Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-04-25
ECLI:NL:RBOBR:2025:2439
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,716 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/3670
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: [naam] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad, het college,
(gemachtigde: mr. L.A. Muller en [naam] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo-verzoek). Eiseres heeft een beroep niet tijdig beslissen ingediend bij de rechtbank omdat de beslissing van het college op het bezwaar van eiseres uitbleef. Hangende dat beroep heeft het college alsnog een beslissing op bezwaar (het bestreden besluit) genomen. Eiseres heeft gesteld dat zij zich niet kan verenigen met het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zowel het beroep niet tijdig beslissen als het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 8 maart 2024 een Woo-verzoek ingediend bij de Veiligheidsregio Brabant-Noord. Daarin heeft eiseres het volgende vermeld:
“Hierbij doe ik een WOO-verzoek in. Blijkens uw website bent u in het bezit van een geactualiseerd regioplan. URL https://www.vrbn .nl/opvang-vluchtelingen/
Het bestaan van een dergelijk plan blijkt naast deze alinea ook uit andere stukken. Middels dit WOO verzoek, wil ik verzoeken dit plan ASAP ons te doen toekomen. Gelet op het bestaan ervan lijkt het ons niet onmogelijk deze binnen enkele dagen ons te verstrekken.”
3. In een bericht van 12 maart 2024 heeft eiseres haar Woo-verzoek als volgt aangevuld:
“Hierbij doe ik een aanvullend dan wel nieuw WOO-verzoek in relatie tot Regioplan
mbt. Opvang van Asielzoekers, statushouders en opvang Oekraïners.
Ik wil graag ontvangen alle communicatie (email, apps, rapporten, vergadering
verslagen, rapportages, onderliggende rapporten etc. ) mbt. De totstandkoming van
het rapport / plan regioplan en de verdeling van de mensen op de boven genoemde
onderdelen van het plan uit 2023 en daarnaast van het plan voor 2024.” [sic]
4. De Veiligheidsregio Brabant-Noord heeft het Woo-verzoek doorgestuurd aan het college. Met het besluit van 10 april 2024 heeft het college aan eiseres het Regioplan opvang vluchtelingen verstrekt en het Woo-verzoek afgewezen, voor zover dit betrekking heeft op de onderliggende communicatiestukken om tot het regioplan te komen.
5. Eiseres heeft op 11 april 2024 een concept-dagvaarding aan het college gestuurd, dat het college heeft aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het besluit van 10 april 2024.
6. In een besluit van 18 april 2024 heeft het college een aanvullende motivering gegeven op het besluit van 10 april 2024.
7. Eiseres heeft op 25 april 2024 een aanvullend bezwaarschrift ingestuurd.
8. Op 19 augustus 2024 is eiseres naar aanleiding van haar bezwaar gehoord door de Commissie Rechtsbescherming Meijerijstad (de Commissie), die daarop een advies aan het college heeft uitgebracht.
9. Eiseres heeft het college op 3 oktober 2024 in gebreke gesteld omdat het college nog niet op haar bezwaar heeft beslist.
10. Op 23 oktober 2024 heeft eiseres bij de rechtbank een beroep niet tijdig ingediend omdat het college niet tijdig heeft beslist op het bezwaar.
11. Op 1 november 2024 heeft het college het besluit op het bezwaarschrift van eiseres genomen (het bestreden besluit). Daarin is besloten om het verzoek van eiseres alsnog toe te wijzen en aan haar alle verzochte stukken – geanonimiseerd – verstrekken.
12. De rechtbank heeft eiseres op 5 december 2024 gevraagd of zij het eens is met het bestreden besluit en het beroep intrekt of dat eiseres het niet eens is met het bestreden besluit en gronden hiertegen wil indienen.
13. Op 30 december 2024 heeft eiseres bericht dat zij het beroep wil voorzetten en heeft zij gronden van beroep tegen het bestreden besluit vermeld.
14. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft met een e-mail bericht van 27 maart 2025 opnieuw stukken ingestuurd.
15. De rechtbank heeft de beroepen op 8 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.
Beoordeling
Beroep niet tijdig beslissen
16. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een bezwaar kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
17. Vaststaat dat het college niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van eiseres. Eiseres heeft het college op 3 oktober 2024 in gebreke gesteld. Eiseres heeft op 23 oktober 2024, en daarmee meer dan twee weken nadat zij het college in gebreke heeft gesteld, beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar.
18. Het college heeft bij besluit van 1 november 2024 alsnog op het bezwaar van eiseres beslist. Gelet hierop heeft eiseres geen procesbelang meer bij een beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk.
Het besluit op bezwaar van 1 november 2024
19. Bij het besluit op bezwaar van 1 november 2024 heeft het college, met inachtneming van het advies van de Commissie, het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en naar aanleiding van het Woo-verzoek alsnog alle verzochte stukken in geanonimiseerde vorm geopenbaard en aan eiseres verstrekt.
20. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Desgevraagd heeft eiseres heeft in haar brief van 30 december 2024 aan de rechtbank bericht dat zij het niet eens is met het besluit van
1 november 2024. In die brief heeft eiseres het volgende vermeld:
“Bij deze laat ik u weten dat ik de zaak graag wil voortzetten. Willen en wetens heeft het bestuursorgaan de zaak op talloze momenten vertraagd en verdaagd. Ook speelt het RRT (Regionale Regie Team) een zeer bepalende rol. Tevens kan objectief worden vastgesteld dat men te laat was. Zoals ik al eerder liet weten aan u rechtbank maakt met geen GEBRUIK maar MISBRUIK van de wettelijke bepalingen. Zo is nooit enige vertraging gemotiveerd en/of afdoende onderbouwd. Het is klip en klaar dat de redelijkheid en billijkheid ver te zoek zijn.
De gevraagde informatie zijn veel te laat geleverd en men heeft van dag 1 de strategie gehad van vertragen omdat hoe dan ook, niets mag openbaar gemaakt worden tot 1 nov. hiermee heeft men willens en wetens mij de mogelijkheid ontnomen voor gemotiveerd bezwaar en/of discussie tegen bijv. de regio plannen. Ik beschouw dit als een democratische misdaad.
Bovendien heeft men het RRT gebruikt als ECHT besluit orgaan dan wel als adviseur, zonder daarbij de wettelijke bepalingen ( bijv. naam adviseur) in acht te nemen. Het RRT heeft geen enkele bestuursrechtelijke status, nog een bedrijf status en is een schimmig geheel van bijeenkomsten.
Ook zijn ABBB beginselen niet in acht genomen, bijv. Fair Play (maar niet beperkt tot). Onder voorbehoud van nog later aan te leveren stukken ter onderbouwing wil ik primair hierbij aan geven dat deze zaak wat mij betreft niet over is. Het is cruciaal dat er kristal heldere richtlijnen komen. Immers regionplannen voor komende jaren staan weer voor de deur en zo als Thorbecke in 1848 al aangaf “verborgen is duisternis, openbaarheid is licht”.
21. De rechtbank stelt vast dat eiseres in haar brief van 30 december 2024 als grief aanvoert dat het college de besluitvorming heeft vertraagd en te laat heeft beslist. Eiseres stelt dat de te late aanlevering van de gevraagde Woo-stukken in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ook bekritiseert eiseres de rol en de status van het RRT bij de besluitvorming.
22. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is een rechtsmiddel om ervoor te zorgen dat het college een besluit neemt op het bezwaar van eiseres. Dat doel heeft eiseres bereikt nadat zij van dit rechtsmiddel gebruik heeft gemaakt en het college met het bestreden besluit van 1 november 2024 alsnog op haar bezwaar heeft beslist. Zoals hiervoor is overwogen is niet in geschil en oordeelt ook de rechtbank dat dat besluit te laat is genomen. Voor zover eiseres in de brief van 30 december 2024 stelt dat het college de zaak heeft vertraagd, levert een herhaalde vaststelling daarvan geen rechtens te respecteren belang op. Eiseres heeft ook niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt schade te hebben geleden die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen.
23. Voor zover eiseres met haar brief van 30 december 2024 heeft bedoeld een principiële uitspraak van de rechtbank te ontvangen over de door haar gestelde rol en functie van het RRT, ziet de rechtbank daar binnen haar beoordelingskader van het bestreden besluit geen ruimte voor. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank ook dat dat bij de bepaling van de reikwijdte van een Woo-verzoek de daarin gebruikte bewoordingen het uitgangspunt zijn. Uitbreiding of aanvulling van een Woo-verzoek in de bezwaar- of beroepsfase verdraagt zich niet met het wettelijk stelsel, waarbij een bestuursorgaan een besluit op een Woo-verzoek neemt en een eventueel gemaakt bezwaar nog steeds op het oorspronkelijke verzoek betrekking heeft.
24. Reeds gelet op de voorgaande overwegingen oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk is. Mede gelet op wat eiseres tijdens de zitting heeft aangevoerd overweegt de rechtbank nog het volgende.
Strijd met goede procesorde
25. Eiseres heeft niet eerder dan op de zitting aangevoerd dat er meer binnen de reikwijdte van het Woo-verzoek vallende documenten onder het college moeten berusten dan de documenten die bij het besluit van 1 november 2024 aan haar zijn verstrekt.
26. In een bestuursrechtelijk beroep kunnen nieuwe argumenten worden aangevoerd ter motivering van een beroepsgrond, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval als die argumenten verwijtbaar zo laat worden ingediend dat de andere partijen worden belemmerd om daarop voldoende te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor op andere wijze wordt belemmerd.
27. In haar brieven van 30 december 2024 en 27 maart 2025 heeft eiseres niet vermeld dat het college bij het besluit van 1 november 2024 niet alle documenten heeft verstrekt die binnen de reikwijdte van haar Woo-verzoek vallen.
28. De rechtbank ziet aanleiding om de tijdens de zitting aangevoerde argumenten van eiseres vanwege strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank dat het college bezwaar heeft gemaakt dat eiseres deze argumenten eerst op de zitting heeft aangevoerd en gesteld heeft dat eiseres deze eerder naar voren heeft kunnen brengen. Al eerder, in het verweerschrift van 6 maart 2025, heeft het college gevraagd naar het procesbelang voor eiseres, gelet op de in haar brief van 30 december 2024 aangevoerde beroepsgronden. De eerst op zitting aangevulde argumenten zijn zo laat ingediend dat het college is belemmerd om daar adequaat op te reageren en ook de rechtbank is belemmerd in haar voorbereiding van de zitting.
Misbruik van recht
29. In het verweerschrift heeft het college verwezen naar een e-mail van eiseres, die zij op 6 november 2024 heeft verstuurd. In die e-mail heeft eiseres vermeld:
“Vandaag 6 november heb ik per aangetekende brief het besluit ontvangen van uw bestuursorgaan. U begrijpt dat ik de datum, die in de brief wordt genoemd, direct naar het rijk der fabelen verwijs.
Conclusie
33. Het beroep tegen het besluit niet tijdig beslissen en het beroep tegen het bestreden besluit zijn niet-ontvankelijk. Het college moet wel het griffierecht aan eiseres vergoeden. Dit omdat het college te laat was met het nemen van het bestreden besluit en eiseres om die reden beroep heeft moeten indienen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, omdat eiseres geen proceskosten heeft gemaakt die volgens de wet voor vergoeding in aanmerking komen
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, rechter, in aanwezigheid van
mr. V.A.C.M. Vonk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2025.
de griffier is verhinderd om de uitspraak
te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.