Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-07-03
ECLI:NL:RBOBR:2025:3318
Civiel recht
Beschikking
4,042 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2025:3318 text/xml public 2026-03-05T13:18:46 2025-06-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2025-07-03 11233571 CV EXPL 24-5211 Uitspraak Beschikking NL Eindhoven Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2025:3318 text/html public 2026-03-05T13:18:08 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2025:3318 Rechtbank Oost-Brabant , 03-07-2025 / 11233571 CV EXPL 24-5211 EPGV, Verordening EG 261/2004. Afwijzing verzoek om financiële compensatie na vertraging vlucht. Deel van vertraging is gevolg van latere (vertrek)tijdslots die zijn opgelegd door luchtverkeersleiding. Meerdere opeenvolgende vluchten uitgevoerd met hetzelfde vliegtuig. Vertraging werkt door naar volgende vlucht(en). Beroep op buitengewone omstandigheid slaagt. Uiteindelijke aankomstvertraging minder dan 3 uur; geen recht op compensatie. Proceskostenveroordeling, artikel 237 Rv. RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Eindhoven Zaaknummer / rekestnummer: 11233571 \ CV EXPL 24-5211 Beschikking van 3 juli 2025 in de zaak van 1 [verzoeker 1] , wonend in [plaats] , 2. [verzoeker 2] , wonend in [plaats] , 3. [verzoeker 3] , wonend in [plaats] , 4. [verzoeker 4] , wonend in [plaats] , 5. [verzoeker 5] , wonend in [plaats] , 6. [verzoeker 6] , wonend in [plaats] , 7. [verzoeker 7] , wonend in [plaats] , 8. [verzoeker 8] , wonend in [plaats] , 9. [verzoeker 9] , wonend in [plaats] , 10. [verzoeker 10] , wonend in [plaats] , 11. [verzoeker 11] , wonend in [plaats] , verzoekers, hierna samen te noemen: Passagiers, gemachtigde: Yource B.V., tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht RYANAIR DAC , gevestigd te Swords, Co. Dublin, Ierland, verweerder, hierna te noemen: Ryanair, gemachtigde: mr. J.J. Croon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het vorderingsformulier A van de Verordening EG 861/2007 met 5 producties, ter griffie ingekomen op 23 juli 2024; - het verweerschrift met 6 producties; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek. 1.2. Daarna is de beschikking bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. Tussen partijen staat het volgende vast. Passagiers hebben voor 7 september 2022 een vlucht geboekt bij Ryanair, met vluchtnummer [nummer] van Malaga (Spanje) naar Eindhoven Airport. 2.2. Deze vlucht is vanwege een vertraging niet geland op Eindhoven Airport, maar heeft moeten uitwijken naar Brussels Airport (België). Passagiers zijn per bus van Brussels Airport naar Eindhoven Airport vervoerd. Zij zijn uiteindelijk met een vertraging van 3 uur en 42 minuten op Eindhoven Airport aangekomen. 3 Het geschil 3.1. Passagiers vorderen – samengevat – veroordeling van Ryanair tot betaling van een bedrag van € 4.400,00 aan compensatie zoals is bedoeld in de artikelen 5 en 7 van de Verordening EG 261/2004 (hierna: de Verordening) en een bedrag van € 683,65 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de compensatie en met de proceskosten. 3.2. Passagiers stellen dat zij op grond van de Verordening en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ EU) recht hebben op een financiële compensatie van in totaal € 4.400,00 (= 11x € 400,00), omdat zij met een vertraging van meer dan 3 uur zijn aangekomen op de luchthaven van bestemming. Van een buitengewone omstandigheid was volgens Passagiers geen sprake. 3.3. Ryanair verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Er is sprake geweest van een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. Op 7 september 2022 hebben voorafgaande vluchten in het vluchtschema van hetzelfde vliegtuig als het vliegtuig voor de vlucht van Passagiers, vlucht [nummer] , namelijk te maken gehad met aanpassingen in de tijdslots die zijn opgelegd door de luchtverkeersleiding (Eurocontrol). De vertraging van vlucht [nummer] is deels daardoor ontstaan. Vlucht [nummer] moest vanwege de opgelopen vertraging als gevolg van de opgelegde latere (vertrek)slot-maatregelen, congestie in de afhandeling van vluchten op Eindhoven Airport en de strikte avondklok die geldt voor Eindhoven Airport uitwijken naar Brussels Airport. Ryanair had geen controle over de buitengewone omstandigheid van het aanpassen van de tijdslots. De vertraging kon ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet worden voorkomen en de vertraging is zoveel mogelijk beperkt door het uitwijken naar Brussels Airport en het vervoer per bus naar Eindhoven Airport, aldus Ryanair. Verder betwist Ryanair dat zij – vanwege de betwisting van de hoofdsom –wettelijke rente is verschuldigd. 3.4. Ryanair komt tot de conclusie dat Passagiers niet ontvankelijk zijn in hun vordering(en), althans dat de vorderingen van Passagiers moet worden afgewezen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van Passagiers in de kosten van de procedure (inclusief nakosten). 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De kantonrechter stelt vast dat de vordering binnen het toepassingsbereik van de Europese procedure voor geringe vorderingen valt. 4.2. De Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van het geschil. Meer specifiek is, gelet op het Rehder-arrest (HvJ EU, 9 juli 2009, C-204/08, ECLI:EU:C:2009:439) de kantonrechter te Eindhoven bevoegd, omdat de overeengekomen plaats van aankomst van vlucht [nummer] Eindhoven is. 4.3. Het recht op compensatie overeenkomstig artikel 7 van de Verordening heeft tot doel een tijdsverlies van ten minste drie uur te compenseren. Bij de beoordeling of Passagiers recht hebben op een financiële compensatie als bedoeld in de Verordening is gelet op het Sturgeon-arrest (HvJ EU, 19 november 2009, gevoegde zaken C-402/07 en C-432/07, ECLI:EU:C:2009:716) dus van belang of in dit geval sprake is van een vertraging van ten minste drie uur. De kantonrechter overweegt het volgende. 4.4. De vlucht van Passagiers is omgeleid en niet geland op de luchthaven waarvoor was geboekt (Eindhoven Airport), maar op een andere luchthaven (Brussels Airport). Die luchthaven bedient naar het oordeel van de kantonrechter voor een belangrijk deel dezelfde regio als de luchthaven waarvoor was geboekt. In het Austrian Airlines-arrest (HvJ EU, 22 april 2021, C-826/19, ECLI:EU:C:2021:318) is onder meer bepaald dat in dergelijke gevallen bij het bepalen van de duur van de vertraging bij aankomst moet worden uitgegaan van het tijdstip waarop de passagier na aanvullend vervoer de luchthaven waarvoor was geboekt daadwerkelijk heeft bereikt. Passagiers hebben onweersproken gesteld dat zij met een totale vertraging van 3 uur en 42 minuten zijn aangekomen op hun eindbestemming, Eindhoven Airport. 4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat de (aankomst)vertraging van vlucht [nummer] te wijten is aan drie verschillende gebeurtenissen. Passagiers en Ryanair verschillen van mening over de vraag in hoeverre de vertraging bij aankomst te wijten is aan een buitengewone omstandigheid. 4.6. Beoordeeld moet worden of Ryanair terecht een beroep doet op artikel 5 lid 3 van de Verordening. Vooropgesteld wordt dat de Passagiers in het onderhavige geval, op grond van artikel 6 lid 1 sub b van de Verordening, in beginsel recht hebben op de in artikel 7 van de Verordening genoemde compensatie van (in dit geval) € 400,- per persoon. De luchtvervoerder is echter niet verplicht de compensatie te betalen als sprake is van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. 4.7. Het HvJ EU heeft twee cumulatieve voorwaarden ontwikkeld voor de kwalificatie van gebeurtenissen als buitengewone omstandigheden (zie hierover onder meer het Wallentin-Hermann-arrest: HvJ EU, 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771): a) een gebeurtenis mag vanwege haar aard of oorsprong niet inherent zijn aan de normale uitoefening van de activiteit van de betrokken luchtvaartmaatschappij; en b) de luchtvaartmaatschappij kan hierop geen daadwerkelijke invloed uitoefenen wegens de aard of de oorsprong van die gebeurtenis.
Volledig
Het gaat hierbij om “externe” gebeurtenissen als gevolg van een natuurverschijnsel of een handeling van een derde. Deze voorwaarden heeft het HvJ EU in zijn gehele rechtspraak consequent toegepast. Aan de hand van deze voorwaarden moet van geval tot geval worden beoordeeld of sprake is van een buitengewone omstandigheid. 4.8. Ryanair heeft in haar verweerschrift (nader toegelicht bij conclusie van dupliek) verklaard dat zij zich enkel ten aanzien van de vertraging vanwege de opgelegde latere (vertrek)tijdslots beroept op (de gevolgen van) een buitengewone omstandigheid. De kantonrechter neemt dit dan ook tot uitgangspunt bij de beoordeling. 4.9. Ryanair heeft voldoende onderbouwd dat de luchtverkeersleiding ten aanzien van de vlucht van Passagiers latere (vertrek)tijdslots heeft opgelegd en dat die gebeurtenis niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteit van Ryanair als betrokken luchtvaartmaatschappij. Aan de voorwaarde onder a) is dus voldaan. Ook aan de voorwaarde onder b) is in dit geval gedaan. Het opleggen van (vertrek)tijdslots is voorbehouden aan de luchtverkeersleiding en dergelijke beslissingen moeten worden opgevolgd door luchtvaartmaatschappijen. Daarom heeft Ryanair geen invloed kunnen uitoefenen op deze gebeurtenis. 4.10. Van belang is dat Ryanair, om te worden vrijgesteld van het betalen van compensatie op grond van de Verordening, niet alleen het bestaan van buitengewone omstandigheden moet aantonen, maar ook het causale verband tussen deze omstandigheden en (in dit geval) de vertraging. 4.11. Ter onderbouwing van haar stelling dat de aangepaste latere (vertrek)tijdslots mede hebben geleid tot de opgelopen vertraging heeft Ryanair onder meer de “daily movement sheet van 09072022” overgelegd en daarop een korte, schriftelijke toelichting gegeven. Hieruit blijkt onder meer dat in dit geval sprake was van meerdere opeenvolgende vluchten met hetzelfde vliegtuig, dat de afgegeven (vertrek)tijdslots voor elk van deze vluchten (meermaals) zijn aangepast naar latere momenten en dat de ontstane vertragingen in de (vertrek- en) aankomsttijden van de opeenvolgende vluchten mede het gevolg zijn van de opgelegde latere tijdslots. Passagiers hebben, voor zover in dit kader van belang, niets ingebracht tegen de “daily movement sheet van 09072022” en de toelichting daarop. 4.12. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit het overzicht en de toelichting daarop het verband tussen de omstandigheden en de vertraging. Ryanair heeft daarmee voldoende onderbouwd dat in dit geval sprake is van buitengewone omstandigheden die gevolgen hebben gehad voor de vluchtuitvoering en die hebben geleid tot (een deel van de) vertraging van vlucht [nummer] , namelijk een vertraging van 23 minuten. 4.13. Ryanair kon de vertraging, voor zover die te wijten is aan de opgelegde latere (vertrek)tijdslots, niet voorkomen. Het opleggen van dergelijke tijdslots is namelijk voorbehouden aan de luchtverkeersleiding. Verder heeft Ryanair in dit geval voldoende onderbouwd dat zij alle redelijke maatregelen heeft genomen. Ryanair heeft onweersproken gesteld dat zij de passagiers van vlucht [nummer] , waaronder ook Passagiers, per bus van Brussels Airport naar Eindhoven Airport heeft vervoerd, zodat Passagiers met een zo beperkt mogelijke vertraging op de luchthaven van de eindbestemming zijn aangekomen. Onbetwist is ook dat dit de snelste mogelijkheid is. 4.14. De conclusie is dat Ryanair een geslaagd beroep kan doen op artikel 5 lid 3 van de Verordening, voor zover de opgelopen vertraging het gevolg is van de latere tijdslots zoals die op 7 september 2022 door de luchtverkeersleiding aan haar vluchten zijn opgelegd. 4.15. Uit het TAP-arrest (HvJ EU, 11 juni 2020, C-74/19, ECLI:EU:C:2020:460) volgt onder meer dat de luchtvaartmaatschappij zich onder omstandigheden ook kan beroepen op een buitengewone omstandigheid die gevolgen heeft gehad voor een eerdere vlucht die zij heeft uitgevoerd met hetzelfde vliegtuig. Daarvoor is nodig dat er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen deze omstandigheid en de vertraging van de volgende vlucht. 4.16. Uit de stellingen van Ryanair begrijpt de kantonrechter dat de vlucht van Passagiers, vlucht [nummer] , is uitgevoerd op basis van een vluchtschema (een bepaalde planning). Daarbij zijn met hetzelfde vliegtuig meerdere opeenvolgende vluchten uitgevoerd van en naar Malaga en heeft de opgelopen vertraging tijdens de eerste en de tweede vlucht rechtstreeks gevolgen voor de vertrek- en aankomsttijden van de derde vlucht, de vlucht van Passagiers. Dit blijkt ook uit de door Ryanair als productie 1 bij verweerschrift overgelegde en niet als zodanig betwiste ‘daily movement sheet’. Op basis van dit document stelt de kantonrechter vast dat de eerste vlucht uit het vluchtschema (Malaga – Lissabon) is vertraagd en dat die vertraging mede het gevolg was van een opgelegd later (vertrek)tijdslot. Door deze verlate aankomst van het vliegtuig kon ook de tweede vlucht (Lissabon – Malaga) niet op tijd vertrekken. Ook deze tweede vlucht had vervolgens te maken met een aangepast, later vertrektijdslot en (dus) ook met een latere aankomsttijd in Malaga. Op het tijdstip waarop de tweede vlucht in Malaga aankwam, had het vliegtuig volgens de planning alweer vertrokken moeten zijn; ditmaal van Malaga naar Eindhoven (de derde vlucht, [nummer] ). 4.17. Het voorgaande brengt met zich mee dat in dit geval sprake is van een rechtstreeks causaal verband tussen de opgelegde latere tijdslots en de vertraging(en) van de opvolgende vlucht(en). De vertraging van de vlucht van Passagiers ( [nummer] ) bestaat voor in totaal (14+13+23 =) 50 minuten uit vertraging die het gevolg is van de latere tijdslots die zijn opgelegd aan de drie betrokken vluchten. 4.18. Uit het Pesková-arrest (HvJ EU, 4 mei 2017, C-315/15, ECLI:EU:C:2017:342 volgt onder meer dat bij een aankomstvertraging van drie uur of meer waarbij die vertraging gedeeltelijk te wijten was aan een gebeurtenis die kan worden aangemerkt als een buitengewone omstandigheid en gedeeltelijk aan een andere oorzaak, de vertraging die te wijten is aan de buitengewone omstandigheid moet worden afgetrokken van de totale vertraging van de betrokken vlucht. 4.19. Tussen partijen staat vast dat Passagiers met een vertraging van 3 uur en 42 minuten zijn aangekomen op de overeengekomen plaats van bestemming: Eindhoven Airport. Van die vertraging mag de vertraging die het gevolg is van buitengewone omstandigheden worden afgetrokken. Dit betekent in dit geval dat 50 minuten in mindering mogen worden gebracht op de vertraging van 3 uur en 42 minuten. Het gevolg is dat de uiteindelijke (aankomst)vertraging van de vlucht van Passagiers 2 uur en 52 minuten, althans minder dan 3 uur, bedraagt. Passagiers kunnen dan ook geen aanspraak maken op een bedrag ter compensatie overeenkomstig artikel 7 (lid 1, onder b) van de Verordening. De gevorderde compensatie van in totaal € 4.400,00 is niet toewijsbaar. Gelet daarop zullen ook de vorderingen met betrekking tot de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. 4.20. Dat wat partijen verder nog hebben aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel en een andere beslissing en behoeft daarom geen (nadere) bespreking. 4.21. De kantonrechter overweegt dat de partij die in het ongelijk wordt gesteld, in beginsel in de proceskosten wordt veroordeeld. Daarbij kunnen de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt voor rekening worden gelaten voor de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte (artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Passagiers stellen onweersproken dat Ryanair nodeloos kosten voor hen heeft veroorzaakt door pas in deze procedure (en niet in de buitengerechtelijke fase) feitelijke informatie te verschaffen over de betreffende vlucht. 4.22. Dit betoog van Passagiers slaagt. Het had op de weg van Ryanair gelegen om in de buitengerechtelijke fase reeds de (juiste) informatie inclusief onderbouwing daarvan aan Passagiers kenbaar te maken, zodat Passagiers hun procespositie konden inschatten.