Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-05-08
ECLI:NL:RBOBR:2025:2687
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,732 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/2293 tussenuitspraak
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. drs. A.C.M. Brom),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veldhoven, het college
(gemachtigden: mr. A.E.Y. Vliegenberg en J.J.J. van den Putte).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres over haar verzoek tot openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiseres gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
3. In een brief van 27 oktober 2023 heeft eiseres onder verwijzing naar de Woo aan het college verzocht:
” …om kopieën van de volgende documenten:
- De verspreidde beschadigde informatie via social media alsmede de persberichten;
- De ongefundeerde beschuldigen naar- en de imagoschade aan collega’s;
- Het overzicht van de data van de vele gespreken die volgens het wethouders collectief met raadslid mevr. [naam] gehouden zouden zijn alsmede het overzicht met bijbehorende locaties alsmede het overzicht van de aanwezige participanten aan dit gesprek”.
4. Het college heeft op 30 november 2023 een besluit genomen op dit verzoek. Het college heeft vijf documenten openbaar gemaakt, met uitzondering van persoonsgegevens in die documenten op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo. Ten aanzien van de gevraagde documenten met de “verspreide beschadigde informatie via social media alsmede de persberichten” en “de ongefundeerde beschuldigen naar- en de imagoschade aan collega’s” heeft het college zich op het standpunt gesteld dat dit al openbare informatie betreft, zodat de Woo daarop niet van toepassing is.
5. Met het bestreden besluit van 11 april 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij dit besluit gebleven. Het college heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat eiseres in haar bezwaarschrift het Woo-verzoek heeft uitgebreid en dat deze uitbreiding niet in behandeling wordt genomen.
6. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
7. Het college heeft de op de zaak betrekking hebbende documenten waarop zij informatie heeft zwartgelakt aan de rechtbank gestuurd. De rechtbank heeft hiervan op grond van artikel 8:29, zesde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kennisgenomen.
8. De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.
8.1.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling
Heeft eiseres haar verzoek uitgebreid in de bezwaarfase?
9. Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres in het bezwaarschrift haar Woo-verzoek heeft uitgebreid. Volgens het college was het oorspronkelijke Woo-verzoek duidelijk en was een nadere specificering niet nodig zodat de uitbreiding van het verzoek in het kader van de beoordeling van het bestreden besluit buiten beschouwing moet blijven.
10. Eiseres is het hiermee niet eens. Zij stelt dat het wethouderscollectief in de raadsvergadering van 8 februari 2022 uitspraken over haar heeft gedaan en dat zij het Woo-verzoek heeft ingediend omdat zij wil dat het college die uitspraken onderbouwt en omdat zij wil dat haar naam wordt gezuiverd. Eiseres heeft al eerder, in het kader van artikel 155 van de Gemeentewet, vragen gesteld over de uitlatingen van de wethouders in de betreffende raadsvergadering. Het was daardoor voor het college duidelijk waarop het Woo-verzoek betrekking had. In haar bezwaarschrift heeft eiseres haar verzoek enkel nader gespecificeerd. Volgens eiseres dient het college behulpzaam te zijn bij het preciseren van het Woo-verzoek en had het daarom uit zichzelf om nadere precisering van het verzoek moeten vragen.
11. De rechtbank stelt voorop dat bij de bepaling van de reikwijdte van een Woo-verzoek de in dat verzoek gebruikte bewoordingen en de context waarin het verzoek wordt gedaan het uitgangspunt zijn. Uitbreiding of aanvulling van een Woo-verzoek in de bezwaarfase verdraagt zich niet met het wettelijk stelsel, waarbij een bestuursorgaan een besluit op een Woo-verzoek neemt en een eventueel gemaakt bezwaar nog steeds op het oorspronkelijke verzoek betrekking heeft.
11.1.
Eiseres vraagt in haar bezwaarschrift onder andere om “documenten die een onderbouwing geven van dit door u gestelde patroon”, “een afschrift van deze door cliënte ingediende ernstige klachten”, “onderzoeksverslagen”, “een gefundeerde onderbouwing”, “een kostenoverzicht alsmede de bijbehorende kopieën van de facturen van de inhuur van advocaten en mediators”. Deze documenten heeft eiseres niet genoemd in het oorspronkelijke Woo-verzoek en kunnen naar het oordeel van de rechtbank ook niet worden aangemerkt als een specificering van de hiervoor vermelde formulering van dat verzoek. De rechtbank oordeelt dan ook dat eiseres het Woo-verzoek in het bezwaarschrift heeft uitgebreid en dat het college deze uitbreiding bij haar besluitvorming buiten beschouwing kon laten.
11.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Valt de gevraagde informatie onder de reikwijdte van de Woo?
12. Volgens het college is de Woo niet van toepassing op het verzoek van eiseres, voor zover dat ziet op “verspreidde beschadigde informatie via social media alsmede de persberichten” en “de ongefundeerde beschuldigen naar- en de imagoschade aan collega’s”. Het gaat volgens het college hierbij immers om berichten en uitlatingen van eiseres, die zij zelf openbaar heeft gemaakt op sociale media of in de pers. Dergelijke berichten vallen volgens het college niet onder de reikwijdte van de Woo. Het college verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
13. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij stelt dat in de uitspraken van het wethouderscollectief op 8 februari 2022 is verwezen naar sociale mediaberichten en persberichten van haar en dat zij niet weet om welke berichten het gaat en waar deze zijn geopenbaard. Onder verwijzing naar het zorgvuldigheidsbeginsel, zoals verwoord in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betoogt eiseres dat het college gehouden is om de vermeende berichten, foto’s, screenshots, of andere informatie op te slaan en om aan te geven waar deze publicaties te vinden zijn door de betreffende link te verstrekken.
14. De rechtbank volgt het betoog van eiseres niet. In de Woo is bepaald dat eenieder een bestuursorgaan kan verzoeken om publieke informatie. Publieke informatie is informatie die is neergelegd in een door een bestuursorgaan opgemaakt of ontvangen schriftelijk stuk of een ander geheel van vastgelegde gegevens dat naar zijn aard verband houdt met de publieke taak van het bestuursorgaan. De rechtbank oordeelt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het in rechtsoverweging 13 vermelde verzoek betrekking heeft op openbaar toegankelijke informatie die niet is opgemaakt of ontvangen door het college en daarom niet valt onder de reikwijdte van de Woo.
14.1.
De Woo bevat bovendien geen verplichting voor het college om gegevens te vervaardigen die niet in bestaande documenten zijn neergelegd, zoals screenprints of verwijzingen via links naar websites of sociale media-berichten. Het college is dan ook niet verplicht om naar aanleiding van het Woo-verzoek verantwoording af te leggen over gestelde uitlatingen van het wethouderscollectief of daarvoor een onderbouwing te verschaffen.
14.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college terecht informatie zwartgelakt?
15. Het college heeft met een beroep op artikel 5.1, tweede lid onder e, van de Woo, in de openbaar gemaakte documenten informatie zwartgelakt die volgens haar raakt aan de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen. Ook stelt het college dat de openbaarmaking van deze persoonlijke informatie weinig tot geen toegevoegde waarde heeft voor de controle op een goede en democratische bestuursvoering. Het college wijst naar rechtspraak van de Afdeling waarin wordt overwogen dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich verzet tegen openbaarmaking van namen van medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, tenzij de indiener van het desbetreffende verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van de openbaarheid in een concreet geval zwaarder weegt.
16. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het college de passages ten onrechte heeft zwartgelakt. Volgens haar bevatten de betreffende passages geen informatie die, bij openbaarmaking, de persoonlijke levenssfeer niet zou eerbiedigen. Eiseres voert aan dat al bekend is wie de afzender is van de emailberichten en welke personen aanwezig waren bij de bijeenkomsten. Het college heeft volgens eiseres onvoldoende gemotiveerd waarom de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zwaarder moet wegen dan het belang van openbaarheid. Volgens eiseres is het uitgangspunt van de Woo dat openbaarmaking van informatie die betrekking heeft op het beroepsmatig handelen van personen niet kan worden geweigerd ter eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Verder heeft het college zelf de naam van een medewerkster van de provincie bekend gemaakt, zodat niet valt in te zien waarom de namen van de andere betrokkenen wel beschermd moeten worden. Daarnaast heeft het college ook niet per document duidelijk gemaakt waarom een beroep op deze relatieve uitzondering van toepassing is. Daarmee heeft het college haar motiveringsplicht geschonden.
17. Deze beroepsgrond slaagt. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo, kan het openbaar maken van informatie achterwege blijven voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Om te beoordelen of deze relatieve uitzonderingsgrond van toepassing is, moet deze worden afgewogen tegen het belang van openbaarmaking.
Conclusie
21. Zoals hiervoor is overwogen onder 17 heeft het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten ‘bestuurlijke lus’. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal het college in de gelegenheid stellen om alsnog te motiveren welke gegevens beschermd moeten worden en per document te motiveren waarom in dat document de gegevens niet openbaar gemaakt kunnen worden.
21.1.
De rechtbank zal de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen bepalen op zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb, én om nodeloze vertraging te voorkomen, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of het gebruik maakt van deze gelegenheid. Als het college gebruik maakt van deze gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen zes weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
21.2.
Ter voorlichting van partijen wijst de rechtbank erop dat het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten in strijd met de goede procesorde wordt geacht.
21.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Dictum
De rechtbank:
draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid het onder 17 geconstateerde gebrek te herstellen;
stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.H. Nelissen, rechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Hoger beroep kan worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 december 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3859).
Zoals de uitspraak van 16 augustus 2006 (ECLI:NL:RVS: 2006:AY6317) en de uitspraak van 11 september 2019 (ECLI:NL:RVS: 2019:3100)
Artikel 4.1 van de Woo.
Artikel 2.1 van de Woo.
Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 21 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:848, r.o. 4.1, en 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1066, r.o. 9.
Zie onder meer de uitspraak van 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:160 en van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:709.
Eiseres verwijst naar de bijlage bij Kamerstukken 1 2021/22, 33328, AB pag.91.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:321