Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-06-10
ECLI:NL:RBOBR:2025:3296
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,888 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/3801
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. N.C.A. Elias-Boots),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van het dagloon van zijn uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.1.
Met het besluit van 4 juli 2024 heeft het UWV beslist dat eiser per 14 mei 2024 recht heeft op een WIA-uitkering met een dagloon van € 133,06.
1.2.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3.
Met het besluit van 25 september 2024 (het bestreden besluit) is het UWV bij de vaststelling van het dagloon gebleven.
1.4.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.5.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 15 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn moeder, en de gemachtigde van het UWV.
Feiten
2. Eiser was vanaf januari 2022 werkzaam als distributie engineer bij [naam bedrijf] B.V. ([naam bedrijf]). Op 17 mei 2022 heeft hij zich ziekgemeld voor dit werk. Op 19 februari 2024 heeft eiser, na het doorlopen van de wachttijd, een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend. Dit heeft geleid tot de besluitvorming zoals genoemd onder “inleiding”.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of het WIA-dagloon van eiser op de juiste wijze is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Dat wil zeggen dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Standpunten van partijen
5. Het UWV stelt zich op het standpunt dat hij het dagloon juist heeft vastgesteld. Het dagloon wordt berekend over de periode van één jaar eindigend op de laatste dag van het laatste aangiftetijdvak voor iemand ziek werd (de referteperiode). In de situatie van eiser wordt het loon berekend over de periode van 1 mei 2021 tot en met 30 april 2022. Het UWV beschouwt eiser niet als starter, omdat eiser in de referteperiode inkomsten had van [naam bedrijf] B.V. (hierna: [naam bedrijf]) en [naam bedrijf] N.V. (hierna: [naam bedrijf]). Het UWV is van mening dat de vaststelling van het WIA-dagloon niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
6. Eiser is het hier niet mee eens. Volgens hem had het UWV toepassing moeten geven aan de startersregeling en als gevolg daarvan het dagloon alleen moeten baseren op de laatstverdiende inkomsten bij [naam bedrijf]. Het dienstverband bij [naam bedrijf] betreft een stage met een daarbij behorende stagevergoeding en het dienstverband bij [naam bedrijf] betreft een bijbaantje bij het bedrijf van zijn vader. Pas toen eiser per januari 2022 bij [naam bedrijf] is gaan werken, betrad hij voor het eerst echt de arbeidsmarkt. Verder voert eiser aan dat de gevolgen van het besluit voor hem onevenredig nadelig uitpakken. Door zijn lage WIA-uitkering kan hij zijn lasten niet meer betalen. Eiser heeft in dit verband verwezen naar de ‘Knelpuntenbrief’ van 3 juni 2021 van het UWV aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waarin het UWV aan de orde stelt dat er situaties zijn waarin burgers door de manier waarop het dagloon wordt berekend in de knel komen.
Zijn de inkomsten uit werkzaamheden voor DAF en HABO aan te merken als loon?
7. In deze zaak is de vraag aan de orde of het UWV bij de berekening van het dagloon van eiser terecht de inkomsten die hij heeft ontvangen tijdens zijn stage bij [naam bedrijf] en zijn werkzaamheden bij [naam bedrijf] heeft aangemerkt als SV-loon in de zin van artikel 14 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (het Dagloonbesluit).
7.1.
Over de stagevergoeding van [naam bedrijf] overweegt de rechtbank het volgende. Hiervoor is van belang of het UWV de verhouding tussen eiser en [naam bedrijf] terecht heeft aangemerkt als een zogenoemde fictieve dienstbetrekking als omschreven in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964). Eiser heeft inkomsten ontvangen op grond van een stageovereenkomst bij [naam bedrijf], in het kader van zijn studie. De werkzaamheden waren daarmee gericht op zijn ontwikkeling en dus op het verwerven van vakbekwaamheid. Vervolgens moet gekeken worden of de vergoeding die eiser kreeg niet slechts een onkostenvergoeding was, maar terecht is aangemerkt als SV-loon. Eiser ontving een bedrag van € 450 per maand voor zijn stage. Dat is (veel) meer dan alleen een onkostenvergoeding en dat brengt de rechtbank tot het oordeel dat het UWV de verhouding tussen eiser en [naam bedrijf] terecht heeft aangemerkt als een zogenoemde fictieve dienstbetrekking in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder 3, van de Wet LB 1964. De stagevergoeding is dus terecht aangemerkt als SV-loon.
7.2.
Eiser heeft in het eerste aangiftetijdvak van de referteperiode ook inkomsten genoten uit het dienstverband met [naam bedrijf]. Dat [naam bedrijf] het bedrijf van de vader van eiser is en dat eiser een vergoeding in natura in de vorm van het gebruik van een auto heeft ontvangen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de inkomsten niet als SV-loon zijn aan te merken. Het loon in natura is namelijk in geld gewaardeerd en is toegevoegd aan het SV-loon. Dat volgt ook uit de polis-administratie waarin het loon is opgenomen.
7.3.
Gelet op het voorgaande heeft het UWV de stagevergoeding bij [naam bedrijf] en de inkomsten uit het dienstverband bij [naam bedrijf] terecht aangemerkt als SV-loon. Dat betekent dat eiser vanaf de aanvang van de referteperiode loon heeft genoten.
Heeft het UWV eiser terecht niet aangemerkt als ‘starter’ in de zin van artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit?
8. Eiser vindt dat het UWV hem had moeten aanmerken als starter omdat zijn dienstverband bij [naam bedrijf] feitelijk zijn eerste serieuze baan op de arbeidsmarkt is.
8.1.
Uit artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit volgt dat de werknemer enkel als starter kan worden aangemerkt als hij in het eerste aangiftetijdvak van de referteperiode geen loon heeft genoten. Het is daarnaast vaste rechtspraak dat de begrippen ‘starter’ en ‘herintreder’ zoals omschreven in artikel 18 van het Dagloonbesluit restrictief moeten worden uitgelegd. Uit die rechtspraak volgt ook dat degene die in het eerste tijdvak van de referteperiode inkomsten heeft genoten die als loon aangemerkt worden, geen beroep kan doen op de startersregeling.
8.2.
De rechtbank oordeelt dat het UWV eiser op juiste gronden niet als starter heeft aangemerkt. Volgens normaal spraakgebruik is eiser misschien wel te beschouwen als een starter, maar de wetgever heeft een specifieke definitie aan het begrip starter gegeven en eiser voldoet daar niet aan. Vast staat dat eiser in het eerste aangiftetijdvak van de referteperiode inkomsten heeft genoten uit de dienstverbanden met [naam bedrijf] en [naam bedrijf]. Gelet op de restrictieve uitleg van het begrip starter is eiser daarom niet aan te merken als starter in de zin van artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit.
Pakt het besluit onevenredig nadelig uit voor eiser?
9. Eiser heeft aangevoerd dat de gevolgen van het besluit voor hem onevenredig nadelig uitpakken. Doordat de startersregeling niet wordt toegepast, ligt zijn inkomen nu veel lager dan het inkomen dat hij bij [naam bedrijf] verdiende. Gelet op zijn medische toestand kan dit nog geruime tijd zo blijven. Door de lage WIA-uitkering kan eiser zijn vaste lasten niet meer betalen. Eiser heeft dat onderbouwd met bankafschriften en een overzicht van zijn vaste lasten. Dit heeft ertoe geleid dat eiser financieel afhankelijk van anderen is geworden en dit zorgt voor lichamelijke en psychische klachten. Eiser beroept zich op eerdere uitspraken van rechtbanken waarin is geoordeeld dat de uitwerking van het Dagloonbesluit onevenredig nadelige gevolgen heeft gehad.
9.1.
Met het bestreden besluit heeft het UWV toepassing gegeven aan artikel 16 van het Dagloonbesluit. Het Dagloonbesluit is een algemeen verbindend voorschrift. In de uitspraak van 26 maart 2024 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) overwogen dat bij de rechtstreekse toetsing van een wettelijk gebonden besluit dat steunt op een algemeen verbindend voorschrift, al door de wetgever een belangenafweging is verricht. Daarom is de evenredigheid in beginsel gegeven. Dit kan enkel anders zijn als er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de toepassing van het voorschrift in het specifieke geval onevenredig is, maar daarbij gaat het dan alleen nog om de evenwichtigheid. De rechter beoordeelt of het besluit onevenwichtig is, waarbij de toetsing is of het in de gegeven omstandigheden voor de belanghebbende onredelijk bezwarend is.
9.2.
De omstandigheden die eiser noemt, hoe invoelbaar die ook zijn, leiden er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat het bestreden besluit onevenwichtig is.
Conclusie
10. Het beroep is dus ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom geen proceskostenvergoeding en krijgt ook het griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van mr. M.P. Kool, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 10 juni 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:956.
Rechtbank Gelderland 9 november 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:5972 en rechtbank Midden-Nederland 11 maart 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:1634.
College van Beroep voor het bedrijfsleven 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.
Zie in dit verband bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2022:2458, ECLI:NL:CRVB:2025:602, ECLI:NL:CRVB:2025:605.