Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-04-18
ECLI:NL:RBOBR:2025:2543
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
1,356 tokens
Inleiding
Rechtbank oost-brabant
Toezicht
zaaknummers : 11495049 TE VERZ 25-52 en 11495064 TE VERZ 25-53
BM-nummer : 47619
MB-nummer : 15076
[initialen van de griffier]
beschikking van de kantonrechter van 18 april 2025
op verzoek van:
[naam]
wonende te [adres]
hierna te noemen: verzoekster,
met betrekking tot
[naam]
geboren te [geboorteplaats en -datum]
wonende te [adres]
hierna te noemen: betrokkene.
procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- het verzoek met bijlage, ontvangen op 13 januari 2025.
Het verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 17 maart 2025. Van het verhandelde ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. Ter zitting zijn verzoeker, de zoon van betrokkene, de huidige bewindvoerder en mentor van betrokkene Stg. CAV ( [naam] ) en de beoogd opvolgend bewindvoerder en mentor Beschermingsbewind Best EZ ( [naam] ), verschenen.
Beoordeling
Het verzoek strekt tot ontslag van de huidige bewindvoerder en mentor en tot benoeming van een opvolgend bewindvoerder en mentor.
De kantonrechter dient allereerst te beoordelen of verzoekster bevoegd is tot het indienen van onderhavig verzoek. Verzoekster is de ex-partner van betrokkene en heeft aangevoerd dat zij inmiddels een levensgezel is als bedoeld in 1:432 lid 1 en artikel 1:451 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. Daartoe heeft verzoekster het volgende aangevoerd.
Verzoekster en betrokkene zijn gehuwd geweest en sinds enige tijd (volgens verzoekster in 2013) gescheiden. Daaropvolgend is een lange periode geen contact geweest. Dat is veranderd toen betrokkene in 2022 het ziekenhuis terecht kwam en telefonisch contact zocht met verzoekster. Verzoekster stelt dat er vanaf dat moment een hernieuwde relatie is ontstaan. Betrokkene had volgens verzoekster aangegeven met haar te willen trouwen toen hij volgens haar nog wilsbekwaam was. In 2023 is betrokkene nog een keer opgenomen in het ziekenhuis. Verzoekster heeft betrokkene toen tijdelijk in huis genomen omdat hij onvoldoende voor zichzelf kon zorgen. Vanwege zijn medische beperkingen kan dat echter niet meer, waardoor hij eind 2024 is opgenomen en niet meer bij verzoekster verblijft.
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Om te beoordelen of er sprake is van een levensgezel als bedoeld in artikel 1:432 lid 1 en artikel 1:451 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, dient de kantonrechter een aantal aspecten te beoordelen. Deze aspecten zijn: (i) of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding; (ii) de duur van de gemeenschappelijke huishouding; (iii) of er een relatie van affectieve aard is, en met name (iv) of betrokkene en verzoekster kennelijk uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid. Genoemde aspecten zijn indicatief en niet bedoeld als cumulatieve noodzakelijke vereisten om van een levensgezel te kunnen spreken. Doorslaggevend in het begrip levensgezel is, aldus de wetgever, de nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het moet gaan om een relatie die wat betreft hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Deze is niet per se met het enkele feit van het samenwonen gegeven en vereist ook niet per se dat betrokkene en verzoekster met elkaar samenwonen.
Vast staat dat er nu geen sprake is van een gemeenschappelijke huishouding. Verzoekster heeft aangevoerd dat er sprake is van een affectieve relatie en dat zij ook een tijdlang voor hem heeft gezorgd. Het is voor de kantonrechter moeilijk te beoordelen of er ook volgens betrokkene sprake is van affectieve aard en/of nauwe lotsverbondenheid. Betrokkene kan immers zijn mening niet kenbaar maken. Bij het verzoek tot het instellen van het bewind heeft [naam] , specialist ouderenzorg bij BrabantZorg de volgende verklaring gegeven: “psychiatrisch onderzoek (..) agv afasie en verminderd begrip vrijwel geen communicatie mogelijk”. Dat maakt dat de kantonrechter in dit geval niet kan vaststellen dat er sprake is van een levensgezel als bedoeld in artikel 1:432 lid 1 en artikel 1:451 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. Dit betekent dat verzoekster niet bevoegd is tot het indienen van onderhavig verzoek.
De kantonrechter zal verzoekster daarom niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek.
Dictum
De kantonrechter:
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in het verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. Z.C.J. Adams, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2025.
de griffier,
de kantonrechter,
verzenddatum: