Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-04-24
ECLI:NL:RBOBR:2025:2642
Civiel recht
Bodemzaak
2,594 tokens
Inleiding
RECHTBANK
OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 11297735 \ CV EXPL 24-4895
Vonnis van 24 april 2025
in de zaak van
[eiser] , h.o.d.n. [bedrijfsnaam eiser],
zaakdoende in [plaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. M.C. van Gastel,
tegen
[gedaagde] , h.o.d.n. [bedrijfsnaam gedaagde],
wonend en zaakdoende in [plaats] ,
gedaagde,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en [gedaagde] .
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 augustus 2024 met productie genummerd 1 tot en met 7;- de aantekeningen van het mondelinge antwoord van 24 oktober 2024;
- de mondelinge behandeling van 13 maart 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
De kantonrechter heeft vervolgens bepaald dat schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.
2De zaak in het kort
2.1.
[eiser] heeft als advocaat juridische bijstand verleend aan de eenmanszaak van [gedaagde] . Voor die werkzaamheden heeft [eiser] facturen gestuurd. [gedaagde] heeft een deel daarvan voldaan aan [eiser] , maar de laatste factuur niet betaald. [eiser] heeft de werkzaamheden verricht en wil dat [gedaagde] daarom ook die factuur betaalt. [gedaagde] is het hier niet mee eens. Hij vindt dat hij in de gegeven omstandigheden mocht verwachten dat hij voor de werkzaamheden niet méér zou hoeven te betalen dan de al betaalde voorschotbedragen en het bedrag aan griffierecht. [gedaagde] krijgt in deze procedure gelijk. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af. Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is.
Beoordeling
3.1.
[gedaagde] is met [eiser] in contact gekomen vanwege een geschil tussen [gedaagde] , in de uitoefening van zijn eenmanszaak, en (een) derde(n). Afgesproken is dat [eiser] als advocaat vanaf november 2022 werkzaamheden verricht voor de eenmanszaak van [gedaagde] . Dat doet hij tegen betaling, op basis van een uurtarief. Partijen hebben hiervoor een overeenkomst van opdracht gesloten, waarop algemene voorwaarden van toepassing zijn.
Over de verrichte werkzaamheden en de betalingen
3.2.
Niet in geschil is dat [eiser] werkzaamheden heeft verricht voor (de eenmanszaak van) [gedaagde] . [gedaagde] heeft een voorschotbedrag betaald aan [eiser] voor in totaal 10 uren aan werk. Omdat het in de zaak van [gedaagde] tot een gerechtelijke procedure kwam heeft [gedaagde] ook het in die procedure verschuldigde griffierecht betaald.
3.3.
[eiser] stelt dat hij in de periode van november 2022 tot en met juni 2023 in totaal gedurende 27,8 uur werkzaamheden heeft verricht voor [gedaagde] . Voor die werkzaamheden heeft hij op 16 juni 2023 een gespecificeerde factuur (hierna: de factuur) gestuurd aan [gedaagde] voor een bedrag van € 4.698,94. Dat bedrag heeft [eiser] berekend aan de hand van het afgesproken uurtarief. Het bedrag ziet op (27,8 – 10 =) 17,8 uren aan werkzaamheden, met bijkomende kosten en na aftrek van een bedrag aan korting. [gedaagde] heeft deze factuur niet betaald.
3.4.
[eiser] vordert daarom in deze procedure veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 4.698,94, te vermeerderen met rente en kosten.
3.5.
[gedaagde] vindt dat hij er in de gegeven omstandigheden geen rekening mee hoefde te houden dat de werkzaamheden meer omvatten dan het al betaalde voorschotbedrag. Volgens [gedaagde] rust op hem dus niet de verplichting om de factuur, die ziet op uren die buiten het voorschotbedrag vallen, te betalen.
[gedaagde] hoeft niet te betalen voor werkzaamheden die buiten het voorschotbedrag vallen
3.6.
De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of [gedaagde] op grond van de gemaakte afspraken verplicht is om te betalen voor de door [eiser] gewerkte uren die buiten het (betaalde) voorschot vallen. De kantonrechter oordeelt dat dit niet zo is. Hierna wordt toegelicht hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
3.7.
Op 7 november 2022 heeft [eiser] de opdracht per e-mail bevestigd aan [gedaagde] . In die bevestiging staat over de kosten onder meer vermeld dat een voorschotnota wordt verstuurd voor de eerste kosten, dat de voorschotnota wordt verrekend met de eindafrekening en dat [gedaagde] het verschil daartussen terugkrijgt als [eiser] minder tijd heeft besteed aan de zaak.
3.8.
In de algemene voorwaarden is het volgende opgenomen over de kosten:
3.9.
Hoewel [gedaagde] bij [eiser] heeft aangegeven dat de factuur fouten althans slordigheden bevat, heeft hij de verrichte werkzaamheden en de bijbehorende tijdsduur als zodanig niet betwist. Het uitgangspunt is in beginsel dan ook dat [gedaagde] moet betalen voor het geheel aan werkzaamheden, dus voor in totaal 27,8 uur. Toch is dat in dit geval anders.
3.10.
[eiser] heeft [gedaagde] namelijk geen overzicht of inschatting gegeven van de omvang van de te verrichten werkzaamheden en bijbehorende tijdsbesteding en kosten. Vast staat dat [eiser] alleen de volgende facturen heeft gestuurd aan [gedaagde] : i) in november/december 2022: voorschotfacturen voor in totaal 10 uren en ii) op 16 juni 2023: de factuur voor in totaal (27,8 – 10 =) 17,8 uren met bijkomende kosten. Niet in geschil is dat [eiser] in de tussenliggende periodes geen (maandelijkse) facturen heeft gestuurd voor door hem verrichte werkzaamheden.
3.11.
Ook anderszins heeft [eiser] [gedaagde] in de periode tussen november 2022 en juni 2023 niet geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de uren en de kosten. Zo heeft [eiser] [gedaagde] tussentijds niet op de hoogte gehouden van het aantal uren dat hij al aan de zaak had besteed, niet met hem gesproken over het aantal nog te besteden uren voor bijvoorbeeld de voorbereiding en voorbespreking van de zitting en ook niet aangegeven dat of in hoeverre hij de uren waarvoor [gedaagde] het voorschot heeft betaald, had besteed. Naar het oordeel van de kantonrechter had [eiser] dit wel moeten doen, zoals ook is vermeld in artikel 4 van de door [eiser] gehanteerde algemene voorwaarden.
3.12.
Uit de door [eiser] overgelegde urenspecificatie blijkt namelijk dat hij in november, december 2022 en januari 2023 meerdere uren op de zaak van [gedaagde] heeft genoteerd. De kantonrechter constateert dat het aantal uren uit het voorschot in januari 2023 al grotendeels ‘op’ was. En ondanks dat [eiser] de zaak van [gedaagde] naar eigen zeggen inschatte als een complexe zaak en het voorbereiden, voorbespreken en bijwonen van de zitting op dat moment nog moest gebeuren, heeft [eiser] geen aanleiding gezien om [gedaagde] overeenkomstig de algemene voorwaarden in de eerste maanden van 2023 nader te informeren over de kosten.
3.13.
Wel heeft [eiser] op 20 maart 2023 een nota van de rechtspraak voor het griffierecht doorgestuurd aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft in zijn reactie op die nota aangegeven: “[…] Zojuist heb ik de factuur van het griffierecht overgemaakt. Hoop dat dit voorlopig de laatste factuur is. […]”. Van belang is dat een reactie van [eiser] op dit bericht uitblijft.
3.14.
In de overige maanden heeft [eiser] niet steeds meerdere uren per maand aan de zaak van [gedaagde] besteed, maar wel korter durende werkzaamheden verricht. Over de reden waarom hij deze werkzaamheden niet maandelijks heeft gefactureerd heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat er weinig te declareren is als er weinig werkzaamheden zijn verricht en dat veel ondernemers het niet wenselijk vinden als maandelijks worden gefactureerd voor relatief kleine bedragen. Nog daargelaten dat niet is gebleken dat [eiser] dit met [gedaagde] heeft besproken, neemt dit gegeven niet weg dat [eiser] dan tenminste op gezette tijden een overzicht van bestede uren en gemaakte kosten aan [gedaagde] had moeten verstrekken. Het is [eiser] aan te rekenen dat hij dat niet heeft gedaan.
3.15.
Met de hiervoor beschreven manier van werken heeft [eiser] aan [gedaagde] geen althans onvoldoende aanknopingspunten gegeven om in te kunnen schatten hoe het staat met het aantal uren waarvoor een voorschot is betaald, in hoeverre het voorschot toereikend is en wat de te verwachten kosten zijn. Dat had [eiser] , in elk geval ook op grond van artikel 16 van de Gedragsregels advocatuur, wel moeten doen. Van belang is verder dat [eiser] met deze wijze van factureren anders heeft gehandeld dan partijen hebben afgesproken. Van maandelijks factureren (of informeren) is namelijk op geen enkel moment sprake geweest.
3.16.
De kantonrechter volgt [eiser] niet in zijn stelling dat van [gedaagde] mag worden verwacht dat hij kan inschatten hoeveel tijd nodig is voor de verschillende werkzaamheden (waaronder het schrijven van een dagvaarding en het voorbereiden van een zitting). Hoewel [gedaagde] als ondernemer een zakelijke wederpartij is, kan van hem niet worden verwacht dat hij kennis heeft van de omvang van de werkzaamheden die [eiser] als advocaat voor hem verricht en dat hij zonder meer kan inschatten hoeveel tijd daarmee gemoeid is en daarvoor wordt gerekend.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 100,00, te vermeerderen met de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Weij en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2025.