Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-06-04
ECLI:NL:RBOBR:2025:3186
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
4,559 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1079
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juni 2025 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. D.M. Moes),
en
de burgemeester van de gemeente Helmond, de burgemeester
(gemachtigden: mr. Y.J.A.M. Willems en mr. H.H.W.M. Jacobs).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de woning van verzoekster te sluiten voor de duur van vier weken. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Een samenvatting van het bestreden besluit is opgenomen onder 4 en een uitleg over de procedure volgt onder 5. De beoordeling door de voorzieningenrechter volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 7 mei 2025 heeft de burgemeester besloten de woning van verzoekster aan het adres [adres] in [woonplaats] voor de duur van vier weken te sluiten op grond van artikel 174a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van de burgemeester.
Totstandkoming van het besluit
3. Verzoekster is eigenaresse van de woning aan de [adres] in [woonplaats]. Zij woont daar samen met haar meerderjarige dochter. Haar meerderjarige zoon woont niet meer in de woning, maar is nog wel vaak aanwezig.
3.1
Op 26 april 2025 heeft de politie ter plaatse onderzoek gedaan. De bevindingen van dit onderzoek zijn vastgelegd in een bestuurlijke rapportage van 28 april 2025. In die rapportage is het volgende opgenomen:
(…)
Aanleiding
Op zaterdag 26 april 2025 omstreeks 00.55 uur werd door een getuige gezien dat een persoon geheel in het donker gekleed richting de woning aan de [adres] te [woonplaats] liep. Het leek erop dat deze persoon een enveloppe vast hield. Vervolgens werd gezien dat de persoon iets weggooide, hetgeen ontplofte in de onmiddellijke nabijheid van de woning aan de [adres] te [woonplaats].
Vervolgens rende de persoon hard weg.
Bij nader onderzoek door de politie werd ter plaatse vastgesteld dat op het trottoir voor [adres] te [woonplaats] een brandplek zichtbaar was. Tevens werden er restanten van vuurwerk aangetroffen en in beslag genomen voor verder onderzoek. Er werden geen beschadigingen aan de voortuin of het pand van [adres] te [woonplaats] vastgesteld, die afkomstig konden zijn van het afsteken van het vuurwerk. Het vermoeden bestond dat het vuurwerk dat was afgestoken een Cobra betrof. Het is algemeen bekend dat het tot ontploffing brengen van een Cobra, zware materiele en persoonlijke schade tot gevolg kan hebben.
Tevens werd in de voortuin van de woning op ongeveer 2 meter afstand van de voordeur een wit kleurige enveloppe aangetroffen. Op de voorzijde van de enveloppe stond de tekst: “Voor kanker Snitch”.
Na het openen van de enveloppe werd een klein opgevouwen briefje aangetroffen met de tekst “Maak over 5K (…) anders je Osso weg 1 week de tijd”.
(…) Osso is straattaal (…) hiermee wordt bedoeld: woning of je huis.
(…).
Aanvullende informatie
(…)
3) Op 30 januari 2025 te 03.38 uur werd bij de politie melding gemaakt van een voortuigbrand aan de [adres] te [woonplaats]. Bij onderzoek bleek dat een witte Mercedes Benz voorzien van kenteken (…) aan de linker voorzijde brandde. Bij nader onderzoek werden resten van een Cobra (blauw dopje) en van een pet-flesje aangetroffen. De Mercedes is eigendom van (verzoekster). In de directe omgeving van het voertuig werd een briefje aangetroffen met de tekst: “VLGN keer je Osso”. (…).
4) Op donderdag 30 januari 2025 omstreeks 15.40 uur deed (zoon van verzoekster) aangifte van bedreiging en chantage. In zijn aangifte spreekt hij over een mogelijke verdachte. Deze zou mogelijk € 5.000 euro van hem hebben willen lenen. Toen (…) dat niet wilde geven, werd de nacht erna de auto van zijn moeder aan de [adres] in brand gestoken.
(…)
Uit de bestuurlijke rapportage blijkt verder dat de zoon van verzoeker meerdere malen in verband is gebracht met het in bezit hebben van en het handelen in lachgas.
3.2
Naar aanleiding van het bovenstaande heeft de burgemeester op 30 april 2025 aan verzoekster laten weten dat hij voornemens is de woning van verzoekster te sluiten voor de duur van vier weken op grond van artikel 174a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet.
3.3
Op 6 mei 2025 heeft verzoekster schriftelijk haar zienswijze op dit voornemen kenbaar gemaakt.
3.4
Bij besluit van 7 mei 2025 heeft de burgemeester vervolgens besloten om de woning van verzoekster voor de duur van vier weken te sluiten.
Het bestreden besluit
4. In het bestreden besluit heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat hij vanwege het ernstige geweld en een bedreiging met ernstig geweld in of in de onmiddellijke nabijheid van de woning of ernstige vrees hiertoe, bevoegd is om de woning tijdelijk te sluiten op basis van artikel 174a, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet. Volgens de burgemeester is sluiting van de woning ook noodzakelijk omdat de woning deel uit maakt van een woonblok met rijtjeswoningen. Aan beide zijden van de woning is bewoning door buren. Het onderzoek van de politie naar het geweld en de bedreiging loopt nog. Volgens de burgemeester is sluiting van de woning ook evenredig. Verzoekster heeft volgens de burgemeester onvoldoende onderbouwd waarom zij niet tijdelijk elders zou kunnen verblijven. Ook is er geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de burgemeester af had moeten zien van sluiting van de woning. Volgens de burgemeester weegt het algemeen belang bij het voorkomen van nieuw geweld tegen de woning, groter dan het belang van verzoekster om niet tijdelijk de woning te hoeven verlaten.
Soort zaak: een voorlopige voorziening
5. Uitgangspunt van de wet is dat het instellen van bezwaar de werking van een besluit niet opschort (artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Met andere woorden: het besluit blijft van kracht, ook als er bezwaar tegen is gemaakt. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid daartoe is geregeld in artikel 8:81 van de Awb. In dat artikel staat dat als tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De verzoeker moet dus goede redenen hebben die maken dat hij de uitspraak op zijn bezwaar niet kan afwachten en die een uitzondering op de hoofdregel dat het bezwaar de uitvoering van het besluit niet schorst, rechtvaardigen. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de beslissing op het bezwaar. De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard en de rechtbank die in een later stadium op het eventuele beroep beslist, is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.
5.1
Over het spoedeisende belang overweeg de voorzieningenrechter als volgt. Het bestreden besluit houdt in dat de woning op korte termijn zal worden gesloten en heeft dus tot gevolg dat verzoekster en haar dochter de woning zullen moeten verlaten. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed.
Beoordeling
6. De burgemeester heeft besloten de woning van verzoekster te sluiten op grond van artikel 174a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet. In dit artikel is bepaald dat de burgemeester kan besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, als door ernstig geweld, of bedreiging daarmee, in of in de onmiddellijke nabijheid van de woning of het lokaal of op het erf of in de onmiddellijke nabijheid van het erf, de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf ernstig wordt verstoord of ernstige vrees bestaat voor het ontstaan van een zodanige verstoring.
Is de burgemeester bevoegd de woning te sluiten?
6.1
Niet in geschil is dat de burgemeester op grond van de incidenten die rond de woning van verzoekster hebben plaatsgevonden, bevoegd was de woning te sluiten. Vervolgens moet gekeken worden of sluiting van de woning ook noodzakelijk en evenredig is. Hieronder zal de voorzieningenrechter ingaan op die punten.
Is sluiting van de woning noodzakelijk en evenredig?
6.2
Verzoekster heeft aangevoerd dat er geen noodzaak bestaat om de woning te sluiten. De incidenten die hebben plaatsgevonden staan volgens haar los van de woning en zijn gericht tegen haar zoon. Verzoekster is bereid mee te werken aan maatregelen en om eventuele zorgen weg te nemen. Volgens verzoekster kan daarom niet gezegd worden dat sluiting van de woning noodzakelijk is.
6.3
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen de incidenten die hebben plaatsgevonden, zowel de autobrand, als het vuurwerk, niet los worden gezien van de woning alleen al omdat in beide gevallen een briefje is aangetroffen waarin een directe bedreiging richting de woning is geuit. Ook kan de voorzieningenrechter de burgemeester volgen in zijn standpunt dat de ligging van de woning, als rijtjeswoning tussen twee andere woningen, bijdraagt aan de noodzakelijkheid om de woning te sluiten. Het is immers een taak van de burgemeester om bewoners, bezoekers en passanten te beschermen tegen eventueel geweld gericht tegen de woning van verzoekster.
6.4
De burgemeester heeft in het besluit de noodzaak van de sluiting daarnaast onderbouwd door te stellen dat er geen minder belastende maatregelen zijn die net zo effectief zijn als een sluiting. Volgens de burgemeester hebben de al bij de woning aanwezige camera’s de daders niet afgeschrikt. Cameratoezicht wordt daarom door de burgemeester niet als afdoende beoordeeld. Tijdens de zitting heeft de burgemeester echter desgevraagd toegelicht dat het hier niet ging over officieel cameratoezicht door de politie of de gemeente, maar enkel over deurbelcamera’s. De vaak onopvallende camera’s van videodeurbellen die enkel de voordeur en directe omgeving daarvan filmen, kunnen echter niet zonder meer worden vergeleken met zichtbaar cameratoezicht door de politie of gemeente. Dit cameratoezicht door de politie en gemeente heeft niet plaatsgevonden. De burgemeester heeft daarom in het bestreden besluit de noodzaak om de woning te sluiten niet voldoende gemotiveerd en onderbouwd.
6.5
Uit het bovenstaande volgt dat vooralsnog niet geconcludeerd kan worden dat sluiting van de woning zonder meer noodzakelijk is. Dat zal de burgemeester in de bezwaarfase nader moeten onderbouwen.
6.6
Vervolgens is van belang dat de noodzakelijkheid en de evenredigheid moeten worden gezien als communicerende vaten. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester de sluiting noodzakelijk mocht vinden.
6.7
Over die nadelige gevolgen heeft verzoekster aangevoerd dat zij ongeneeslijk ziek is en dat het gelet op haar medische situatie niet van haar kan worden gevraagd te verhuizen. Ook niet als die verhuizing tijdelijk is. Bovendien lukt het verzoekster niet om vervangende woonruimte te vinden voor de duur van vier weken. De crisisopvang is gelet op haar gezondheidssituatie geen optie voor verzoekster.
6.8
Tijdens de zitting heeft de burgemeester verklaard niet te twijfelen aan de gezondheidssituatie van verzoekster. Volgens de burgemeester is daar in het bestreden besluit rekening mee gehouden door de duur van de sluiting te beperken tot vier weken. Hierin volgt de voorzieningenrechter de burgemeester niet. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat de burgemeester dat wat verzoekster in haar zienswijze heeft aangevoerd over haar gezondheidssituatie heeft laten meewegen in de afweging de woning voor de duur van vier weken te sluiten. In het bestreden besluit staat over de duur van de sluiting alleen dat de periode van vier weken gebruikt kan worden om het conflict aan te pakken dat de aanleiding is voor de acties tegen de woning. Tijdens de zitting heeft de burgemeester vervolgens ook verklaard dat is gekozen voor een sluitingsduur van vier weken, omdat de inschatting was dat het politieonderzoek naar de aanslagen op de woning vier weken in beslag zou nemen. Ook hieruit blijkt niet dat de gezondheidssituatie van verzoekster een rol heeft gespeeld in het bepalen van de duur van de sluiting. Het bestreden besluit is in zoverre dan ook niet voldoende gemotiveerd.
6.9
Uit het bovenstaande blijkt dat de noodzaak van sluiting nog niet voldoende is onderbouwd en dat niet is gemotiveerd op welke manier dat de burgemeester bij het nemen van het bestreden besluit rekening heeft gehouden met de slechte gezondheid van verzoekster. In dit verband wijst de voorzieningenrechter ook op de tijdens de zitting overgelegde stukken over de medische situatie van verzoekster en de toelichting van verzoekster over de medicatie die zij gebruikt en het effect daarvan op haar.
6.10
Als de voorzieningenrechter dan de belangen voor en tegen schorsing van het besluit afweegt, komt zij tot de volgende conclusie. In deze zaak zijn de belangen aan beide kanten groot. De burgemeester is verantwoordelijk voor het bewaken en herstellen van de openbare orde en heeft de taak burgers te beschermen tegen eventueel geweld tegen de woning. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoekster op dit moment echter zwaarder. Niet is in geschil dat verzoekster ernstig ziek is en zware medicatie gebruikt. Verhuizen, ook voor een relatief korte periode, weegt daarom extra zwaar voor haar. Daar komt bij dat het laatste incident, waarbij gedreigd werd met nieuw geweld binnen één week, dateert van 26 april 2025 en er sindsdien geen incidenten meer zijn gemeld. Ook lijkt er een zekere samenhang te zijn tussen de incidenten en is voor één incident inmiddels een dader aangehouden. Dat alles afwegende, komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de belangen van verzoekster om in de woning te mogen blijven op dit moment zwaarder wegen dan de belangen van de burgemeester om de woning nu al te sluiten.
Conclusie
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 7 mei 2025 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
7.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan verzoekster vergoeden en krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en heeft de zitting bijgewoond. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,–. De proceskostenvergoeding bedraagt dan in totaal € 1814,–.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- schorst het besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 194,– aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,– aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski-Kelders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. J.A. Meijer-Habraken, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.