Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-07-23
ECLI:NL:RBOBR:2025:4627
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
1,684 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1264 OWHAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juli 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] uit [vestigingsplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. drs. A.C.M. Brom),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergeijk, het college
(gemachtigde: mr. A.M. Mohnen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan verzoekster opgelegde last onder bestuursdwang. Op grond van die last mag zij de op het perceel aanwezige afvalstoffen niet uitrijden, verplaatsen of verwerken op het perceel en moet zij deze afvalstoffen voor 1 juni 2025 afvoeren naar een erkende verwerker. Als zij dat niet doet, verwijdert de gemeente het afval en zijn de kosten voor rekening van verzoekster. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft daarom bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 26 mei 2025 heeft het college aan verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 juli 2025 op zitting behandeld. Hierbij waren verzoekster en de gemachtigde van verzoekster aanwezig. Voor het college waren [naam] (NVWA) en de gemachtigde van het college aanwezig.
Feiten
3. De voorzieningenrechter gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. 3.1. Verzoekster heeft een boomkwekerij op perceel [nummer] aan de [adres] in [vestigingsplaats] (de locatie).
3.2.
Op 17 maart 2025 heeft een toezichthouder van de gemeente een controle uitgevoerd op de locatie. Op 9 april 2025 is opnieuw een controle uitgevoerd door de toezichthouder van de gemeente, bijgestaan door een toezichthouder van de NVWA. Bij beide controles werd geconstateerd dat zich daar groenafval bevond dat was vermengd met andere materialen.
3.3.
Het college heeft verzoekster op 8 april 2025 een waarschuwingsbrief gestuurd. Daarin geeft het aan dat de bedrijfsafvalstoffen moeten worden verwijderd, moet worden aangetoond dat het een toegestane meststof is of een omgevingsvergunningsaanvraag moet worden ingediend.
3.4.
Op 1 mei 2025 heeft verzoekster een certificaat verstrekt aan de toezichthouder waaruit volgens haar zou blijken dat het om compost zou gaan. De toezichthouder heeft dit certificaat onvoldoende geacht.3.5. Op 7 mei 2025 hebben toezichthouders van de gemeente samen met een toezichthouder van de NVWA een controle uitgevoerd op de locatie, waarbij is geconstateerd dat nog steeds sprake is van een overtreding. De toezichthouders van de gemeente hebben mondeling medegedeeld dat de afvalstoffen niet mogen worden uitgereden, verplaatst of verwerkt en dat verzoekster de afvalstoffen vóór 1 juni 2025 dient te laten afvoeren naar een erkend afvalverwerkingsbedrijf.3.6. Op 21 mei 2025 heeft het droneteam van de OMWB op verzoek van toezichthouders van de gemeente onderzoek gedaan naar drie hopen groenafval op de locatie. Daarbij is specifiek gekeken naar het volume en de locatie van de hopen op het perceel. Van dit onderzoek is op 17 juni 2025 een rapport opgemaakt.Bestreden besluit
4. Met het besluit van 26 mei 2025 heeft het college aan verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd. Het college constateert dat verzoekster in overtreding is omdat hij geen omgevingsvergunning heeft voor het op of in de bodem brengen van een afvalstof. Verzoekster overtreedt daarmee het bepaalde in artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 3.40b, eerste lid, en artikel 3.40c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Verzoekster dient deze overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Om deze overtreding te beëindigen dient verzoekster het afval vóór 1 juni 2025 te laten verwijderen en verwijderd te houden. Zij moet daarbij de regels in de paragrafen 10.6.1 en 10.6.2 van de Wet milieubeheer in acht te nemen. Zij mag niet zelf het afval gaan transporteren en het elders op percelen op of in de bodem brengen. De vrachten afval dienen geregistreerd te worden en het bedrijf dat het afval ontvangt dient te beschikken over een daarvoor geldende omgevingsvergunning. Als verzoekster niet, niet volledig of niet tijdig aan de lastgeving voldoet, beëindigt het college de overtreding door het afval te laten verwijderen. De kosten van deze bestuursdwang zijn voor rekening van verzoekster.
Belangenafweging
5. Partijen verschillen van mening over of het gaat om afval of om compost. De voorzieningenrechter zal daarom hierna in neutrale zin over “de grond” spreken.
Procesverloop
7.3.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om wat verzoekster meer of anders heeft gevorderd toe te wijzen.
Dictum
De voorzieningenrechter:
schorst het bestreden besluit voor zover daarbij een last onder bestuursdwang is opgelegd tot beëindiging van de overtreding door het afval op de in dat besluit beschreven wijze te laten verwijderen;
bepaalt dat de schorsing geldt tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan verzoekster vergoedt;
veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoekster
wijst af wat verzoekster overigens heeft verzocht.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. Oosterveer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open