Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-04-15
ECLI:NL:RBOBR:2025:2271
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
4,019 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/466
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 april 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. S.G.H. Langeweg),
en
de burgemeester van Land van Cuijk, de burgemeester
(gemachtigde: mr. A.H.G. Knops).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de woning in het bedrijfspand van verzoeker op het adres [adres] (de woning) voor drie maanden te sluiten. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 6 februari 2025 heeft de burgemeester verzoeker op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een last onder bestuursdwang opgelegd, die inhoudt dat de woning in het bedrijfspand voor de duur van drie maanden wordt gesloten. De sluiting zal worden geëffectueerd met ingang van 20 februari 2025 om 09.00 uur. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De burgemeester heeft de rechtbank op 13 februari 2025 laten weten dat sluiting van de woning wordt opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
2.2.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de burgemeester.
Totstandkoming van het besluit tot sluiting
3. Verzoeker is mede-eigenaar van het bedrijfspand op het adres [adres] waarin de woning is gelegen. Verzoeker exploiteert in het bedrijfspand een autobedrijf. Boven het autobedrijf is de betreffende woning gelegen waar verzoeker regelmatig verblijft en overnacht.
3.1.
Op 11 januari 2025 heeft de politie de woning doorzocht, omdat bij de politie informatie was binnengekomen dat verzoeker over een handvuurwapen zou beschikken. De politie heeft naar aanleiding van de doorzoeking op 11 januari 2025 een bestuurlijke rapportage opgemaakt. Hierin staat – onder meer – het volgende:
“Tijdens de doorzoeking werden de volgende goederen aangetroffen:
Ouderlijke slaapkamer:
In het nachtkastje naast het bed werden 15 patronen aangetroffen. Deze werden in beslag genomen.
In een tasje, welke tussen de onderbroeken lag, werd een zakje met 2 XTC pillen aangetroffen. Deze werden in beslag genomen.
Ruimte bovenaan de trap, buiten de woning:
- In het vriesvak van de koelvriescombinatie troffen we zakken met hennep aan. Deze werden in beslag genomen.
(…)
3. Bevindingen
Waarneming
Tijdens de doorzoeking werden aangetroffen en in beslag genomen:
15 patronen a 9mm.
2 XTC tabletjes, voor eigen gebruik
560 gram hennep.
(…)
Aangetroffen situatie
In het bedrijfspand van autobedrijf [naam] werd een woning aangetroffen. Deze woning is mogelijk illegaal in gebruik. Door de aangetroffen situatie en de aangetroffen spullen zoals kleding, ondergoed, geld lijkt het er zeer sterk op dat men hier dagdagelijks woont en verblijft.
(…)”
3.2.
De burgemeester heeft bij brief van 23 januari 2025 aan verzoeker laten weten voornemens te zijn de woning en het bedrijfspand voor de duur van drie maanden te sluiten.
3.3.
Verzoeker heeft tijdens een zienswijzegesprek op 30 januari 2025 zijn zienswijze tegen het voornemen kenbaar gemaakt. Van dit zienswijzegesprek is een verslag gemaakt.
3.4.
In het bestreden besluit heeft de burgemeester besloten om op grond van artikel 13b van de Opiumwet en de Beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente Land van Cuijk 2024 (de beleidsregel) de woning voor de duur van drie maanden te sluiten.
Beoordeling
Spoedeisend belang
4. In artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald
dat indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.1.
De voorzieningenrechter vindt dat verzoeker een spoedeisend belang heeft, omdat hij de woning tijdelijk niet kan bewonen als die door de burgemeester wordt gesloten. Tijdens de zitting heeft verzoeker toegelicht dat hij iedere dinsdag en donderdag en om het weekend daar met (een van) zijn dochters verblijft, dat zij daar ook overnachten en dat hij daar ook regelmatig zelf zonder zijn dochters verblijft.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
- Het beoordelingskader
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak staan in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in uitspraken van 28 augustus 2019 (de overzichtsuitspraak), 2 februari 2022 en 6 juli 2022 het specifieke toetsingskader voor woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet weergegeven. Hieronder zal de voorzieningenrechter aan de hand van dit toetsingskader het besluit van de burgemeester tot sluiting van de woning voor drie maanden beoordelen.
- De bevoegdheid tot sluiting
6. Verzoeker voert aan dat de bevoegdheid om de woning te sluiten ontbreekt.
Volgens verzoeker is weliswaar formeel sprake van een handelshoeveelheid softdrugs, maar deze kan niet als zodanig worden aangemerkt. De zoon van verzoeker heeft verklaard dat de hennep van hem was en dat die afkomstig was van eigen teelt (vier planten). Het telen van dit aantal hennepplanten valt onder het gedoogbeleid en de opbrengst van die planten mag je volgens hem hebben. Verzoeker wijst ter onderbouwing van zijn standpunt op het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2011 waaruit volgens verzoeker volgt dat het Openbaar Ministerie (OM) in dat soort gevallen niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging, omdat de aanwezigheid van hennep afkomstig van eigen planten – ongeacht het gewicht – niet strafbaar is. Als het niet strafbaar is, valt het volgens verzoeker ook niet onder artikel 13b van de Opiumwet en zou dit evenmin tot bestuursrechtelijk optreden moeten kunnen leiden.
6.1.
Op grond van artikel 13b van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd om een last onder bestuursdwang op te leggen als in een woning softdrugs of harddrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel als zij daartoe aanwezig zijn. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat dit betekent dat de enkele aanwezigheid van drugs niet voldoende is om gebruik te mogen maken van de bevoegdheid. Gezien de woorden "daartoe aanwezig" moeten de drugs met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen voor verkoop, aflevering of verstrekking. Als uitgangspunt wordt aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 g harddrugs of meer dan 5 gram softdrugs de aangetroffen drugs in beginsel (ook) bestemd worden geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de appellant om het tegendeel aannemelijk te maken. Als het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om voor de woning een last onder bestuursdwang op te leggen.
6.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat niet in geschil is dat een hoeveelheid van 560 gram hennep is aangetroffen. Dit betekent dat gelet op voornoemde rechtspraak de aangetroffen softdrugs in beginsel (ook) bestemd worden geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking daarvan. Het strafrechtelijk arrest van de Hoge Raad waar verzoeker naar heeft verwezen leidt niet tot een ander oordeel, alleen al niet omdat de daarin genoemde vervolgingsrichtlijn van het OM niet bepalend is voor de vraag of van een handelshoeveelheid sprake is als bedoeld in het beleid van de burgemeester. Dat niet strafrechtelijk wordt opgetreden door het OM, betekent niet dat het niet strafbaar is zoals verzoeker lijkt te veronderstellen. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2022.
6.3.
Dat de aangetroffen hennep afkomstig is van vier hennepplanten en voor eigen gebruik van de zoon van verzoeker zou zijn, heeft verzoeker naar het – voorlopig – oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt. Het is aan verzoeker om niet alleen te stellen maar ook door middel van onderbouwing met feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat de aangetroffen hoeveelheid hennep de opbrengst is van eigen hennepteelt met maximaal vijf planten. De enkele verklaring van de zoon van verzoeker vindt de voorzieningenrechter daarvoor onvoldoende. Daarmee wordt onvoldoende geconcretiseerd wat de oorsprong van de aangetroffen hoeveelheid is. Dat een nadere feitelijke onderbouwing volgens verzoeker niet meer mogelijk zou zijn, is een omstandigheid die in zijn risicosfeer ligt. De voorzieningenrechter wijst ter onderbouwing op de uitspraak van de Afdeling van 18 september 2019.
6.4.
De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten. Het gaat vervolgens om de vraag of de burgemeester gebruik heeft mogen maken van die bevoegdheid en in dat verband of de sluiting van de woning noodzakelijk en evenwichtig is.
- De noodzaak tot sluiting
7. Verzoeker voert aan dat de noodzaak tot sluiting ontbreekt. Er is geen sprake van handel vanuit de woning van verzoeker en niet van feitelijke verstoring van de openbare orde. De woning maakt op geen enkele manier deel uit van het criminele circuit.
7.1.
In het bestreden besluit heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat sluiting van de woning noodzakelijk is omdat sprake is van een serieuze overtreding. Er is een hoeveelheid softdrugs aangetroffen van meer dan 100 keer de hoeveelheid die wordt aangemerkt voor eigen gebruik. De burgemeester neemt daarom aan dat het hier hennep betrof ten behoeve van de handel waardoor zij dit geval aanmerkt als ernstig. De burgemeester vindt deze maatregel daarom noodzakelijk om het woon- en leefklimaat bij de woning te beschermen, de openbare orde en de rust in de omgeving te herstellen en de bekendheid van de woning als schakel in de drugsketen weg te nemen.
7.1.1.
Tijdens de zitting heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat in dit geval sprake is van twee handelsindicatoren die ten onrechte niet in de motivering van het bestreden besluit zijn meegenomen. Zij wijst op de manier waarop de hennep was verpakt in verschillende plastic zakken en de hoeveelheid contant geld die in de woning is aangetroffen. De burgemeester gaat er gelet op de aangetroffen hoeveelheid en die twee handelsindicatoren van uit dat er een zekere mate van loop naar de woning moet zijn geweest.
7.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting de vraag aan de orde is of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet worden beoordeeld of sluiting van een pand noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Voor de beoordeling van de ernst en omvang van de overtreding is van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld.
Conclusie
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 13 februari 2025 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
9.1.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om te bepalen dat de burgemeester het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. De burgemeester moet die vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,.
Dictum
De voorzieningenrechter:
schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 194, aan verzoeker moet vergoeden;
veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.814, aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski-Kelders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.L. Verbruggen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2025.
De griffier is verhinderd
voorzieningenrechter
de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RVS:2019:2912.
ECLI:NL:RVS:2022:285.
ECLI:NL:RVS:2022:1910 en ECLI:NL:RVS:2022:1916.
ECLI:NL:HR:2011:BO4015.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4612, en 2 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1698.
ECLI:NL:RVS:2022:1224.
ECLI:NL:RVS:2019:3179.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4612, r.o,. 14.