Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-04-23
ECLI:NL:RBOBR:2025:3233
Civiel recht
Bodemzaak
1,624 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel Recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/376481 / HA ZA 21-789
Vonnis in incident van 23 april 2025
in de zaak van
wonende te [woonplaats] ,
1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats] ,
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats] ,
3. [eiser 3],
wonende te [woonplaats] ,4. [eiser 4],
wonende te [woonplaats] ,
5. [eiser 5],
wonende te [woonplaats] ,
6. [eiser 6],
wonende te [woonplaats] ,
7. [eiser 7],
wonende te [woonplaats] ,
eisers in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
hierna samen te noemen: de erfpachters,
advocaat mr. M.J.A. Verhagen te Eindhoven,
tegen
LANDGOED DE STILLE WILLE B.V.,
gevestigd te Arnhem,
gedaagde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
hierna te noemen: LSW,
advocaat mr. T.E.P.A. Lam te Nijmegen,
en
1 [gedaagde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [gedaagde 3],
wonende te [woonplaats] ,
3. [gedaagde 4],
wonende te [woonplaats] ,
4. [gedaagde 5],
wonende te [woonplaats] ,
5. [gedaagde 6],
wonende te [woonplaats] ,
6. [gedaagde 7],
wonende te [woonplaats] ,
7. [gedaagde 8],
wonende te [woonplaats] ,
8. [gedaagde 9],
wonende te [woonplaats] ,
9. [gedaagde 10],
wonende te [woonplaats] ,
10. [gedaagde 11],
wonende te [woonplaats] ,
eisers in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat mr. M.J.A. Verhagen te Eindhoven.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 5 februari 2025,
de akte houdende bewijslevering tevens houdende onttrekking aan procedure van de erfpachters van 19 maart 2025,
de incidentele conclusie tot voeging van [gedaagden] ,
de incidentele conclusie van antwoord van LSW,
de akte overlegging producties van LSW van 2 april 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
1.3.
In deze procedure traden ook als eisers op [A] , [B] , [C] , [D] , [E] , [F] en [G] . In de hiervoor genoemde akte van de erfpachters van 19 maart 2025 is meegedeeld dat zij zich als eisers aan de procedure onttrekken omdat zij geen belang meer hebben bij voortzetting van de procedure. Voor zover de ingestelde vorderingen op hen betrekking hebben worden die daarom als ingetrokken beschouwd.
Geschil
2.2.
[gedaagden] vorderen dat hen wordt toegestaan zich in de hoofdzaak aan de zijde van de erfpachters te voegen. Zij stellen daartoe het volgende. [gedaagden] zijn ook erfpachters van grond op Landgoed De Stille Wille. Zij sluiten zich aan bij het standpunt van de erfpachters dat zij tot 31 december 2028 de tijd hebben om te besluiten tot omzetting van het recht van erfpacht. [gedaagden] hebben belang bij voeging aan de zijde van de erfpachters omdat zij nadelige gevolgen kunnen ondervinden indien de uitkomst van de procedure van de erfpachters in de hoofdzaak voor hen ongunstig is. [gedaagden] wensen inbreng te hebben in het getuigenverhoor en bij te dragen aan de door de rechtbank aan de erfpachters opgelegde bewijslast. Mocht dat bewijs niet slagen, dan hebben [gedaagden] nog belang bij het door de rechtbank te geven oordeel dat LSW met betrekking tot het aanbod tot omzetting van de erfpacht de erfpachters een redelijke termijn moet gunnen om te beslissen of zij dat aanbod alsnog willen aanvaarden.
2.3.
LSW voert als verweer tegen de incidentele vordering onder meer aan dat deze in strijd is met de goede procesorde. De rechtbank is van oordeel dat dit verweer slaagt. Gelet op de stand waarin de procedure in de hoofdzaak zich bevindt, waarbij al een mondelinge behandeling is geweest, een tussenvonnis is gewezen en getuigenverhoren zijn gepland die al op zeer korte termijn zullen plaatsvinden, is het in strijd met de goede procesorde om zich nog te willen voegen aan de zijde van de erfpachters. Het enkele feit dat [gedaagden] belang kunnen hebben bij de uitkomst van deze procedure en het eens zijn met het standpunt van de erfpachters is onvoldoende zwaarwegend om anders te oordelen. Daarbij is van belang dat [gedaagden] ook door eventueel zelf een verklaring af te leggen kunnen bijdragen in het bewijs, zoals zij kennelijk beogen. Daarvoor is voeging niet nodig. De incidentele vordering zal daarom worden afgewezen.
2.4.
[gedaagden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De rechtbank begroot deze kosten aan de zijde van de erfpachters op nihil en aan de zijde van LSW op:
- salaris advocaat
€
614,00
(1,00 punten × € 614,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
792,00
Dictum
De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst het gevorderde af,
3.2.
veroordeelt [gedaagden] in de kosten van het incident, aan de zijde van de erfpachters begroot op nihil en aan de zijde van LSW tot op heden begroot op € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Schollen-den Besten en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2025.