, eerste en tweede lid, van de Awb is de heffingsambtenaar verplicht het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken gedurende een week voorafgaand aan het hoorgesprek ter inzage te leggen en de mogelijkheid te bieden nadere stukken in te dienen. De heffingsambtenaar heeft op de zitting verklaard dat er stukken zijn toegezonden en dat de uitgebreide ramingstabel ter inzage heeft gelegen. De gemachtigde van eiser heeft dit ongemotiveerd betwist. Van een schending van artikel 7:4 van de Awb is de rechtbank derhalve niet gebleken. De grond slaagt niet. 12. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bedrag van de kosten van de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld. Het gevolg hiervan is dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Conclusie en gevolgen 13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Cune, rechter, in aanwezigheid van M. Brok, griffier. De uitspraak is in het openbaar gesch