Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-06-25
ECLI:NL:RBOBR:2025:3882
Civiel recht
Bodemzaak
6,332 tokens
Inleiding
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/404211 / HA ZA 24-299
Vonnis van 25 juni 2025
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. R.G.F. Lammers,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
wonende te [woonplaats] , 2. [gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. N.H.M.M. Janssen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 april 2024, met producties 1 tot en met 10, - de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4,- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte van [eisers] met productie 11,
- de akte van [gedaagden] met productie 5,
- de akte van [eisers] met productie 12 tot en met 14.
1.2.
Op 12 mei 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De heer [eiser 1] en mevrouw [eiser 2] zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaat mr. Lammers. De heer [gedaagde 1] en mevrouw [gedaagde 2] zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaat mr. Janssen. Partijen en hun advocaten hebben vragen beantwoord en de standpunten nader toegelicht. De advocaten hebben spreekaantekeningen voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de zitting is besproken.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt uitgesproken.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eisers] en [gedaagden] hebben 14 februari 2024 een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats] (hierna respectievelijk: de koopovereenkomst en de woning). De koopsom bedroeg € 1.350.000,00 kosten koper.
2.2.
[eisers] hebben de koopovereenkomst ontbonden, omdat [gedaagden] tekort zijn geschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de koopovereenkomst. [gedaagden] hebben niet voldaan aan de verplichting uit de koopovereenkomst om een bankgarantie te stellen of een waarborgsom te storten. Op grond van de koopovereenkomst verbeuren [eisers] een boete van 10% als [gedaagden] tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit de koopovereenkomst. [eisers] vorderen daarom in deze procedure betaling van € 135.000,00, te vermeerderen met rente en kosten. [gedaagden] concluderen tot afwijzing van de vordering, omdat de boete volgens hen gematigd moet worden tot nihil gezien de omstandigheden.
2.3.
De rechtbank matigt de boete tot een bedrag van € 6.250,00. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
Op basis van de koopovereenkomst hebben [eisers] in beginsel recht op de boete
2.4.
Partijen zijn in artikel 11.2 van de koopovereenkomst een boetebeding overeengekomen die inhoudt dat de nalatige partij bij ontbinding van de koopovereenkomst op grond van een tekortkoming een boete verschuldigd is van 10% van de koopsom.
2.5.
Het staat tussen partijen vast dat [gedaagden] hebben nagelaten een waarborgsom te storten om een bankgarantie te doen stellen. [gedaagden] zijn daarom tekortgeschoten in de nakoming van deze verplichting uit artikel 5 van de koopovereenkomst. [eisers] hebben de koopovereenkomst om die reden ontbonden bij brief van 28 maart 2024. In diezelfde brief hebben [eisers] de boete van 10% van de koopsom, te weten
€ 135.000,00 opgeëist. [gedaagden] hebben de boete niet voldaan. Nu dat alles niet ter discussie staat, kan de gevorderde boete dan ook in beginsel worden toegewezen.
[gedaagden] beroepen zich op matiging van de boete
2.6.
[gedaagden] hebben de rechtbank gevraagd de gevorderde boete te matigen in verband met de omstandigheden van het geval. De toelichting door [gedaagden] komt op het volgende neer.
Volgens [gedaagden] is er door [eisers] druk uitgeoefend om de koopovereenkomst aan te gaan. Dit vond plaats in de periode dat mevrouw [gedaagde 2] hoogzwanger was. Dit heeft geleid tot veel stress en spanning, waardoor [gedaagden] omwille van de gezondheid en het welzijn van moeder en kind hebben gekozen om af te zien van de koop. Ook werden [gedaagden] niet bijgestaan door een makelaar. Verder is er tijdens de kraamweken onnodig conservatoir beslag gelegd op de woning van [gedaagden] die aan hun huisadres is betekend in plaats van aan het adres van hun advocaat. Daarnaast is de fout niet zodanig ernstig dat deze de hoge boete rechtvaardigt en staat de boete in zijn geheel niet in verhouding tot de werkelijk door [eisers] geleden schade, want die is volgens [gedaagden] nihil. Dit blijkt uit de situatie dat de woning kort na de ontbinding van de koopovereenkomst aan een derde is verkocht voor dezelfde prijs. Daarnaast gaat het om een standaard boetebeding uit een koopovereenkomst waarover niet is onderhandeld en zal het toewijzen van de volledige boete bij [gedaagden] leiden tot financiële problemen. Verder staat volledige toewijzing de financiering van een nieuwe woning, die zij nodig hebben in verband met de gezinsuitbreiding, in de weg.
2.7.
[eisers] stellen zich op het standpunt dat matiging niet aan de orde is omdat partijen de boete zijn overeengekomen. Ter zitting hebben [eisers] verklaard dat enige matiging wel recht doet aan de situatie, maar dat zij het [gedaagden] ook kwalijk nemen dat de koopovereenkomst lichtvaardig is aangegaan en dat de gehele situatie hen stress en kopzorgen heeft bezorgd. Het kan volgens [gedaagden] niet zo zijn dat men daar zomaar mee weg komt; ook als er nauwelijks werkelijke schade is geleden (wie zijn billen brandt, moet op de blaren moet zitten).
De maatstaf
2.8.
In artikel 6:94 lid 1 BW is bepaald dat de rechter op verlangen van de schuldenaar, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, de bedongen boete kan matigen, met dien verstande dat hij de schuldeiser ter zake van de tekortkoming niet minder kan toekennen dan de schadevergoeding op grond van de wet.
2.9.
Het is vaste jurisprudentie dat de rechter terughoudend dient te zijn bij de toepassing van deze bevoegdheid. Matiging is alleen aan de orde als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638). De omstandigheden van het geval zijn uiteindelijk beslissend en niets verhindert de rechter gewicht toe te kennen aan de hoedanigheid van partijen, zoals het zijn van particulier (HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4986). Ook de omstandigheden waaronder de tekortkoming tot stand kwam, zijn van belang (MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 326).
2.10.
Daarbij dient niet alleen acht te worden geslagen op het vermogensrechtelijk belang dat de schuldeiser heeft bij nakoming, maar ook de schadefixerende en aansporende functie van het beding. Het boetebeding wordt vaak immers – mede – opgenomen omdat het belang van de schuldeiser bij nakoming niet op geld waardeerbaar is (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 november 2024 ECLI:NL:GHSHE:2024:3614).
De rechtbank beoordeelt hieronder de vier aspecten die naar haar oordeel leiden tot een matiging van de boete in dit geval:1) De aard van de overeenkomst en de inhoud en de strekking van het boetebeding
2) De beperkte werkelijke schade
3) Omstandigheden waaronder het boetebeding is ingeroepen
4) De omstandigheden waaronder de tekortkoming tot stand kwam.
Het eerste aspect: De aard van de overeenkomst en de inhoud en de strekking van het boetebeding
2.11.
Het boetebeding van 10% van de koopsom als boete, die verschuldigd is in geval van ontbinding ten gevolge van een toerekenbare tekortkoming, is in koopovereenkomsten van onroerende zaken tussen particulieren gebruikelijk en vrij algemeen bekend. Deze boete wordt al sinds jaar en dag gebruikt in de modelkoopakte van de NVM, waar ook partijen gebruik van hebben gemaakt. Deze boetebepaling is zoals [eisers] terecht opmerkt opgenomen in de koopovereenkomst met onder andere het doel om nakoming van de verplichtingen uit de koopovereenkomst te verzekeren. Daarnaast heeft de boetebepaling een schadefixerende functie, omdat het belang van de verkoper bij nakoming niet altijd op geld waardeerbaar is.
2.12.
Tussen partijen is niet in geschil dat de koopovereenkomst is opgesteld aan de hand van de daarvoor gebruikelijke standaard, inclusief het boetebeding, en dat over het boetebeding niet is onderhandeld of dat daar expliciet naar is verwezen bij de totstandkoming van de koopovereenkomst.
Dictum
De rechtbank
3.1.
veroordeelt [gedaagden] € 6.250,00 aan [eisers] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 15 maart 2024 tot de dag van volledige betaling,
3.2.
verklaart [gedaagden] niet-ontvankelijk in de vordering tot opheffing van het beslag,
3.3.
wijst af het meer of anders gevorderde,
3.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025.
Beoordeling
Daar komt bij dat het hier gaat om één boetebeding dat geldt voor uiteenlopende soorten tekortkomingen; het boetebeding is dus niet specifiek toegespitst of afgestemd op een bepaalde tekortkoming of categorie van tekortkomingen.
Het tweede aspect: De werkelijke schade is beperkt
2.13.
Partijen zijn in de koopovereenkomst een koopsom van € 1.350.000,00 overeengekomen. De levering van de woning was overeengekomen op 1 augustus 2024, dus op die dag zou ook de betaling aan [eisers] plaatsvinden. Uit de stukken die ten behoeve van de mondelinge behandeling in het geding zijn gebracht, blijkt dat de woning op 5 april 2024 opnieuw is verkocht aan een derde voor dezelfde koopsom. De uiteindelijke datum van levering was 19 augustus 2024 (onweersproken). Dat betekent dat [eisers] slechts één week na de ontbinding van de koopovereenkomst met [gedaagden] de woning alsnog hebben verkocht en 19 dagen later dan afgesproken met [gedaagden] de woning aan de derde hebben geleverd en de koopsom hebben ontvangen (onweersproken). Met inachtneming van de bedenktermijn van drie dagen, waren [eisers] nog geen twee weken na de ontbinding zeker van verkoop van de woning voor dezelfde prijs met een vergelijkbare termijn voor de levering (19 dagen verschil).
2.14.
[eisers] hebben daarnaast niet concreet gesteld dat zij door de tekortkoming van [gedaagden] (en de daaropvolgende vertraging van de verkoop) schade hebben geleden. Ter zitting hebben zij ook verklaard dat zij weinig schade hebben (de materiële schade is beperkt tot de vertraging van 19 dagen in de ontvangst van de koopsom). De rechtbank acht het tegen deze achtergrond aannemelijk dat [eisers] door de vertraging wel enige schade heeft geleden. De werkelijke schade zal worden geschat door aan te sluiten bij het rendement dat [eisers] in redelijkheid hadden kunnen behalen over de koopsom in de periode van 19 dagen. De woning is immers 19 dagen later geleverd en [eisers] hebben de koopsom daarom 19 dagen later ontvangen. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij het percentage van de wettelijke rente in de periode augustus 2024, zijnde 7% per jaar. Dit komt op een bedrag van ongeveer € 4.914,00. De rechtbank schat in de context van de matiging van de boete de werkelijke schade daarom op dit bedrag.
Het derde aspect: Omstandigheden waaronder het boetebeding is ingeroepen
2.15.
Over de omstandigheden waaronder het boetebeding is ingeroepen hebben [gedaagden] gesteld dat [eisers] niet in onzekerheid hebben verkeerd over de vraag of de woning verkocht zou worden. Vanaf het begin waren er namelijk meerdere belangstellenden voor de woning. Volgens [eisers] waren er geen andere potentiële kopers. Er is door [gedaagden] voldoende onderbouwd door verwijzing naar WhatsApp-berichten van [eisers] in de periode rondom het sluiten van de koopovereenkomst dat er meerdere potentiële kopers waren. Zo schrijft de heer [eiser 1] op 14 februari 2024: “er zijn weer nieuwe gegadigden die ik nu afwimpel”. Het feit dat er binnen zeer korte periode na de ontbinding een koopovereenkomst met een derde is gesloten, duidt er ook op dat er meerdere belangstellenden waren waarmee [eisers] in gesprek waren. Dit wordt ook bevestigd door de stelling van [eisers] dat zij de woning aan [gedaagden] gegund zouden hebben. Dit brengt met zich mee dat het belang van nakoming door [gedaagden] minder groot was, omdat [eisers] wisten dat zij waarschijnlijk de woning snel alsnog zouden verkopen, zoals ook is gebeurd.
Het vierde aspect: De omstandigheden waaronder de tekortkoming tot stand kwam
2.16.
De rechtbank dient daarnaast de door [gedaagden] gestelde omstandigheden omtrent hun tekortkoming mee te wegen. Ten eerste is gesteld dat mevrouw [gedaagde 2] in de periode van het sluiten van de koopovereenkomst hoogzwanger was. Zij was op 30 maart 2024 uitgerekend. Volgens [gedaagden] hebben [eisers] in die periode druk op hen uitgeoefend om de koopovereenkomst aan te gaan, wat bij hen leidde tot veel stress en spanning. In die periode hebben [gedaagden] ook een nacht in het ziekenhuis verbleven voor controles rondom de baby en was de bevalling spannend in verband met een verlaagde hartslag van de baby. Volgens [eisers] is niet gebleken dat er sprake was van een problematische zwangerschap en dat de stress en spanning het gevolg waren van het contact tussen partijen rondom de koop van de woning.
2.17.
De rechtbank oordeelt dat door [gedaagden] onvoldoende is onderbouwd dat [eisers] zodanige druk op hen hebben uitgevoerd dat dit de medische complicaties tijdens de zwangerschap heeft veroorzaakt. Door [gedaagden] is daarentegen wel voldoende onderbouwd dat er sprake was van stress en spanning rondom de koop van de woning en complicaties rondom de zwangerschap. Hierdoor hebben [gedaagden] naar het oordeel van de rechtbank niet goed weten te communiceren richting [eisers] [gedaagden] hebben namelijk een aantal malen expliciet toegezegd de waarborgsom te zullen storten en daarmee te voldoen aan de verplichtingen uit de koopovereenkomst. Dat dit uiteindelijk niet is gebeurd, heeft volgens [gedaagden] te maken met de oplopende stress en spanning. De rechtbank is het hiermee eens. Hierdoor kwamen de gezondheid en het welzijn van moeder en kind zodanig in het gedrang, dat afzien van de koop voor [gedaagden] de enige uitweg was; dat was volgens de rechtbank een begrijpelijke keuze van [gedaagden] in deze context. Onder deze omstandigheden hebben [gedaagden] beslissingen genomen die wellicht niet geheel rationeel zijn en is het voorgekomen dat er niet goed is gecommuniceerd. [gedaagden] hadden daar in de visie van de rechtbank een valide reden voor door de zorgen en gespendeerde tijd rondom de zwangerschap en de bevalling. Dit is weliswaar een situatie die [eisers] niet te verwijten is, zoals [eisers] terecht melden, maar het is ook een omstandigheid die bij de beoordeling van het matigingsverweer meeweegt, temeer omdat de zwangerschap bekend was bij [eisers]
2.18.
De rechtbank overweegt daarbij dat [gedaagden] , zoals zij onvoldoende weersproken hebben onderbouwd, niet onwelwillend waren om te voldoen aan de verplichtingen uit de koopovereenkomst. [gedaagden] wilden de woning echt aankopen en uit niets is gebleken dat dat niet zo is. [gedaagden] zijn er alleen vanwege de genoemde omstandigheden niet in geslaagd om tijdig de waarborgsom te storten, zo stelt de rechtbank als onvoldoende onweersproken vast.
2.19.
Nadat [eisers] de koopovereenkomst hadden ontbonden, heeft [gedaagden] daarnaast contact opgenomen om met hen in gesprek te gaan (via advocaten). Hierbij hebben [gedaagden] voorgesteld om de herstelperiode van mevrouw [gedaagde 2] na de bevalling af te wachten. Hierop zijn [eisers] niet ingegaan en binnen vijf weken hebben zij conservatoir beslag gelegd en de dagvaarding van deze procedure uitgebracht. [gedaagden] hebben daardoor niet de kans gehad om in overleg te gaan of afspraken te maken over de koop van de woning of de boete.
De weging van de vier aspecten: De boete wordt gematigd tot € 6.250,00
2.20.
Gezien het bovenstaande oordeelt de rechtbank dat er sprake is van een situatie waarin de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de bedongen boete gematigd wordt. Toekenning van de volledige contractuele boete leidt in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat. De rechtbank neemt daarbij de omstandigheden zoals hiervoor beoordeeld in aanmerking.
2.21.
De rechtbank sluit bij de beoordeling over de matiging van de boete aan bij de uitspraken van het Hof Den Bosch van 28 juni 2022 (ECLI:NL:GHSHE:2022:2092) en van 19 november 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:3614).
Beoordeling
Het hof heeft in deze situaties bij de matiging van de boete aangesloten bij de werkelijke schade die de verkoper heeft geleden en de fixerende en aansporende functie van het beding.
2.22.
De hoogte van de boete, te weten € 135.000,00, is in verhouding tot de geschatte werkelijke schade van ongeveer € 4.914,00, buitenproportioneel. Daarbij komt, zoals hiervoor gemeld, dat er meer potentiële kopers waren en [eisers] van meet af aan een hoge mate van vertrouwen mochten hebben in een snelle verkoop en niet lang in onzekerheid hebben verkeerd of zij hun woning zouden verkopen en voor welke prijs. De schade aan de zijde van [eisers] is daarom zeer beperkt gebleven, zoals hiervoor omschreven. Zij hebben slechts een beperkt belang bij de instandhouding van de volledige boete. De rechtbank oordeelt dat in deze situatie de achtergrond van het boetebeding als prikkel tot nakoming geen grote rol speelde, omdat [gedaagden] de woning graag wilden kopen. Maar zij hebben moeten kiezen om van de koop af te zien door de stress en spanning rondom de zwangerschap en bevalling van hun kindje om de gezondheid en het welzijn van moeder en kind, zoals hiervoor uiteengezet, en de slechte communicatie is hierdoor veroorzaakt. [gedaagden] hebben daarom een zwaarwegend belang bij matiging van de boete.
2.23.
Met inachtneming van de bij de toepassing van artikel 6:94 BW te betrachten terughoudendheid en de onder 2.11-2.22 gemelde omstandigheden, acht de rechtbank het alles overwegende passend dat de boete gematigd wordt tot een bedrag van € 6.250,00, 5% van de boete. [gedaagden] hebben in deze procedure niet althans niet voldoende concreet onderbouwd gesteld dat zij de (gematigde) boete niet kunnen betalen. Voor het overige hebben partijen niets aangevoerd dat tot een ander oordeel leidt.
2.24.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagden] een boete van € 6.250,00 moeten betalen en dat dit deel van de vordering van [eisers] wordt toegewezen.
De wettelijke rente
2.25.
[eisers] vordert de wettelijke rente op basis van artikel 6:119 BW over de hoofdsom vanaf 15 maart 2024. De gevorderde wettelijke rente zal als onweersproken en op de wet gegrond over het bedrag van € 6.250,00 toegewezen worden vanaf 15 maart 2024.
De waarheidsplicht is niet geschonden
2.26.
Volgens [gedaagden] heeft [eisers] haar waarheidsplicht van artikel 21 van het Wetboek van Rechtsvorderingen (hierna: Rv) geschonden door niet bij dagvaarding de informatie over de verkoop van de woning bij het dossier te betrekken. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een schending van artikel 21 Rv, en in elk geval geen schending die behoort te leiden tot gevolgen in dit geval. Een partij hoeft geen feiten aan te reiken in het kader van een bevrijdend verweer (zoals matiging) dat gevoerd zou kunnen worden, ook niet als dat bevrijdend verweer voor de hand ligt. [eisers] heeft tijdig voor de zitting de informatie in het geding gebracht. Er is daarom geen sprake van een schending van artikel 21 Rv die moet leiden tot sancties.
De vordering tot opheffing van het beslag is te laat
2.27.
[gedaagden] heeft ter zitting verzocht om opheffing van het beslag dat rust op de woning van [gedaagden] Dit verzoek betreft een reconventionele vordering en had bij antwoord ingesteld moeten worden. Nu [gedaagden] deze vordering pas ter zitting hebben ingesteld, zijn zij te laat en worden zij niet-ontvankelijk verklaard in deze vordering. De rechtbank merkt daarbij op dat indien [gedaagden] voldoen aan het vonnis, zij kunnen verzoeken tot opheffing van het beslag.
De buitengerechtelijke incassokosten
2.28.
[eisers] vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 2.571,25. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [gedaagden] consumenten zijn. Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eisers] hebben aan [gedaagden] op 28 maart 2024 een aanmaning gestuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In de aanmaning is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagden] Er is in de aanmaning in het geheel geen termijn opgenomen. Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen. De rechtbank merkt hierbij op dat de vordering voor het overgrote deel moet worden afgewezen omdat de toewijsbare hoofdsom een gering deel van de vordering is.
De beslagkosten
2.29.
[eisers] hebben ten laste van [gedaagden] conservatoir beslag gelegd op onroerende zaken en zij vorderen veroordeling van [gedaagden] in de kosten van het beslag. Ingevolge artikel 706 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kunnen de kosten van een beslag worden gevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was.
2.30.
De rechtbank oordeelt dat de beslagkosten niet in redelijkheid zijn gemaakt. [eisers] hebben een bedrag van € 135.000,00 gevorderd, terwijl zij ter zitting zelf hebben aangevoerd dat een flinke matiging op zijn plaats is. Het is daarom niet duidelijk dat [eisers] beslag hadden moeten leggen op de woning van [gedaagden] om zekerheid voor hun vordering te verkrijgen; als [eisers] aanspraak zouden hebben gemaakt op een gematigde boete zoals de rechtbank hier aanneemt, was het wellicht mogelijk onverwijld een minnelijke oplossing te bereiken. Het beslag was in die context en voor een dergelijke beperkte vordering niet nodig. Verder is gebleken dat [gedaagden] al een jaar problemen ondervinden van het beslag, omdat zij niet verder kunnen met de zoektocht naar een nieuwe woning met hun 5 kinderen (onweersproken). Het beslag heeft daarom buitenproportioneel nadeel voor [gedaagden] opgeleverd. De vordering tot vergoeding van de beslagkosten zal om deze redenen worden afgewezen.
De proceskosten
2.31.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.