Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-07-11
ECLI:NL:RBOBR:2025:4434
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
937 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01-121250-21
Hof parketnummer: 20-002013-22
Uitspraakdatum: 11 juli 2025
Dictum
Beslissing op de vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank betreffende veroordeelde:
[verdachte] ,
geboren te [geboortedag] op [geboortedatum] 1973,
wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te: P.I. Grave,
hierna: veroordeelde,
is niet verschenen.
Veroordeelde is naar behoren opgeroepen, maar niet verschenen. Veroordeelde heeft afstand gedaan van zijn recht om ter terechtzitting aanwezig te zijn.
Het onderzoek ter terechtzitting.
Het onderzoek is gehouden ter openbare terechtzitting van 27 juni 2025.
Daarbij zijn gehoord:
- de officier van justitie mr. T. Kemper;
- de raadsman, mr. A.J. Sprey, advocaat te Amsterdam;
- mevrouw I. Evers, reclasseringswerker;
- mevrouw G. van Zeeland, reclasseringswerker.
Bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 juni 2024 is aan de veroordeelde onder meer opgelegd: een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden waarvan 16 maanden voorwaardelijk, met een aantal bijzondere voorwaarden, en met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht en een proeftijd van 3 jaren.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie van 12 juni 2025.
De vordering van de officier van justitie strekt tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf ten aanzien waarvan bevel was gegeven dat deze
voorwaardelijk niet zou worden tenuitvoergelegd.
De rechtbank heeft bij haar oordeel acht geslagen op de inhoud van het reclasseringsrapport van 3 juni 2025, de toelichting op de terechtzitting van de deskundigen en de standpunten van de officier van justitie en de raadsman.
Procesverloop
Bij beslissing van deze rechtbank van 7 november 2024 is al een gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf bevolen, te weten een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.
De rechter-commissaris heeft op 6 juni 2025 de voorlopige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf bevolen. De rechtbank doet einduitspraak op 11 juli 2025. De rechtbank begrijpt dat daarmee een gedeelte van 265 dagen resteert.
Beoordeling
De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde nagenoeg alle bijzondere voorwaarden langere tijd niet heeft nageleefd. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig.
De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.
Dictum
De rechtbank:
- wijst de vordering toe;
- gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 21 juni 2024, gewezen onder parketnummer 20-002013-22, te weten: 265 dagen gevangenisstraf.
Deze beslissing is gegeven door
mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter,
mr. W.B. Kok en mr. S.S. Arendse, leden,
in tegenwoordigheid van S. Durmuş, griffier,
en is uitgesproken op 11 juli 2025.
De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.