Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-02-18
ECLI:NL:RBOBR:2025:1209
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,122 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
locatie 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rekestnummer: C/01/403637 / FA RK 24-1523
Beschikking d.d. 18 februari 2025 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[Verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. H. Sanli, gevestigd te Helmond,
tegen
[verweerder] ,
zonder bekende woon en/of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,
hierna te noemen de man.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 28 maart 2024;
- het betekeningsexploot;
- het gewijzigd verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 31 juli 2024;
- het betekeningsexploot van het gewijzigd verzoekschrift.
1.2.
Binnen de daarvoor gestelde termijn is door de man geen verweerschrift ingediend.
Feiten
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] te [plaats] , [land] .
2.2.
Partijen hebben beiden de Nederlandse nationaliteit.
Beoordeling
3.1.
Scheiding
3.1.1.
De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
3.1.2.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van de vrouw zich in Nederland bevond en zij daar sinds ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan die indiening verblijfplaats had, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
3.1.3.
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
3.1.4.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.
3.2.
Afwikkeling huwelijksvermogensregime
3.2.1.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door haar onder nummer 16 tot en met 18 van het initiële verzoekschrift geformuleerde wijze.
3.2.2.
Rechtsmacht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.
3.2.3.
Toepasselijk recht
Op huwelijken gesloten tussen 23 augustus 1977 en 1 september 1992 zijn de verwijzingsregels conform het arrest van de Hoge Raad van 10 december 1976 (Chelouche/Van Leer) van toepassing.
3.2.4.
Partijen zijn op [datum] te [plaats] , [land] , gehuwd, zonder het maken van huwelijkse voorwaarden en zonder het uitbrengen van een rechtskeuze. Partijen hadden ten tijde van het huwelijk uitsluitend de Turkse nationaliteit. Gelet op de verwijzingsregels van voormeld arrest van de Hoge Raad is de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten ten tijde van de huwelijkssluiting, dan wel kort daarna, bepalend voor het tussen de echtgenoten geldende huwelijksgoederenregime. Er is geen beroep gedaan op de onaanvaardbaarheidsexceptie. Het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime is naar het oordeel van de rechtbank het Turks recht.
3.2.5.
Op grond van artikel 202 Turks Burgerlijk Wetboek (TBW) geldt tussen echtgenoten het regime van verwervingsdeelneming. De echtgenoten kunnen bij overeenkomst één van de andere regimes aanvaarden, maar daarvan is de rechtbank niet gebleken.
3.2.6.
Op grond van het regime verwervingsdeelneming vindt bij echtscheiding een financiële afrekening plaats voor wat betreft hetgeen tijdens het huwelijk is verworven. Iedere echtgenoot is rechthebbende op de helft van de aan de andere echtgenoot toebehorende nettowaarde van diens verwervingen.
Naast de verwervingen kan sprake zijn van persoonlijk vermogen. Tot het persoonlijk vermogen van de echtgenoten worden gerekend de voor persoonlijk gebruik bestemde goederen, de ten huwelijk aangebrachte en staande huwelijk krachtens erfrecht of anderszins om niet verworven vermogensbestanddelen, vorderingen uit immateriële schade en de vermogensbestanddelen die persoonlijk vermogen vervangen (artikel 220 TBW).
3.2.7.
Uitgangspunt is dat alle vermogensbestanddelen geacht worden verwervingen te zijn, tenzij het tegendeel is bewezen. De bewijslast rust op de echtgenoot die stelt dat een vermogensbestanddeel hem/haar toebehoort. De vermogensbestanddelen waarvan niet bewezen kan worden aan welke van de echtgenoten zij toebehoren, worden geacht mede-eigendom te zijn van de echtgenoten (artikel 222 TBW).
3.2.8.
Wat betreft schulden is iedere echtgenoot met zijn gehele vermogen voor de eigen schulden aansprakelijk (artikel 224 TBW). Bij de beëindiging van het regime moet worden vastgesteld welke schulden er zijn, zowel onderlinge schulden als de schulden jegens derden. Vervolgens wordt een schuld toegerekend aan het deelvermogen waarop de schuld rust (artikel 230 tweede volzin TBW). Als dit niet mogelijk is, wordt zij toegerekend aan de verwervingen.
3.2.9.
Peildatum
Het huwelijksgoederenregime eindigt in het geval van echtscheiding op het tijdstip van aanvang van de rechtszaak (artikel 225 TBW), in deze zaak 28 maart 2024. Het persoonlijk vermogen en de verwervingen van de echtgenoten worden gescheiden naar de staat daarvan op het tijdstip van de beëindiging van het huwelijksgoederenregime (artikel 228 TBW).
3.2.10.
Bestanddelen financiële afwikkeling
De vrouw stelt dat sprake is van de volgende bestanddelen, voor zover bij haar bekend:
de aanspraken respectievelijk de verplichtingen krachtens de uitspraak van de Hoge Raad van 9 maart 2018 gewezen in de letselschadezaak tussen de man en [naam] met kenmerk [00000] , alsmede de aanspraken respectievelijk de verplichtingen krachtens de arresten tussen dezelfde partijen gewezen door het hof ’s-Hertogenbosch op 18 maart 2014, 21 juli 2015, 24 november 2015 en 27 september 2016 met zaaknummer 200.139.251/01, inclusief de uit genoemde uitspraken voortvloeiende proceskosten en nakosten;
de verplichtingen krachtens het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 24 mei 2019 met kenmerk C/01/345641/ KG ZA 19-215, gewezen tussen enerzijds [verhuurder] en anderzijds partijen met hun kinderen alsmede de moeder van de man betreffende de woning aan de [adres en plaats 1] , inclusief de uit dat vonnis voortvloeiende proceskosten en nakosten;
de verplichtingen krachtens het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 27 juni 2019 met zaaknummer 7381886/CV EXPL 18-10386 tussen enerzijds [verhuurder] en anderzijds partijen met hun kinderen alsmede de moeder van de man betreffende de woning aan de [adres en plaats 2] , inclusief de uit dat vonnis voortvloeiende proceskosten en nakosten.
3.2.11.
Nu de man geen verweerschrift heeft ingediend en de vrouw haar stellingen met stukken heeft onderbouwd, zal de rechtbank uitgaan van de door de vrouw gestelde bestanddelen.
3.2.12.
Wijze van afwikkeling
De vrouw verzoekt de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te gelasten zoals door haar in de randnummers 16 en 18 van het verzoekschrift is vermeld, althans een zodanige verdeling te gelasten als de rechtbank in goede justitie juist acht. Uit het verzoekschrift blijkt dat de vrouw zich daarbij beperkt tot het vaststellen van de draagplicht van de genoemde verplichtingen en schulden.
De rechtbank overweegt als eerste dat, zoals hiervoor al is overwogen, op grond van artikel 202 TBW tussen partijen het regime van verwervingsdeelneming geldt en dat er geen sprake is van een gemeenschap van goederen. Dit betekent dat de verzoeken van de vrouw moeten worden beoordeeld met inachtneming van de regels in het TBW die gelden voor de afwikkeling van de verwervingsdeelneming.
Ten tweede overweegt de rechtbank dat het TBW de term “draagplicht” voor schulden niet kent maar spreekt over toerekening van een schuld aan het vermogen van een echtgenoot.
3.2.13.
Letselschadezaak
De rechtbank overweegt dat uit hetgeen de vrouw stelt en uit de overlegde stukken niet volgt of sprake is van aanspraken van de man, dan wel verplichtingen (schulden) van de man.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] , [land] op [datum] ;
4.2.
bepaalt dat de schulden krachtens de uitspraak van de Hoge Raad van 9 maart 2018 gewezen in de letselschadezaak tussen de man en [naam] met kenmerk [00000] , alsmede de verplichtingen krachtens de arresten tussen dezelfde partijen gewezen door het hof ’s-Hertogenbosch op 18 maart 2014, 21 juli 2015, 24 november 2015 en 27 september 2016 met zaaknummer 200.139.251/01, inclusief de uit genoemde uitspraken voortvloeiende proceskosten en nakosten, worden toegerekend aan het vermogen van de man;
4.3.
bepaalt dat de schulden bij [verhuurder] , voortvloeiend uit de vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant van 24 mei 2019 en 27 juni 2019 worden toegerekend aan het vermogen van beide partijen in de onderlinge verhouding aan ieder voor de helft;
4.4.
verklaart deze beslissing, met uitzondering van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;
4.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. Geerits, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 18 februari 2025.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!