Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2025-01-30
ECLI:NL:RBOBR:2025:513
RECHTBANK OOST-BRABANT PACHTKAMER Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: 11238557 CV EXPL 24-4040 Vonnis in het incident van 30 januari 2025 in de zaak van: [eiser 1] , wonende in [woonplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, verwerende partij in het incident tot voeging, gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde 1] , wonende in [woonplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, gemachtigde: mr. E.H.M. Harbers, in welke zaak zich willen voegen aan de zijde van [gedaagde 1] : 1 [gedaagde 2] , wonende in [woonplaats] , 2. [gedaagde 3] , wonende in [woonplaats] , eisende partijen in het incident tot voeging, gemachtigde: mr. E.H.M. Harbers. Partijen worden hierna genoemd: [eiser 1] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 19 juli 2024 van [eiser 1] met bijlagen 1 tot en met 3, de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie van 2 oktober 2024 van [gedaagde 1] met bijlagen 1 tot en met 5, tevens incidentele vordering tot voeging van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie met ook conclusie van antwoord in het incident van 31 oktober 2024 van [eiser 1] met bijlagen 4 tot en met 7, e brief van 1 november 2024 van de griffier, waarin staat dat [gedaagde 1] mag reageren op het laatst door [eiser 1] ingediende processtuk door een conclusie van dupliek in conventie en conclusie van repliek in reconventie in te dienen, de brief van 13 november 2024 van [gedaagde 1] , waarin samengevat is vermeld dat hij bezwaar maakt tegen indiening van de conclusie van repliek in conventie door [eiser 1] , dat [gedaagde 1] geen conclusie van dupliek in conventie en conclusie van repliek in reconventie zal indienen, en dat [gedaagde 1] vraagt om een mondelinge behandeling in de hoofdzaak te bepalen, de brief van 14 november 2024 van [eiser 1] , waarin is gereageerd op de hiervoor genoemde brief van 13 november 2024. 1.2 Vervolgens is vonnis in het incident bepaald. 2. Een korte schets van de hoofdzaak, het incident en waar dit vonnis over gaat 2.1 In de hoofdzaak vordert [eiser 1] dat de pachtovereenkomst tussen hem als verpachter en [gedaagde 1] als pachter met betrekking tot het perceel landbouwgrond in [plaats] , thans kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding] en groot 3.15.60 ha, wordt ontbonden. Daarnaast vordert [eiser 1] dat [gedaagde 1] dat perceel ontruimt binnen acht dagen na het vonnis, op verbeurte van een dwangsom van € 750,00 per dag dat [gedaagde 1] dat niet doet. De reden hiervoor is kort gezegd dat volgens [eiser 1] door [gedaagde 1] geen sprake meer is van een bedrijfsmatige agrarische exploitatie, zoals is vereist in artikel 7:312 BW en zoals volgt uit de rechtspraak. Daardoor is [gedaagde 1] tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen als pachter en is ontbinding van de pachtovereenkomst gerechtvaardigd (artikel 7:376 lid 1 BW). 2.2 [gedaagde 1] is het om verschillende redenen niet eens met de vordering van [eiser 1] . De hoofdreden is dat [eiser 1] al geruime tijd ervan op de hoogte is dat het gepachte al een aantal jaren wordt geëxploiteerd door de zonen van [gedaagde 1] , en dat zij het gebruik van het gepachte als goed pachter kunnen en willen voortzetten. Daarom vraagt [gedaagde 1] de vordering tot ontbinding van de pachtovereenkomst af te wijzen. Verder heeft [gedaagde 1] een tegeneis (eis in reconventie) ingesteld. De tegeneis ziet erop dat zonen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in de plaats van [gedaagde 1] worden gesteld als pachter in de met [eiser 1] bestaande pachtovereenkomst van het perceel waarop de vordering van [eiser 1] betrekking heeft (artikel 7:363 BW). [gedaagde 2] en [gedaagde 3] exploiteren een akkerbouwbedrijf ( [naam bedrijf gedaagde 2 en 3] , gelegen aan de [adres] in [plaats] ) met een traditioneel teeltplan dat voornamelijk bestaat uit mai [gedaagde 2] en [gedaagde 3] mogen zich voegen in de hoofdzaak 3.4 De pachtkamer is van oordeel dat de hiervoor bij 3.2 beschreven maatstaf is voldaan. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben duidelijk een belang bij voeging in de hoofdzaak, met name omdat [gedaagde 1] bij wijze van tegeneis heeft verzocht dat zijn zonen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in zijn plaats als pachters worden aangesteld in de pachtovereenkomst met [eiser 1] die in de hoofdzaak centraal staat. In de rechtspraak, waar [gedaagde 2] en [gedaagde 3] terecht op hebben gewezen, wordt dat belang bij indeplaatsstelling ook aangenomen. Daaruit blijkt dat de uitkomst van een pachtgeding waarin een vordering tot medepacht (artikel 7:364 BW) of indeplaatsstelling (artikel 7:363 BW) zoals in deze zaak aan de orde is, niet alleen bepalend is voor de burgerlijke rechten en verplichtingen van de pachter en verpachter, maar ook van de persoon over wiens medepacht of indeplaatsstelling wordt beslist. De voorgestelde medepachter of beoogde in de plaats gestelde dient daarom de gelegenheid te krijgen zijn standpunt ter zake aan de rechter voor te leggen en bij het geding zelf ook partij te zijn. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben kort gezegd aangevoerd dat zij het akkerbouwbedrijf willen uitbreiden en dat daarvoor het gepachte van groot belang is. Ook daaruit blijkt dat hun belang bij voeging in de hoofdzaak evident is. 3.5 Omdat de incidentele vordering van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] tot voeging in het beginstadium van procedure in de hoofdzaak is ingesteld, valt niet te verwachten dat toewijzing van de incidentele vordering een onredelijke of onnodige vertraging van deze procedure in de hoofdzaak tot gevolg heeft. Ook dient, zoals hiervoor bij 2.5 al is vermeld, eerst en vooraf op het incident te worden beslist en hoeft er geen sprake te zijn van een onherroepelijke uitspraak in de hoofdzaak in conventie zoals [eiser 1] in reactie op het opgeworpen incident lijkt te betogen. 3.6 De conclusie is dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zich mogen voegen in de hoofdzaak aan de kant van hun vader [gedaagde 1] . De proceskosten in het incident tot voeging 3.7 [eiser 1] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de proceskosten in het incident veroordeeld. De proceskosten van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden tot vandaag vastgesteld op: - salaris gemachtigde € 135,00 (1 punt × € 135,00) - nakosten € 67,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 202,50 De pachtkamer wil de hoofdzaak met partijen bespreken 3.8 De pachtkamer begrijpt “de conclusie van antwoord, tevens incidentele vordering tot voeging, tevens eis in reconventie van 2 oktober 2024” voor zover die ziet op de hoofdzaak zo, dat die zowel de stellingen en verweren van [gedaagde 1] , en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , verwoordt. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoeven daarom niet meer in de gelegenheid te worden gesteld om afzonderlijk in de hoofdzaak op de dagvaarding van [eiser 1] te reageren. Indien [gedaagde 2] en [gedaagde 3] dit anders zien, moeten zij de rechtbank hiervan zo snel mogelijk op de hoogte stellen. 3.9 Gelet op de over en weer ingenomen standpunten, wil de pachtkamer de zaak met alle partijen (dat wil zeggen [eiser 1] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ) bespreken tijdens een zitting. Alle partijen krijgen dan de mogelijkheid om hun kant van het verhaal te vertellen, de pachtkamer kan vragen stellen en onderzocht kan worden of partijen samen tot een oplossing kunnen komen. Tijdens de zitting wordt aan de gemachtigden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zijn niet toegestaan. 3.10 Bij het plannen van een zitting wil de rechtbank voor zover mogelijk rekening houden met de agenda van partijen. Daarom wordt nu eerst aan partijen gevraagd de rechtbank te laten weten op welke dagen zij in d