Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-05-28
ECLI:NL:RBOBR:2025:3837
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,528 tokens
Inleiding
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/411956 / HA ZA 25-74
Vonnis in incident van 28 mei 2025
in de zaak van
MEDICHEM S.A.,
te Barcelona (Spanje),
eisende partij in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
hierna te noemen: Medichem,
advocaat: mr. O.G. Trojan,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. T. van Wijngaarden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 december 2024- de conclusie van [gedaagde] van 5 maart 2025 houdende een bevoegdheidsincident
- de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident van Medichem
- de akte uitlating producties van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
Een korte schets van de hoofdzaak:
2.1.
In de hoofdzaak speelt – kort samengevat en alleen voor zover van belang voor de beoordeling van het incident – het volgende.
Medichem en [gedaagde] zijn actief in de farmaceutische industrie en houden zich daarbinnen bezig met de ontwikkeling en productie van medicijnen. Zij zijn in dat kader in het verleden verschillende samenwerkingen met elkaar aangegaan.
Vanaf eind 2022 tot april 2024 hebben partijen samengewerkt aan een project met betrekking tot de ontwikkeling van een zogenoemde active pharmaceutical ingredient, of API (door partijen aangeduid als “het Relugolix-project”; hierna: het project). Volgens Medichem zou zij voor [gedaagde] een productieproces ontwikkelen voor een API, dat zij vervolgens aan [gedaagde] zou overdragen voor verdere commerciële exploitatie. [gedaagde] zou zich dan in ieder geval richten op de Amerikaanse markt. ierbij
Medichem stelt dat partijen hun samenwerking hebben geformaliseerd in een schriftelijke overeenkomst (de “Tech Transfer Proposal”), die [gedaagde] op 26 april 2023 heeft ondertekend. Partijen zouden volgens Medichem daarnaast nog een aanvullende overeenkomst moeten aangaan (de “Tech Transfer Agreement”), waarin zij bepaalde details van het project verder zouden uitwerken. Partijen hebben over de Tech Transfer Agreement onderhandeld, maar tot ondertekening van deze overeenkomst is het niet gekomen.
Medichem stelt dat [gedaagde] zich op 6 april 2024 heeft teruggetrokken uit het project en dat [gedaagde] toen de samenwerking met betrekking tot de ontwikkeling van de API abrupt heeft beëindigd. Het project was op dat moment volgens Medichem echter al bijna afgerond. Medichem stelt dat zij is achtergebleven met aanzienlijke kosten. Het gaat daarbij in ieder geval om een bedrag van € 1.326.907,- aan research en development-kosten en € 742.713,- aan materiaalkosten.
Medichem stelt in de hoofdzaak dat zij door het handelen van [gedaagde] schade heeft geleden, die [gedaagde] aan haar moet vergoeden. Als grondslag wijst Medichem er daarbij primair op, dat [gedaagde] haar contractuele verplichtingen uit de Tech Transfer Proposal niet volledig is nagekomen (wanprestatie). Subsidiair beroept Medichem zich op schending door [gedaagde] van de precontractuele goede trouw, die [gedaagde] in het kader van de onderhandelingen over de Tech Transfer Agreement in acht had moeten nemen (onrechtmatige daad). Voor beide grondslagen stelt Medichem dat Spaans recht van toepassing is.
De incidentele vordering van [gedaagde] en de grondslag daarvan:
2.2.
[gedaagde] vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van het geschil kennis te nemen.
Volgens [gedaagde] heeft de Nederlandse rechter geen rechtsmacht, omdat partijen de Zwitserse rechter als de exclusief bevoegde rechter hebben aangewezen. Partijen hebben tijdens hun onderhandelingen over het sluiten van de Tech Transfer Agreement een aantal concepten gewisseld. In het laatste (vijfde) concept van die Agreement zijn partijen het er volgens [gedaagde] over eens dat alle geschillen die voortvloeien uit de Tech Transfer Agreement exclusief zullen worden voorgelegd aan het gerecht van Genève, Zwitserland. Dit is een zelfstandig tot stand gekomen forumkeuzeclausule, die op het onderhavige geschil van toepassing is. Dat er over de rest van de Tech Transfer Agreement vervolgens geen overeenstemming is bereikt, doet daar volgens [gedaagde] niets aan af. Volgens [gedaagde] moet de rechtbank zich daarom op grond van artikel 25 van de Verordening Brussel I-bis onbevoegd verklaren.
Verder wijst [gedaagde] erop dat partijen in de Tech Transfer Agreement ook voor de toepasselijkheid van het Zwitserse recht hebben gekozen en dat de rechts- en forumkeuze op elkaar moeten aansluiten ( [gedaagde] duidt dit aan als het “Gleichlauf-beginsel”).
Het verweer van Medichem tegen de incidentele vordering:
2.3.
Medichem verweert zich in het incident onder meer als volgt.
Medichem betwist dat partijen een forumkeuze zijn overeengekomen. Er is op dat punt geen sprake van een schriftelijke overeenkomst of een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst tussen partijen.
De primaire vordering van Medichem in de hoofdzaak ziet bovendien niet op de Tech Transfer Agreement, maar op de door partijen getekende Tech Transfer Proposal. Daarin is geen forumkeuze opgenomen.
De subsidiaire vordering van Medichem ziet weliswaar op de Tech Transfer Agreement, maar de vordering berust op onrechtmatige daad, bestaande uit het onrechtmatig afbreken van precontractuele onderhandelingen en daarmee schending van de goede trouw.
Beoordeling
Het beroep van [gedaagde] op een exclusieve forumkeuze:
3.1.
De vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, moet in deze zaak in beginsel worden beantwoord op grond van de Verordening Brussel I-bis. Ingevolge de hoofdregel van artikel 4 Brussel I-bis is in dit geval de Nederlandse rechter bevoegd. [gedaagde] is immers in Nederland is gevestigd. Van deze hoofdregel moet worden afgeweken, als sprake is van een exclusieve bevoegdheidsregel of van een forumkeuzebeding waarbij een andere rechter bij uitsluiting wordt aangewezen. Van de toepasselijkheid van een exclusieve bevoegdheidsregel is niet gebleken. Wel beroept [gedaagde] zich op het bestaan van een exclusief forumkeuzebeding.
3.2.
Het forumkeuzebeding waar [gedaagde] zich op beroept, wijst de Zwitserse rechter aan als (exclusief) bevoegde rechter. Artikel 25 Verordening Brussel I-bis is op dat forumkeuzebeding niet van toepassing, omdat dat artikel ervan uitgaat dat een gerecht van een lidstaat is aangewezen. Dat is hier niet het geval. De vraag of de door [gedaagde] gestelde forumkeuze leidt tot de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter, moet daarom hier – gelet op de keuze voor de Zwitserse rechter – worden beantwoord aan de hand van EVEX II.
3.3.
De rechtbank begrijpt [gedaagde] aldus, dat zij zich in het kader van haar incidentele vorderingen heeft bedoeld te beroepen op artikel 23 lid 1 onder a EVEX II, dat aangeeft dat een forumkeuzebeding moet worden vastgelegd in een schriftelijke of schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst.
3.4.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het forumkeuzebeding afzonderlijk van een hoofdovereenkomst moet worden beoordeeld. Van een geldig forumkeuzebeding is volgens vaste rechtspraak sprake, als vaststaat dat dit voorwerp was van wilsovereenstemming tussen partijen die duidelijk en nauwkeurig tot uiting is gekomen. Hierbij hebben de in artikel 23 lid 1 onder a, b en c EVEX II gestelde vormvereisten het doel te waarborgen dat die wilsovereenstemming tussen partijen inderdaad bestaat. Naar haar vorm is een forumkeuzebeding geldig indien de wilsovereenstemming tussen partijen tot uitdrukking komt in een schriftelijke of schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst (art. 23 lid 1, aanhef en sub a EVEX II), in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn geworden (art. 23 lid 1, aanhef en sub b EVEX II) of, kort gezegd, in een vorm die in de internationale handel gebruikelijk is (art. 23 lid 1, aanhef en sub c EVEX II). Artikel 23 EVEX II dient autonoom te worden uitgelegd. Gelet op het standpunt van [gedaagde] speelt in dit geval alleen het vormvoorschrift in artikel 23 lid 1 onder a EVEX II een rol.
3.5.
Binnen dit beoordelingskader schieten de stellingen van [gedaagde] tekort. Gedurende de onderhandelingen om te komen tot de Tech Transfer Agreement hebben partijen concepten met elkaar uitgewisseld met daarin een forumkeuzebeding. In een vijfde concept van de Agreement heeft Medichem dat beding kennelijk nog aangepast en daarbij een voorstel gedaan voor de Zwitserse rechter. Uit de stellingen van [gedaagde] volgt echter niet dat zij vervolgens met die specifieke aanpassing heeft ingestemd. Dat [gedaagde] een mededeling van die strekking aan Medichem heeft gericht is niet gesteld of gebleken. Pas in deze incidentele procedure stelt [gedaagde] zich voor het eerst op het standpunt dat partijen over het forumkeuzebeding overeenstemming hebben bereikt.
Daar komt bij dat met het uitwisselen van het vijfde concept van de Tech Transfer Agreement een einde is gekomen aan de onderhandelingen om te komen tot een definitieve overeenkomst. Tussen partijen is niet in geschil dat overeenstemming over alle onderdelen van de Tech Transfer Agreement nooit is bereikt. Die overeenkomst is dan niet tot stand gekomen. Een conceptovereenkomst waarin een forumkeuzebeding is opgenomen levert naar het oordeel van de rechtbank niet een overeenkomst op tot aanwijzing van een bevoegde rechter die voldoet aan de strikte vormvereisten in lid 1 van artikel 23 EVEX II.
Het beroep van [gedaagde] op een forumkeuzebeding kan daarom niet slagen.
Het beroep van [gedaagde] op Gleichlauf:
3.6.
[gedaagde] grondt haar vordering in dit incident ook op de stellingen – samengevat – dat partijen exclusief voor de toepasselijkheid van het Zwitserse recht hebben gekozen en dat het wenselijk en in het belang van een behoorlijke rechtspleging is, wanneer het geschil wordt voorgelegd aan de rechtbanken van de jurisdictie waarvan het recht van toepassing is. Ook op grond van dit zogenaamde Gleichlauf-beginsel, moet de Nederlandse rechter zich volgens [gedaagde] onbevoegd verklaren.
3.7.
De rechtbank kan [gedaagde] hierin niet volgen. Met Medichem is de rechtbank van oordeel dat het Gleichlauf-beginsel geen zelfstandige grond kan vormen voor de exclusieve bevoegdheid van de rechter van het gekozen recht. Het geldende internationale privaatrecht biedt daarvoor geen grondslag.
Gelet hierop hoeft de rechtbank in dit incident niet in te gaan op de vraag welk recht op het geschil van partijen van toepassing is en of partijen in dat kader een geldige rechtskeuze hebben gemaakt (wat [gedaagde] heeft gesteld, maar Medichem heeft weersproken). Voor zover nodig is het aan de rechter in de hoofdzaak om zich daarover te buigen.
De conclusie en de proceskosten:
3.8.
Uit het voorgaande volgt dat de incidentele vorderingen van [gedaagde] moeten worden afgewezen. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) van het incident worden veroordeeld. De proceskosten van Medichem worden begroot op:
- salaris advocaat
€
614,00
(1,00 punten × € 614,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
792,00
Dictum
in het incident:
4.1.
wijst de incidentele vorderingen van [gedaagde] af,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident, aan de zijde van Medichem tot op heden begroot op € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in de hoofdzaak:
4.3.
verwijst de zaak naar de rol van 9 juli 2025 voor conclusie van antwoord,
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2025.
De Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
Het Verdrag van 30 oktober 2007, PbEU 2009, L 147, zoals laatstelijk gewijzigd op 3 maart 2017, PbEU 2017, L 57 (ook genoemd het Verdrag van Lugano 2007).